Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2099

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
11/510165-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6873, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGAZAAK PROTEA

Veroordeling voor overtreding van de Opiumwet, diefstal van elektriciteit en voor deelneming aan criminele organisatie.

Stelselmatige observaties art. 126g Sv, telefoontap art. 126m Sv. Verwerping verweer ongeloofwaardigheid getuigenverklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510165-07

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1973,

wonende te [woonplaats], [adres].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 17 juni 2009.

Op 25 juni 2009 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde merkt de rechtbank op dat ten onrechte als benadeelde is vermeld 'ENECO'. Uit het dossier volgt dat aangifte is gedaan door/namens 'NUON'. De rechtbank vat de vermelding 'ENECO' op als een kennelijke verschrijving en leest hier verbeterd: 'NUON'. De verdachte is door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - het onder feit 1, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen achtend - gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet is bewezen wat aan verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs gebleken ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de aangetroffen hennepkwekerij in een loods aan de [straatnaam] te Werkendam. Bovendien heeft verdachte voor zijn eventuele aanwezigheid in de omgeving van desbetreffende loods een plausibele andere verklaring kunnen geven.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van harddrugs en

- het opzettelijk telen bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van softdrugs en

- het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en munitie van de categorieën II en/of III en

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die misdrijven verkregen geldbedragen;

3.

in de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te

Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld en bewerkt (in panden aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van 300 en 270, in totaal 570 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

in de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, telkens

tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen hoeveelheden electriciteit, toebehorende aan NUON, waarbij verdachte en zijn mededaders telkens het weg te nemen

goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Met betrekking tot feit 1 (deelneming criminele organisatie)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, dan wel waaraan hij op de een of andere wijze medewerking verleende. Voor zover de rechtbank in onderhavige zaak al tot de conclusie zou komen dat er sprake is van een criminele organisatie, kan niet of in onvoldoende mate worden aangetoond dat verdachte voldoet aan de algemene voorwaarden voor deelname aan een dergelijke organisatie. De eerste voorwaarde betreft dat men moet behoren tot de organisatie en de tweede voorwaarde is dat de deelnemer een aandeel moet hebben in dan wel gedragingen moet ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Volgens de raadsvrouw wist verdachte niet van het bestaan van een organisatie of van het oogmerk tot het plegen van misdrijven af. Verdachte heeft daar voorts, aldus de verdediging, geen enkele bemoeienis mee gehad, hetgeen blijkt uit het feit dat hij vrijwel niet voorkomt in het dossier, hij nagenoeg geen contacten heeft met zijn medeverdachten en dat het ontbreekt aan belastende getuigenverklaringen ten opzichte van hem. Ondanks het feit dat verdachte betrokkenheid bij de ten laste gelegde hennepkwekerijen in Werkendam (feit 2) en Vuren (feit 3 en 4) ontkent, zou een eventuele bewezenverklaring door de rechtbank desondanks onvoldoende zijn om te kunnen bewijzen dat er sprake is van een structurele betrokkenheid van verdachte bij de vermeende criminele organisatie.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk (HR 29/1/1991 DD 91/168,169). Voor deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist (HR NJ 98/225 en HR NJ 03/64); als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is ook niet vereist dat betrokkene heeft samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (HR NS 04/471).

In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank dat het doel dat met de criminele organisatie wordt beoogd breed kan zijn. Deelname aan de criminele organisatie kan dan ook betrekking hebben op uiteenlopende activiteiten van deze organisatie. Dat hoeft echter niet te betekenen dat er sprake is van verschillende criminele organisaties, aangezien binnen één en dezelfde organisatie uiteenlopende activiteiten worden ontplooid en in verschillende personele samenstelling wordt gewerkt.

In dit geval gaat het - kort gezegd - om de uitvoer van harddrugs (met name XTC-pillen), het exploiteren van hennepkwekerijen en het verwerken van de geoogste hennep. Niet iedere deelnemer van deze criminele organisatie levert een bijdrage aan de uitvoer van harddrugs, evenmin als iedere deelnemer zijn aandeel heeft in het exploiteren van hennepkwekerijen. Wel is duidelijk dat de personen die de harde kern van deze organisatie vormen van elkaars activiteiten op de hoogte zijn en daarin mede een meer of minder sturende rol hebben.

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van één gestructureerd en duurzaam samenwerkings-verband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, met het bewezen verklaarde misdadige oogmerk, waaraan verdachte - voor zijn deel - heeft deelgenomen. Dat de verdachte zijn activiteiten beschouwt als het verlenen van hulp aan familie dan/wel vrienden, doet daar niet aan af.

