Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2113

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
11/510166-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGAZAAK PROTEA

Veroordeling voor overtreding van de Opiumwet en voor deelneming aan criminele organisatie.

Stelselmatige observaties art. 126g Sv, telefoontap art. 126m Sv. Vrijspraak voor medeplegen hennepkwekerij. Verwerping verweer medeplichtigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510166-07

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1970,

wonende te [woonplaats], [adres].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 17 juni 2009.

Op 25 juni heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de tenlastelegging en een kopie van de vordering zijn als bijlagen 1 en 1A aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder feit 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar en aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de verdediging de rechtbank verzocht de straf te matigen. De verdediging heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er een groot tijdsverloop is tussen de feiten en de uitspraak. Ook heeft de verdediging erop gewezen dat verdachte in België in voorarrest heeft gezeten in verband met feit 3, de zaak "Malle".

4 De bewijsbeslissing

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2 primair ten laste is gelegd, omdat uit de bewijsmiddelen in het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld niet is gebleken dat er sprake is van een bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering ten aanzien van de belangrijkste activiteiten in de hennepkwekerij in een loods aan de [straatnaam] te Werkendam. Uit de tapgesprekken en observaties is gebleken dat verdachte degene is die wordt ingeschakeld op het moment dat zich een technisch probleem voordoet (het doorbranden van de mindraad). Het feit dat verdachte terstond verschijnt ter verhelping van het probleem, duidt op betrokkenheid bij de hennepplantage. Deze betrokkenheid kan naar het oordeel van de rechtbank slechts aangemerkt worden als een ondersteunende rol in het geheel. Derhalve is er geen sprake van medeplegen.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van harddrugs en

- het opzettelijk telen en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van softdrugs en

- het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en munitie van de categorieën II en/of III en

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die misdrijven verkregen geldbedragen;

2. subsidiair

meer personen in de periode van 21 mei 2007 tot en met 9 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hebben geteeld (in een pand aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van in totaal 2285 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 21 mei 2007 tot en met 9 augustus 2007 te Werkendam eenmaal opzettelijk behulpzaam is geweest, door de voor de teelt/het kweken van die hennepplanten benodigde stroomvoorziening en/of electriciteitsvoorziening te repareren;

3.

in de periode van 01 juni 2007 tot en met 25 september 2007 te Malle, België tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [straatnaam]) een hoeveelheid van in totaal 800 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Met betrekking tot feit 1 (deelneming criminele organisatie)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, dan wel waaraan hij op de een of andere wijze medewerking verleende. Voor zover er al sprake zou zijn van enige betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten, dan vond dit, aldus de verdediging, in ieder geval niet plaats door deelname aan een criminele organisatie, maar was het een kwestie van hulp bieden aan familieleden en/of vrienden.

Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat voor zover moet worden aangenomen dat er sprake is van een criminele organisatie, het gaat om twee criminele organisaties, waarvan de een zich bezighield met harddrugs en de andere met hennep. Voor zover de activiteiten van een verdachte gericht waren op harddrugs, dienen de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van hennep buiten beschouwing te worden gelaten. Andersom geldt dit volgens de verdediging ook als de activiteiten van de verdachte gericht waren op hennep. In dit geval dienen volgens de verdediging de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van harddrugs buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk (HR 29/1/1991 DD 91/168,169). Voor deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist (HR NJ 98/225 en HR NJ 03/64); als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, is ook niet vereist dat betrokkene heeft samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (HR NS 04/471).

In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank dat het doel wat met de criminele organisatie wordt beoogd breed kan zijn. Deelname aan de criminele organisatie kan dan ook betrekking hebben op uiteenlopende activiteiten van deze organisatie. Dat hoeft echter niet te betekenen dat er sprake is van verschillende criminele organisaties, aangezien binnen één en dezelfde organisatie uiteenlopende activiteiten worden ontplooid en in verschillende personele samenstelling wordt gewerkt.

