Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2106

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
11/510167-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6877, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGAZAAK PROTEA

Veroordeling voor overtreding van de Opiumwet, diefstal van elektriciteit en voor deelneming aan criminele organisatie.

Stelselmatige observaties art. 126g Sv, telefoontap art. 126m Sv. Verwerping verweer ongeloofwaardigheid getuigenverklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510167-07

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1963,

wonende te [woonplaats], [adres].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 17 juni 2009.

Op 25 juni 2009 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde merkt de rechtbank op dat ten onrechte als benadeelde is vermeld 'ENECO'. Uit het dossier volgt dat aangifte is gedaan door/namens 'NUON'. De rechtbank vat de vermelding 'ENECO' op als een kennelijke verschrijving en leest hier verbeterd: 'NUON'. De verdachte is door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - het ten laste gelegde bewezen achtend - gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren en aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van harddrugs en

- het opzettelijk telen en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van softdrugs en

- het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en munitie van de categorieën II en/of III en

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die misdrijven verkregen geldbedragen;

2.

in de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van in totaal 2.285 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

in de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen hoeveelheden electriciteit, toebehorende aan NUON, waarbij verdachte en zijn mededaders telkens het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

4.

in de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt (in panden aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van 300 en 270, in totaal 570 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Met betrekking tot feit 1 (deelneming criminele organisatie)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, dan wel waaraan hij op de een of andere wijze medewerking verleende. Voor zover er al sprake zou zijn van enige betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten, dan vond dit, aldus de verdediging, in ieder geval niet plaats door deelname aan een criminele organisatie, maar was het een kwestie van hulp bieden aan familieleden en/of vrienden.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk (HR 29/1/1991 DD 91/168,169). Voor deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist (HR NJ 98/225 en HR NJ 03/64); als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is ook niet vereist dat betrokkene heeft samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (HR NS 04/471).

In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank dat het doel dat met de criminele organisatie wordt beoogd breed kan zijn. Deelname aan de criminele organisatie kan dan ook betrekking hebben op uiteenlopende activiteiten van deze organisatie. Dat hoeft echter niet te betekenen dat er sprake is van verschillende criminele organisaties, aangezien binnen één en dezelfde organisatie uiteenlopende activiteiten worden ontplooid en in verschillende personele samenstelling wordt gewerkt.

In dit geval gaat het - kort gezegd - om de uitvoer van harddrugs (met name XTC-pillen), het exploiteren van hennepkwekerijen en het verwerken van de geoogste hennep. Niet iedere deelnemer van deze criminele organisatie levert een bijdrage aan de uitvoer van harddrugs, evenmin als iedere deelnemer zijn aandeel heeft in het exploiteren van hennepkwekerijen. Wel is duidelijk dat de personen die de harde kern van deze organisatie vormen van elkaars activiteiten op de hoogte zijn en daarin mede een meer of minder sturende rol hebben.

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van één gestructureerd en duurzaam samenwerkings-verband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, met het bewezen verklaarde misdadige oogmerk, waaraan verdachte - voor zijn deel - heeft deelgenomen. Dat de verdachte zijn activiteiten beschouwt als het verlenen van hulp aan familie dan/wel vrienden, doet daar niet aan af.

Met betrekking tot feit 2 (hennepkwekerij Werkendam)

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat uit de gedane observaties bij het pand aan de [straatnaam] te Werkendam niet is gebleken dat verdachte bij of in het onderhavige pand is geweest. Het enkele feit dat de mobiele telefoon van verdachte is gepeild in de omgeving van de [straatnaam] - waar verdachte overigens een plausibele verklaring voor heeft - is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Met betrekking tot de in Werkendam aangetroffen hennepkwekerij is er een reeks van afgetapte telefoongesprekken en gebeurtenissen die de rechtbank van belang acht. Allereerst is er een telefoongesprek tussen [medeverdachte D] en verdachte van 6 juni 2007 (TAP p. 043). [Medeverdachte D] vraagt daarin aan verdachte of deze zaterdag mee komt "voetballen". Verdachte stemt daarmee in. Op zaterdag 9 juni 2007 vindt een observatie plaats. In Gorinchem stopt 's ochtends een Peugeot Partner met kenteken [kenteken] voor verdachtes deur in de [straatnaam 1]. Er wordt geclaxonneerd.