Met betrekking tot feit 3 en 4 (hennepkwekerijen Vuren)

Met betrekking tot de hennepkwekerijen in Vuren heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte weliswaar in deze woningen aanwezig is geweest, maar dat hij daar slechts timmerwerkzaamheden heeft verricht en geen betrokkenheid heeft gehad bij de aangetroffen plantages. De belastende verklaringen van de bewoners van beide panden, [getuige 1], [getuige 2] ([straatnaam 1]) en [getuige 3] ([straatnaam 2]) zijn volgens verdachte en diens raadsvrouw onjuist en onbetrouwbaar. Ter onderbouwing van het standpunt dat deze verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, is aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1], afgelegd op 22 mei 2007, niet strookt met de verklaring die hij op 28 augustus 2008 heeft afgelegd. In eerstgenoemde verklaring, die kort na de aanhouding van getuige [getuige 1] is afgelegd, heeft hij immers verklaard dat hij in november-december 2006 is begonnen met het bouwen van de hennepkwekerij en zelf de goederen hiervoor heeft gekocht. Op 28 augustus 2008 verklaart hij vervolgens belastend voor verdachte. [getuige 3] zou ook verklaard hebben dat hij zelf de hennepkwekerij op [straatnaam 2] heeft aangelegd en door niemand is geholpen. Deze verklaring wordt door hem echter gewijzigd nadat zijn echtgenote is aangeschoven bij het verhoor.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Op 8 mei 2007 is via de woningbouwvereniging CWL een melding bij de politie binnengekomen dat het vermoeden bestond dat in de panden aan de [straatnaam1] en [straatnaam 2] te Vuren hennepkwekerijen gevestigd zijn. Tijdens een inspectie aan desbetreffende woningen werden medewerkers van de woningbouwvereniging door de bewoners gesommeerd van het dak af te gaan. Bij nadere inspectie zagen deze medewerkers dat de dakramen van deze woningen aan de binnenzijde waren dichtgetimmerd met een houten plaat. Uit deze plaat stak een pijp naar buiten waaruit een duidelijke henneplucht werd waargenomen. Op 22 mei 2007 zijn verbalisanten naar voornoemde woningen gegaan. Bij de woning aan de [straatnaam 1] deed een vrouw open, die het geuite vermoeden van de aanwezigheid van een hennepkwekerij door de verbalisanten bevestigde en hen voorging naar de zolder van de woning. Daar zagen de verbalisanten dat er een ruimte was afgetimmerd waarin een in werking zijnde hennepkwekerij was gevestigd met daarin 300 hennepplanten. Onderzoek aan de woning door een medewerker van NUON toonde aan dat de stroom werd afgenomen middels een vóór de meter aangesloten kabel. Navraag bij NUON leverde tevens op dat het stroomverbruik van de woning aan de [straatnaam 1] aan de lage kant was (gemiddeld verbruik van 2800 Kwh) voor een gezin bestaande uit man, vrouw en drie kleine kinderen.

Op de [straatnaam 2] te Vuren was [getuige 3] aanwezig, die op de vraag van de verbalisanten of zich een hennepkwekerij in de woning bevond, bevestigend antwoordde. Op de zolderverdieping van de woning troffen de verbalisanten een inwerking zijnde hennepkwekerij aan met daarin 270 hennepplanten. De zegels van de huisaansluitkast van de elektriciteit waren verbroken en na het verwijderen van het deksel van deze kast is door een medewerker van NUON geconstateerd dat aan de bovenzijde van de zogenaamde coups een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt, die buiten de meter om naar de hennepplantage liep. Van beide constateringen is aangifte gedaan door NUON. Uit beide kwekerijen werden monsters van de planten afgenomen die getest werden en positief reageerden op cannabis.

Beide bewoners van genoemde panden, te weten [getuige 1] ([straatnaam 1]) en [getuige 3] ([straatnaam 2]) en de echtgenote van eerstgenoemde, [getuige 2], hebben belastend verklaard ten opzichte van verdachte.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij uit financiële problemen, op aanraden van verdachte, op zijn zolder een hennepkwekerij aan heeft laten leggen. De verdachte heeft in deze woning de ruimte op zolder bekeken ter berekening van het aantal planten dat kon worden geplaatst. Deze kwekerij is volgens [getuige 1] in november/december 2006 van start gegaan en er hebben twee eerdere oogsten plaatsgevonden. Verdachte heeft meegeholpen met de opbouw, de aanleg van het elektrische gedeelte, de aankoop en verzorging van de hennepplanten, het plaatsen van de planten en de verkoop van de hennep. [getuige 3] werd tevens door een medeverdachte voorgesteld een hennepkwekerij te beginnen om uit de schulden te komen. Deze kwekerij zou begin maart 2007 zijn opgezet. Verdachte hielp mee met de opbouw daarvan, verzorgde voornamelijk de planten, maar ook het onderhoud aan de kwekerij. [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte had berekend wat er per oogst kon worden verdiend, dat hij de kwekerij mee opbouwde, de geknipte toppen kwam halen en bij de twee oogsten de uitbetaling aan getuige deed. Het verweer van de raadsvrouw dat deze verklaringen onjuist en onbetrouwbaar zouden zijn, wordt verworpen door de rechtbank. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van genoemde getuigenverklaringen, dit te meer nu de getuigen tevens belastend ten opzichte van zichzelf hebben verklaard.

