Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2086

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
11/500503-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6868, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGAZAAK PROTEA

Veroordeling voor overtreding van de Opiumwet, Wet wapens en munitie en voor deelneming aan criminele organisatie.

Verwerping verweer onrechtmatig verkregen bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/500503-08

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1951],

ter terechtzitting opgegeven als wonende te [adres].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 15 juni 2009.

Op 25 juni 2009 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien (18) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft integraal vrijspraak bepleit.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren, van harddrugs en

- het opzettelijk telen en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren, van softdrugs en

- het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en munitie van de categorieën II en/of III en

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die misdrijven verkregen geldbedragen;

2.

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, (in een pand en/of een of meer (zee)container(s) aan de [straatnaam] aldaar)

een hoeveelheid van ongeveer 49.930 gram hennep en (andere) (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

op 16 juni 2008 te Gorinchem een wapen van categorie III, te weten een pistool (BBM), en een wapen van categorie I, te weten een geluiddemper en munitie van categorie III, te weten 25 kogels, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Onrechtmatig verkregen bewijs

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de doorzoekingen in de woning van verdachte (pand X) en de containers (pand Z) onrechtmatig zijn geweest en dat de resultaten van die doorzoekingen niet gebruikt mogen worden voor het bewijs.

De politie had -aldus de verdediging- geen recht en toestemming om het terrein van verdachte te betreden. De machtiging binnentreden was afgegeven voor een andere verdachte wonende op het adres [straatnaam +huisnummer] te Gorinchem, terwijl verdachte woonachtig is op het adres [straatnaam + huisnummer+toevoeging] te Gorinchem. De panden X en Z liggen dus op een ander terrein dan de woning met nummer [huisnummer].

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op 16 juni 2008 is de politie in het kader van een onderzoek naar overtreding van de Opiumwet bij de woning van medeverdachte [medeverdachte T] binnengetreden. De woning is gelegen aan de [straatnaam +huisnummer]te Gorinchem.

Op dat perceel bevond zich volgens verbalisant Van Maelsaeke nog een woning welke tevens werd aangeduid als [straatnaam +huisnummer]. Dit pand werd door de politie aangeduid met letter X.

De rechtbank is reeds hierom van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat de woning van verdachte (pand X) was aangeduid met nummer [huisnummer+toevoeging]. Ook uit het proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling volgt dat verdachte opgaf woonachtig te zijn op [huisnummer]. Daarnaast staat als geverifieerd adres van verdachte op het Uittreksel Justitiële Documentatie [straatnaam +huisnummer] te Gorinchem. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de politie het gehele terrein, welke met een sloot en diverse hekken was omringd, verder mocht betreden.

Achterop het terrein zag de politie een bouwsel van zeecontainers met een houten aanbouw (pand Z). De politie zag aan de buitenzijde een aantal watercontainers welke veelal worden gebruikt voor de watervoorziening in hennepplantages. Eén van de watercontainers was gevuld met water en de politie zag dat een leiding daarvandaan naar de binnenzijde van de containers liep. De politie zag daar ook een filter liggen dat wordt gebruikt ten behoeve van hennepplantages. Hierdoor ontstond het vermoeden dat dit bouwsel mogelijk werd gebruikt voor hennepteelt. De politie heeft hierop de situatie telefonisch beschreven aan de officier van justitie en de rechter-commissaris, welke nadien ter plaatse zijn gekomen. In opdracht van de officier van justitie werd door de politie pand Z betreden. In pand Z werden voorwerpen gevonden die gebruikt worden voor het verwerken van hennep. Ook werd in tassen hennep aangetroffen. De politie zag dat er een elektriciteitsdraad vanaf pand Z naar een stenen woning liep welke zich ook op het terrein van de [straatnaam +huisnummer] bevond. Dit betrof de woning van verdachte (pand X).

Hierop heeft de officier van justitie een mondeling verzoek tot spoedzoeking gedaan en werd door de rechter-commissaris toestemming gegeven om pand X te betreden. Op 24 juni 2008 heeft de rechter-commissaris op schriftelijk verzoek van de officier van justitie van 23 juni 2008, zijn op 16 juni 2008 afgegeven mondelinge machtiging tot doorzoeking van de woning van verdachte, schriftelijk bevestigd. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de doorzoekingen op rechtmatige wijze hebben plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting is daarom niet aan de orde.