In dit geval gaat het - kort gezegd - om de uitvoer van harddrugs (met name XTC-pillen), het exploiteren van hennepkwekerijen en het verwerken van de geoogste hennep. Niet iedere deelnemer van deze criminele organisatie levert een bijdrage aan de uitvoer van harddrugs, evenmin als iedere deelnemer zijn aandeel heeft in het exploiteren van hennepkwekerijen. Wel is duidelijk dat de personen die de harde kern van deze organisatie vormen van elkaars activiteiten op de hoogte zijn en daarin mede een meer of minder sturende rol hebben.

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van één gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, met het bewezen verklaarde misdadige oogmerk, waaraan verdachte - voor zijn deel - heeft deelgenomen. Dat de verdachte zijn activiteiten beschouwt als het verlenen van hulp aan familie dan/wel vrienden, doet daar niet aan af.

Met betrekking tot feit 2 (hennepkwekerij Werkendam)

Omtrent de in Werkendam aangetroffen hennepkwekerij is er een reeks van afgetapte telefoongesprekken en gebeurtenissen die de rechtbank van belang acht. Op zaterdag 23 juni 2007 blijkt een "mindraad afgebrand te zijn". Dit wordt door [medeverdachte D] telefonisch aan [medeverdachte T] gemeld (TAP p. 057). : "[verdachte]" moet komen met spullen. De telefoon van [medeverdachte D] straalt op dat moment een zendmast aan de [straatnaam] in Werkendam aan. [Medeverdachte T] stuurt [verdachte] nog geen minuut later naar de "overkant" (TAP p.058), met de boodschap dat hij iets voor hem moet doen dat heel belangrijk is en dat hij zijn spulletjes mee moet nemen "want die draad van die lampen van die uh in die uh woning van mij zijn gesmolten". Nadat [verdachte] aan [medeverdachte T] heeft gevraagd of hij opgehaald kan worden bij de pomp (TAP p. 061), wordt [medeverdachte M] door [medeverdachte T] geïnstrueerd om over tien minuten naar de pomp te rijden (TAP p. 062). [Medeverdachte M] vindt dat goed. De telefoon van [medeverdachte M] straalt dan tevens een zendmast aan de [straatnaam] in Werkendam aan. In een telefoongesprek tussen verdachte en zijn vrouw [medeverdachte R1] (TAP p. 063) zegt verdachte tegen [medeverdachte R1] dat hij eerst "effe bij [medeverdachte T] langs is geweest, want daar was een lampje kapot".

Op 28 juli 2007 blijkt uit genomen warmtebeelden dat bij één loods, gelegen achter [bedrijfsnaam] aan de [straatnaam] te Werkendam, warmte zichtbaar was. Op 9 augustus 2007 wordt vervolgens in de loods, genummerd [straatnaam], op de begane grond een ruimte aangetroffen waarin 1.238 hennepplanten staan. Op de eerste verdieping treft men een ruimte aan waarin 1.047 hennepplanten staan. Er wordt een drietal henneptoppen veiliggesteld en bemonsterd. Zij gaven een positieve reactie voor de werkzame stof marihuana/THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjies.

De rechtbank overweegt het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij elektriciën is en regelmatig door [medeverdachte T] werd gebeld om klusjes te doen. Uit bovengenoemde taps kan worden afgeleid dat zodra zich problemen voordoen in de elektriciteit bij - zo leidt de rechtbank af uit het dossier - de hennepkwekerij in Werkendam, [Medeverdachte T] door [medeverdachte D] wordt gealarmeerd en erop geattendeerd dat verdachte moet komen om de problemen te verhelpen. In het onderlinge telefonisch contact zijn zowel [medeverdachte D] als [medeverdachte T] nauw betrokken. Beiden hebben een belangrijke rol vervuld bij de hennepkwekerij in Werkendam. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte bij de hennepkwekerij aan de [straatnaam] in Werkendam betrokken is geweest en daar activiteiten in het kader van behulpzaamheid bij het plegen van een misdrijf heeft verricht.