De politie heeft aangegeven dat deze auto in de betreffende maanden steeds door [medeverdachte D] of [medeverdachte T] wordt gebruikt. De auto wordt even later gesignaleerd op het terrein achter [bedrijfsnaam] aan de [straatnaam] in Werkendam. In de auto zitten twee mannen. De auto stopt voor een garagedeur van een loods en is vijf minuten later niet meer te zien; de politie concludeert dat men kennelijk de loods is binnengereden. Uit een TAP van 16 juni (TAP p. 050) blijkt dat [medeverdachte D] belt met [medeverdachte T]. Het gaat over de onverwachte afwezigheid van een derde. [medeverdachte D] meldt dat hij gewoon gaat beginnen en dat [medeverdachte M] bij hem is en dat [medeverdachte M] ook "maandag en dinsdag" mee gaat. In een TAP-gesprek op 21 juni (TAP p. 052) wordt door [medeverdachte G] eerst aan [medeverdachte D] gemeld dat "het" niet die avond doorgaat maar "zaterdag"; vervolgens zegt [medeverdachte D] in een gesprek met verdachte van vijf minuten daarna (TAP p. 053) dat ze "zaterdag gaan voetballen", hoe laat weet hij nog niet. Op de middag van 22 juni meldt [medeverdachte D] per SMS aan verdachte: "Om 9 uur bij jou alles" (TAP p. 054). Op zaterdag 23 juni blijkt een "mindraad afgebrand te zijn". Dit wordt door [medeverdachte D] telefonisch aan [medeverdachte T] gemeld (TAP p. 057). [medeverdachte E1] moet komen met spullen. De telefoon van [medeverdachte D] straalt op dat moment een zendmast aan de [straatnaam 2] in Werkendam aan. [medeverdachte T] stuurt [medeverdachte E1] nog geen minuut later naar de "overkant" (TAP p.058). Nadat [medeverdachte E1] heeft gevraagd of hij opgehaald kan worden bij de pomp (TAP p. 061), instrueert [medeverdachte T] verdachte om over tien minuten naar de pomp te rijden (TAP p. 062). Verdachte vindt dat goed. De telefoon van verdachte straalt dan een zendmast aan de [straatnaam] in Werkendam aan. Enkele dagen later belt [medeverdachte D] verdachte en vraagt of hij verdachte "zevenhonderd" in totaal had gegeven. Verdachte beaamt dat. Uit het gesprek (TAP pp. 066-067) blijkt dat [medeverdachte D] probeert na te gaan op welke dagen en hoe vaak ze, deels samen met een derde, bezig zijn geweest met "zetten" en "schoonmaken". Hij is een dag kwijt in de berekening en vreest dat hij tekort komt. Op de ochtend van 7 juli 2007 belt [medeverdachte D] vanuit Werkendam eerst verdachte (TAP, p. 070) dat hij "er is". Een uur later belt verdachte met diens vrouw. Verdachte zegt met een half uurtje thuis te zijn. Hij straalt dan een zendmast aan die staat aan de [straatnaam 3] in Werkendam, nabij de A27 (TAP, p. 071).

Op 28 juli 2007 blijkt uit genomen warmtebeelden dat bij één loods, gelegen achter [bedrijfsnaam] aan de [straatnaam 2] te Werkendam, warmte zichtbaar was. Op 9 augustus 2007 wordt vervolgens in de loods, genummerd [straatnaam 2], op de begane grond een ruimte aangetroffen waarin 1.238 hennepplanten staan. Op de eerste verdieping treft men een ruimte aan waarin 1.047 hennepplanten staan. Er wordt een drietal henneptoppen veiliggesteld en bemonsterd. Zij gaven een positieve reactie voor de werkzame stof marihuana/THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj.

De rechtbank overweegt het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zelf niet voetbalt maar wel eens naar het voetballen van zijn zoon gaat kijken. De rechtbank constateert echter dat in de betreffende gesprekken steeds wordt gesproken over "gaan voetballen". Niets wijst erop dat het gaat om het voetballen van kinderen. Overigens acht de rechtbank ook niet geloofwaardig dat het daadwerkelijk over voetballen gaat. In beide genoemde gevallen is er een afspraak om te gaan voetballen op zaterdag, maar blijkt dat die zaterdag een bezoek aan Werkendam plaatsvindt. Op een van beide zaterdagen wordt er geclaxonneerd voor verdachtes deur en gaat diezelfde auto naar Werkendam, op de andere zaterdag straalt de telefoon van verdachte een zendmast in Werkendam aan. In de serie gesprekken op 21 juni 2007 is het [medeverdachte G] die de afspraak op de zaterdag bepaalt, waarop direct aansluitend [medeverdachte D] de afspraak voor "voetballen" op zaterdag maakt met verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, dat hij nooit in de betreffende loods is geweest en niets met de hennepkwekerij te maken heeft gehad. Hij heeft naar zijn zeggen slechts de vriendin van medeverdachte [medeverdachte G], [medeverdachte J], een paar keer naar de manege in Werkendam gebracht en in Werkendam wel eens bezoeken gebracht aan [medeverdachte K] en [naam]. De aangehaalde telefoongesprekken wijzen echter niet in die richting en gaan over "voetballen" respectievelijk het ophalen van "[medeverdachte E1]" bij de pomp.