Daarentegen acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij in de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 wel aanwezig is geweest in de woningen aan de [straatnaam 1] en [straatnaam 2] te Vuren in verband met kluswerkzaamheden op zolder, maar dat hij niets heeft gezien of geroken van een in werking zijnde hennepkwekerij, ongeloofwaardig. De aangetroffen hennepkwekerijen bevonden zich immers op de zolderverdiepingen van beide woningen. Verdachte heeft ter terechtzitting verder verklaard niet meer te weten of hij op de avond van de dag van de melding door de woningbouwvereniging - te weten 8 mei 2007 - in genoemde woningen is geweest, maar heeft ook verklaard dat dit wel goed mogelijk kan zijn in verband met het ophalen van spullen of het afmaken van kluswerkzaamheden. De rechtbank constateert dat uit diverse TAPS (TAP-gesprekken pp. 023, 025) is gebleken dat verdachte op de middag van 8 mei 2007 contact heeft gezocht met medeverdachte [medeverdachte M] en hem heeft gevraagd of hij die avond tijd heeft. In TAP-gesprek 025 zegt verdachte tegen [medeverdachte M] (op diens vraag of het per sé die avond moet gebeuren) dat er "een beetje spoed bij is". [Medeverdachte M] zegt de volgende avond wel tijd te hebben. Verdachte antwoordt daarop dat hij "vast gaat beginnen en dan wel ziet". Circa een half uur later belt [medeverdachte M] (TAP p. 027, 17:46 uur) dat hij toch komt en vraagt aan verdachte waar hij is. Deze antwoordt: "Daar". [Medeverdachte M] vraagt vervolgens "Bij de eerste of de tweede"? , waarop verdachte antwoordt: "Eerste". Uit observaties diezelfde avond (tussen 18:25 en 19:04 uur) blijkt dat een grijze Ford Mondeo, die op naam van verdachte staat, gezien wordt in de buurt van de [straatnaam] in Vuren. Tevens wordt op de [straatnaam] - die parallel ligt aan de [straatnaam] - een rode Peugeot gesignaleerd die op naam van de echtgenote van [medeverdachte M] staat. Twee mannen, waarvan er een wordt herkend als [medeverdachte M] en de ander die een houthakkershemd draagt, staan op de [straatnaam] met elkaar te praten. Even later vertrekken beide auto's weer. De man met het houthakkershemd is in de Ford Mondeo gestapt.

De genoemde TAP-gesprekken en de observaties, in onderlinge samenhang beschouwd, ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de hierboven genoemde getuigen-verklaringen, dat verdachte en [medeverdachte M] betrokken zijn bij de kwekerijen. De rechtbank acht de betrokkenheid van verdachte bij deze twee hennepkwekerijen daarom wettig en overtuigend bewezen.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN;

3. MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

4. DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN VERBREKING, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Naar aanleiding van CIE-informatie is door politie en justitie een onderzoek gestart naar mogelijk criminele activiteiten van de familie [familienaam] uit Gorinchem op het terrein van harddrugs en softdrugs. Deze criminele activiteiten zouden bestaan uit het produceren-, verwerken- en verhandelen van softdrugs, alsook de handel in harddrugs. Verondersteld werd dat de handel werd geëxporteerd. De broers [medeverdachte P] en [medeverdachte G] zouden de kern van een crimineel samenwerkingsverband vormen. Uit voorbereidend onderzoek kwam onder meer ook naar voren dat [medeverdachte T] zich op grote schaal zou bezighouden met het kweken van hennep en dat verder nog een groot aantal personen bij deze activiteiten was ingeschakeld.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat een drietal leveringen van in totaal circa 200.000 XTC-pillen met als bestemming Engeland heeft plaatsgevonden. Verder werd een aantal hennepkwekerijen (waaronder één in België) opgerold en werden op het woonwagenkamp aan de [straatnaam] in Gorinchem diverse ruimten aangetroffen die ingericht waren voor de verwerking van hennep.

In het onderzoek is gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden waaronder telefoontaps, observaties, stelselmatig inwinnen van informatie en het inschakelen van een politioneel informant/pseudokoper. Uiteindelijk is een groot aantal verdachten aangehouden.

Verdachte heeft werkzaamheden verricht ten behoeve van een organisatie die zich op betrekkelijk grote schaal bezighield met het illegaal kweken, bewerken en verwerken van hennep. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als waarvan hier sprake is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts leveren kwekerijen waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Dit is in dit geval des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerijen in Vuren in woningen waren opgezet. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding een deel daarvan, te weten vier (4) maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 140, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf (12) maanden, waarvan vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr.drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. E. van Schouten en mr. M.A. Waals, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U.F.B. van Berkel - de Jongh, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland,heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

2.285, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een of meer pand(en) aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van ongeveer 300 en/of ongeveer 270, althans (in totaal) ongeveer 570, althans een

groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer hoeveelheid/hoeveelheden electriciteit, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 11/510165-07

Vonnis d.d. 9 juli 2009