Met betrekking tot feit 3 (hennepkwekerij Malle, België)

Sinds half augustus 2007 komen er bij elektriciteitsleverancier Eandis klachten binnen omtrent problemen met de elektriciteit in de [straatnaam] in Malle, België. Uit gedane metingen blijkt dat zich op het adres [straatnaam] fluctuatie voordoet in zeer hoog verbruik en normaal verbruik van elektriciteit, beiden verspreid over een periode van 12 uur. Dit zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van een hennepplantage. Op 25 september 2007 vind een huiszoeking plaats, waarbij verdachte en een drietal medeverdachten - te weten [medeverdachte F], [medeverdachte T] en [medeverdachte G] - worden aangehouden. De verdachte bevindt zich bij deze huiszoeking op de zolderverdieping van de woning, waar een tweetal in werking zijnde hennepplantages en een in oprichting zijnde kweekruimte worden aangetroffen. Verdachte heeft tegenover politie bekend in juli 2007 met de plantage te zijn begonnen, ongeveer 800 planten te hebben uitgezet en op het moment van aanhouding bezig te zijn geweest om de derde plantage verder af te werken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN;

2. subsidiair:

MEDEPLICHTIGHEID BIJ HET OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

3. MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Naar aanleiding van CIE-informatie is door politie en justitie een onderzoek gestart naar mogelijk criminele activiteiten van de familie [familienaam] uit Gorinchem op het terrein van harddrugs en softdrugs. Deze criminele activiteiten zouden bestaan uit het produceren-, verwerken- en verhandelen van softdrugs, alsook de handel in harddrugs. Verondersteld werd dat de handel werd geëxporteerd. De broers [medeverdachte P] en [medeverdachte G] zouden de kern van een crimineel samenwerkingsverband vormen. Uit voorbereidend onderzoek kwam onder meer ook naar voren dat [medeverdachte T] zich op grote schaal zou bezighouden met het kweken van hennep en dat verder nog een groot aantal personen bij deze activiteiten was ingeschakeld.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat een drietal leveringen van in totaal circa 200.000 XTC-pillen met als bestemming Engeland heeft plaatsgevonden. Verder werd een aantal hennepkwekerijen (waaronder één in België) opgerold en werden op het woonwagenkamp aan de [straatnaam] in Gorinchem diverse ruimten aangetroffen die ingericht waren voor de verwerking van hennep. In het onderzoek is gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden waaronder telefoontaps, observaties, stelselmatig inwinnen van informatie en het inschakelen van een politioneel informant/pseudokoper. Uiteindelijk is een groot aantal verdachten aangehouden.

Verdachte heeft werkzaamheden verricht ten behoeve van een organisatie die zich op betrekkelijk grote schaal bezighield met het illegaal kweken van hennep. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang waarvan hier sprake is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert een kwekerijen waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving.

Dit is in het geval van de hennepkwekerij in Malle des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerij in een woning was opgezet. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten en op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting.

De rechtbank ziet geen aanleiding de op te leggen straf te matigen in verband met tijdsverloop. Verdachte is op 14 oktober 2008 aangehouden en gehoord, nadat op 16 juni 2008 de huiszoeking heeft plaatsgevonden. Het tijdsverloop van juni 2008 tot heden acht de rechtbank niet zo groot dat dit gevolgen dient te hebben voor de strafoplegging. Ook in de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanknopingspunten die dienen te leiden tot matiging van de op te leggen straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding een deel daarvan, te weten vijf (5) maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien (15) maanden, waarvan vijf (5) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. E. van Schouten en mr. M.A. Waals, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U.F.B. van Berkel - de Jongh, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

primair

hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

2.285, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair

Een of meer perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 21 mei 2007 tot en met 9 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2285, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

Tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 21 mei 2007 tot en met 9 augustus 2007 te Werkendam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door de voor de teelt/het kweken van die hennepplanten benodigde stroomvoorziening en/of electriciteitsvoorziening aan te leggen en/of te onderhouden en/of te repareren.

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 48 ahf/sub 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2007 tot en met 25 september 2007 te Malle, Belgïe tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 800 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

Parketnummer: 11/510166-07

Vonnis d.d. 9 juli 2009