Met betrekking tot feit 1 (deelneming criminele organisatie)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, dan wel waaraan hij op de een of andere wijze medewerking verleende. Voor zover er al sprake zou zijn van enige betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten, dan vond dit, aldus de verdediging, in ieder geval niet plaats door deelname aan een criminele organisatie, maar was het een kwestie van hulp bieden aan familieleden en/of vrienden.

Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat voor zover moet worden aangenomen dat er sprake is van een criminele organisatie, het gaat om twee criminele organisaties, waarvan de een zich bezighield met harddrugs en de andere met hennep. Voor zover de activiteiten van een verdachte gericht waren op harddrugs, dienen de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van hennep buiten beschouwing te worden gelaten. Andersom geldt dit volgens de verdediging ook als de activiteiten van de verdachte gericht waren op hennep. In dit geval dienen volgens de verdediging de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van harddrugs buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk (HR 29/1/1991 DD 91/168,169).

Voor deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist (HR NJ 98/225 en HR NJ 03/64); als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is ook niet vereist dat betrokkene heeft samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (HR NS 04/471).

In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank dat het doel dat met de criminele organisatie wordt beoogd breed kan zijn. Deelname aan de criminele organisatie kan dan ook betrekking hebben op uiteenlopende activiteiten van deze organisatie. Dat hoeft echter niet te betekenen dat er sprake is van verschillende criminele organisaties, aangezien binnen één en dezelfde organisatie uiteenlopende activiteiten worden ontplooid en in verschillende personele samenstelling wordt gewerkt.

In dit geval gaat het - kort gezegd - om de uitvoer van harddrugs (met name XTC-pillen), het exploiteren van hennepkwekerijen en het verwerken van de geoogste hennep. Niet iedere deelnemer van deze criminele organisatie levert een bijdrage aan de uitvoer van harddrugs, evenmin als iedere deelnemer zijn aandeel heeft in het exploiteren van hennepkwekerijen. Wel is duidelijk dat de personen die de harde kern van deze organisatie vormen van elkaars activiteiten op de hoogte zijn en daarin mede een meer of minder sturende rol hebben.

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van één gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, met het bewezen verklaarde misdadige oogmerk, waaraan verdachte - voor zijn deel - heeft deelgenomen. Dat de verdachte zijn activiteiten beschouwt als het verlenen van hulp aan familie dan/wel vrienden, doet daar niet aan af.

De rechtbank overweegt dat verdachte deel uitmaakte van de criminele organisatie. Hij had wetenschap van de activiteiten van de organisatie en heeft door zijn terrein en ruimten ter beschikking te stellen voor de bewerking en verwerking van hennep een faciliterende, doch onmisbare en belangrijke bijdrage geleverd aan die activiteiten.

Met betrekking tot feit 2 (bewerken/verwerken van hennep)

Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij dit feit. De schuurruimte was naar zijn zeggen in gebruik bij [getuige A]. Deze heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij dat schuurtje voor zijn dakdekkermateriaal heeft gebruikt en dat hij de ruimte in de tijd dat verdachte op vakantie was, ter beschikking heeft gesteld aan ene [voornaam].

De rechtbank stelt -gelet op de beschrijving door [getuige A]- vast dat de ruimte die in gebruik zou zijn geweest bij [getuige A] de houten aanbouw aan pand Z was. In die houten aanbouw, noch elders in het pand is dakdekkermateriaal aangetroffen. Wel zijn op 16 juni 2008 in pand Z 81 sealzakken met hennep, droogrekken, digitale weegschalen en vele andere hennepgerelateerde voorwerpen aangetroffen. Verdachte heeft aangegeven dat hij 10 juni 2008 op vakantie is gegaan. Dit betekent dat al de aan hennep gerelateerde voorwerpen in pand Z in zes dagen tijd daar moeten zijn geplaatst en gebruikt, zonder dat iemand dat heeft bemerkt, immers, naar zeggen van [getuige A] heeft hij pas toen verdachte op vakantie was, de schuur aan [voornaam] ter beschikking gesteld. De rechtbank acht dit gezien de hoeveelheid voorwerpen ongeloofwaardig. Zo stonden er namelijk meer dan 100 droogrekken in dat pand. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het een afgesloten terrein is.