Verdachte heeft overigens geen verklaring kunnen geven van wat er met "de pomp" wordt bedoeld; hij zegt dat hij alleen bij zijn werkgever tankt. Daarnaast constateert de rechtbank dat bij nagenoeg alle telefooncontacten medeverdachte [medeverdachte D] direct betrokken is. Deze heeft een belangrijke rol vervuld bij de hennepkwekerij in Werkendam en was een van de twee verdachten die met de bewuste Peugeot Partner reed. Het is ook [medeverdachte D] die samen met verdachte op een rij zet op welke dagen ze, soms met een derde erbij, bezig zijn geweest met "zetten" en "schoonmaken". De verklaring van verdachte dat dit waarschijnlijk om het zetten van stoelen in een loods in Gorinchem ging, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte bij de hennepkwekerij aan de [straatnaam] in Werkendam betrokken is geweest en daar allerlei activiteiten heeft verricht.

Met betrekking tot feit 3 en 4 (hennepkwekerijen Vuren)

Voor het onder feit 3 ten laste gelegde is volgens de raadsman onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden, waardoor dit feit niet bewezen verklaard kan worden. De raadsman heeft ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde aangevoerd dat er, naast de belastende verklaringen van de bewoners van de [straatnaam] te Vuren, geen ondersteunend bewijs uit het dossier blijkt, waaruit zou kunnen volgen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen genoemd feit heeft gepleegd. De belastende verklaringen van de bewoners van genoemde panden worden door de raadsman als ongeloofwaardig en kennelijk leugenachtig gekwalificeerd op basis van het feit dat betreffende personen zijn veroordeeld voor het hebben van een hennepplantage en zij, door het belasten van verdachte, hun eigen straatje proberen schoon te vegen.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Op 8 mei 2007 is via de woningbouwvereniging CWL een melding bij de politie binnengekomen dat het vermoeden bestond dat in de panden aan de [straatnaam 1 en straatnaam 2] te Vuren hennepkwekerijen gevestigd zijn. Tijdens een inspectie aan desbetreffende woningen werden medewerkers van de woningbouwvereniging door de bewoners gesommeerd van het dak af te gaan. Bij nadere inspectie zagen deze medewerkers dat de dakramen van deze woningen aan de binnenzijde waren dichtgetimmerd met een houten plaat. Uit deze plaat stak een pijp naar buiten waaruit een duidelijke henneplucht werd waargenomen. Op 22 mei 2007 zijn verbalisanten naar voornoemde woningen gegaan. Bij de woning aan de [straatnaam 1] deed een vrouw open, die het geuite vermoeden van de aanwezigheid van een hennepkwekerij door de verbalisanten bevestigde en hen voorging naar de zolder van de woning. Daar zagen de verbalisanten dat er een ruimte was afgetimmerd waarin een in werking zijnde hennepkwekerij was gevestigd met daarin 300 hennepplanten. Onderzoek aan de woning door een medewerker van NUON toonde aan dat de stroom werd afgenomen middels een vóór de meter aangesloten kabel. Navraag bij NUON leverde tevens op dat het stroomverbruik van de woning aan de [straatnaam 1] aan de lage kant was (gemiddeld verbruik van 2800 Kwh) voor een gezin bestaande uit man, vrouw en drie kleine kinderen.

Op de [straatnaam 2] te Vuren was [getuige 3] aanwezig, die op de vraag van de verbalisanten of zich een hennepkwekerij in de woning bevond, bevestigend antwoordde. Op de zolderverdieping van de woning troffen de verbalisanten een inwerking zijnde hennepkwekerij aan met daarin 270 hennepplanten.

De zegels van de huisaansluitkast waren verbroken en na het verwijderen van het deksel van deze kast is door een medewerker van NUON geconstateerd dat aan de bovenzijde van de zogenaamde coups een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt, die buiten de meter om naar de hennepplantage liep. Van beide constateringen is aangifte gedaan door NUON. Uit beide kwekerijen werden monsters van de planten afgenomen die getest werden en positief reageerden op cannabis.