De rechtbank stelt daarnaast ook vast dat schuur 2, welke vast zit aan de woning van verdachte (pand X), ingericht was als knipschuur. Deze ruimte is niet aan [getuige A] ter beschikking gesteld. Uit de verklaringen van [medeverdachte V] (V 43) en [medeverdachte H] (V 56), en uit de aard van de voorwerpen die in die ruimte zijn aangetroffen, leidt de rechtbank af dat in deze ruimte meermalen door een aantal knipsters henneptoppen werden geknipt. De verklaring van verdachte dat hij daar niets vanaf wist en daar niets van heeft gemerkt acht de rechtbank ongeloofwaardig. De schuur bevindt zich immers direct naast verdachtes woning en werd op dagen dat de hennep werd geknipt door een groep van circa 8 personen bezocht.

Door deze activiteiten in zijn panden toe te laten is verdachte als medepleger aan te merken.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Det bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN.

2.

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD.

3.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 13 VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Naar aanleiding van CIE-informatie is door politie en justitie een onderzoek gestart naar mogelijk criminele activiteiten van de familie [familienaam] uit Gorinchem op het terrein van harddrugs en softdrugs. Deze criminele activiteiten zouden bestaan uit het produceren-, verwerken- en verhandelen van softdrugs, alsook de handel in harddrugs. Verondersteld werd dat de handel werd geëxporteerd. De broers [medeverdachte P] en [medeverdachte G] zouden de kern van een crimineel samenwerkingsverband vormen. Uit voorbereidend onderzoek kwam onder meer ook naar voren dat [medeverdachte T] zich op grote schaal zou bezighouden met het kweken van hennep en dat verder nog een groot aantal personen bij deze activiteiten was ingeschakeld.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat een drietal leveringen van in totaal circa 200.000 XTC-pillen met als bestemming Engeland heeft plaatsgevonden. Verder werd een aantal hennepkwekerijen (waaronder één in België) opgerold en werden op het woonwagenkamp aan de [straatnaam] in Gorinchem diverse ruimtes aangetroffen die ingericht waren voor de verwerking van hennep. In het onderzoek is gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden, waaronder telefoontaps, observaties, het stelselmatig inwinnen van informatie en het inschakelen van een politioneel informant/pseudokoper. Uiteindelijk is een groot aantal verdachten aangehouden.

Verdachte heeft zich als lid van een criminele organisatie schuldig gemaakt aan het bewerken en verwerken van hennep. Dit gebeurde in zijn schuur en een bouwsel van containers. Hierbij is ruim 49 kilo hennep aangetroffen, wat aangeeft dat het om grote hoeveelheden ging. Verdachte heeft aldus een bijdrage geleverd aan het op de markt brengen van (grote) partijen softdrugs. Het gebruik van hennep vormt, door het toenemende THC-gehalte, een gevaar voor de gezondheid van de gebruikers en leidt door het verslavende karakter van het gebruik tot criminaliteit.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Vuurwapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en veroorzaken dan veelal gevaar en ernstige gevoelens van onveiligheid. Daarom moet, zeker in de onderhavige zaak waar de verdachte zich bezig hield met softdrugs, streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het feit dat verdachte eerder voor een drugsdelict is veroordeeld.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van achttien (18) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. E. van Schouten en mr. M.A. Waals, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel en mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh, griffiers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

2.

hij op een meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand en/of een of meer (zee)container(s) aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 49.930 gram hennep en/of een of meer (andere) (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij op of omstreeks 16 juni 2008 te Gorinchem een wapen van categorie III, te weten een pistool (BBM), en/of een wapen van categorie I, te weten een geluiddemper, en/of munitie van categorie III, te weten 25 kogels, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Parketnummer: 11/500503-08

Vonnis d.d. 9 juli 2009