Beide bewoners van genoemde panden, te weten [getuige 1] ([straatnaam 1]) en [getuige 3] ([straatnaam 2] en de echtgenote van eerstgenoemde, [getuige 2], hebben belastend verklaard ten opzichte van verdachte. [Getuige 1] heeft verklaard dat hij uit financiële problemen, op aanraden van een medeverdachte, op zijn zolder een hennepkwekerij aan heeft laten leggen. Deze kwekerij is volgens [getuige 1] in november/december 2006 van start gegaan en er hebben twee eerdere oogsten plaatsgevonden. De verdachte heeft meegeholpen met de opbouw, het plaatsen van de planten en de verkoop van de hennep. Ook [getuige 3] werd door een medeverdachte voorgesteld een hennepkwekerij te beginnen om uit de schulden te komen. Deze kwekerij zou begin maart 2007 zijn opgezet. Verdachte hielp mee met de opbouw daarvan, regelde de benodigde apparatuur en verzorgde het onderhoud aan de kwekerij. [Getuige 2] heeft verklaard dat verdachte de kwekerij opbouwde, dat hij de geknipte toppen kwam halen en gebeld werd als er iets was met de kwekerij. Het verweer van de raadsman dat deze verklaringen ongeloofwaardig en kennelijk leugenachtig zouden zijn, wordt verworpen door de rechtbank. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van genoemde getuigenverklaringen, dit te meer nu zij tevens belastend ten opzichte van zichzelf hebben verklaard.

Bovendien worden de getuigenverklaringen ondersteund door de informatie uit gedane observaties en telefoontaps. De verklaring van verdachte dat hij in de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 wel aanwezig is geweest in de woningen aan de [straatnaam 1] en [straatnaam 2] te Vuren in verband met kluswerkzaamheden op zolder, maar dat hij niets heeft gezien of geroken van een in werking zijnde hennepkwekerij, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De aangetroffen hennepkwekerijen bevonden zich immers op de zolderverdiepingen van beide woningen. Bovendien heeft de verdachte verklaard op de dag van de melding door de woningbouwvereniging, te weten 8 mei 2007, waarbij de hennepgeur zelfs buiten de woning werd waargenomen, in de woning werkzaam te zijn geweest.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN;

2. MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

3. DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN VERBREKING, MEERMALEN GEPLEEGD;

4. MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Naar aanleiding van CIE-informatie is door politie en justitie een onderzoek gestart naar mogelijk criminele activiteiten van de familie [familienaam] uit Gorinchem op het terrein van harddrugs en softdrugs. Deze criminele activiteiten zouden bestaan uit het produceren-, verwerken- en verhandelen van softdrugs, alsook de handel in harddrugs. Verondersteld werd dat de handel werd geëxporteerd. De broers [medeverdachte P] en [medeverdachte G] zouden de kern van een crimineel samenwerkingsverband vormen. Uit voorbereidend onderzoek kwam onder meer ook naar voren dat [medeverdachte T] zich op grote schaal zou bezighouden met het kweken van hennep en dat verder nog een groot aantal personen bij deze activiteiten was ingeschakeld.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat een drietal leveringen van in totaal circa 200.000 XTC-pillen met als bestemming Engeland heeft plaatsgevonden. Verder werd een aantal hennepkwekerijen (waaronder één in België) opgerold en werden op het woonwagenkamp aan de [straatnaam] in Gorinchem diverse ruimten aangetroffen die ingericht waren voor de verwerking van hennep. In het onderzoek is gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden waaronder telefoontaps, observaties, stelselmatig inwinnen van informatie en het inschakelen van een politioneel informant/pseudokoper. Uiteindelijk is een groot aantal verdachten aangehouden.

Verdachte heeft werkzaamheden verricht ten behoeve van een organisatie die zich op betrekkelijk grote schaal bezighield met het illegaal kweken van hennep. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als waarvan hier sprake is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts leveren kwekerijen waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Dit is in dit geval des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerijen in Vuren in woningen waren opgezet. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Vooral gelet op de actieve rol die verdachte bij de hennepkwekerijen in Vuren heeft gespeeld, komt de rechtbank op grond van haar oriëntatiepunten straftoemeting echter tot een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding een deel daarvan, te weten 5 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 140, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien (15) maanden waarvan vijf (5) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. E. van Schouten en mr. M.A. Waals, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U.F.B. van Berkel - de Jongh, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk - het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.285, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer hoeveelheid/hoeveelheden electriciteit, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een of meer pand(en) aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van ongeveer 300 en/of ongeveer 270, althans (in totaal) ongeveer 570, althans een

groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 11/510167-07

Vonnis d.d. 9 juli 2009