Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2079

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
11/510222-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGAZAAK PROTEA

Veroordeling voor overtreding van de Opiumwet, diefstal van elektriciteit en voor deelneming aan criminele organisatie.

Stelselmatige observaties art. 126g Sv, telefoontap art. 126m Sv. Gedeeltelijke vrijspraak. Verwerping verweer dat niet gebleken is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit in verband met reeds verbroken verzegeling meterkast en aanbrengen van een zwaardere zekering ten einde het piekvermogen te kunnen verhogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510222-07

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1969,

wonende te [adres en woonplaats].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 17 juni 2009.

Op 25 juni 2009 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

Ten aanzien van wat onder 5 ten laste is gelegd, kort gezegd de diefstal van elektriciteit, is door de verdediging aangevoerd dat de dagvaarding door het ontbreken van een adresaanduiding onvoldoende duidelijk en concreet is. Het dossier omvat meer verdenkingen van diefstal van elektriciteit en zonder nadere adresaanduiding is het onvoldoende duidelijk waartegen de verdediging zich moet richten. Hieruit volgt dat de dagvaarding ten aanzien van feit 5 nietig dient te worden verklaard.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van een pleegadres in feit 5 niet dient te leiden tot het gedeeltelijk nietig verklaren van de dagvaarding. In feit 5 is dezelfde pleegperiode en pleegplaats opgenomen als in feit 4, dat gaat over de verdenking van het telen van een hoeveelheid hennep in de [adres]te Gorinchem in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 16 juni 2008 door de verdachte. Uit het deeldossier 13 - met name de aangifte van Eneco Netbeheer BV van 18 juni 2008 (AAN 061-079) - volgt ondubbelzinnig dat de verdenking die is neergelegd in feit 5 de diefstal van elektriciteit betreft, gepleegd in de voornoemde periode en op het adres [adres] te Gorinchem.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat voor de procesdeelnemers - zowel voor openbaar ministerie, rechter als verdachte - de inzet van het geding ten aanzien van feit 5 voldoende duidelijk is. De rechtbank verwerpt het verweer.

De dagvaarding voldoet ook overigens aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - het onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen achtend - gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar en aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 en 5. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de strafoplegging heeft de verdediging bepleit de straf te beperken tot een voorwaardelijke vrijheidstraf, eventueel in combinatie met een werkstraf.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De vrijspraak

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen wat aan de verdachte onder 2 - kort gezegd het in Gorinchem telen, bereiden, bewerken, verwerken dan wel aanwezig hebben van ruim 49 kilo hennep - ten laste is gelegd.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van harddrugs en

- het opzettelijk telen en bewerken en verwerken en verkopen en/afleveren en verstrekken en vervoerenvan softdrugs en- het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en munitie van de categorieën II en/of III en

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die misdrijven verkregen geldbedragen;

3.

in de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van in totaal 2.285 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

in de periode van 01 maart 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres]aldaar) een hoeveelheid van in totaal 212 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

in de periode van 01 maart 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen hoeveelheden stroom, toebehorende aan Eneco, waarbij verdachte dat weg te nemen goedonder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van feit 1:

Met betrekking tot dit feit - kort gezegd de deelname aan een criminele organisatie - is door de raadsman van verdachte vrijspraak bepleit. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, dan wel waaraan hij op de een of andere wijze medewerking verleende. Het enkele feit dat jegens verscheidene familieleden verdenking bestaat van het plegen van strafbare feiten, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat deze feiten gepleegd zijn in een crimineel samenwerkingsverband. Voor zover er al sprake zou zijn van enige betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten, dan vond dit, aldus de verdediging, in ieder geval niet plaats door deelname aan een criminele organisatie, maar was het een kwestie van hulp bieden aan familieleden en/of vrienden. Verdachte kan, aldus de verdediging, slechts in verband gebracht worden met de kwekerij op de [adres] te Werkendam en dit enkele feit is onvoldoende om deelname aan een criminele organisatie aan te nemen. De kwekerij in zijn woning aan de [adres]in Gorinchem heeft verdachte zelfstandig gefinancierd en geëxploiteerd, hierbij was geen sprake van enig samenwerkingsverband.

Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat voor zover moet worden aangenomen dat er sprake is van een criminele organisatie, het gaat om twee criminele organisaties, waarvan de een zich bezighield met harddrugs en de andere met hennep. Voor zover de activiteiten van een verdachte gericht waren op harddrugs, dienen de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van hennep buiten beschouwing te worden gelaten. Andersom geldt dit ook, aldus de verdediging, als de activiteiten van de verdachte gericht waren op hennep. In dit geval dienen volgens de verdediging de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van harddrugs buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Het gestructureerde en duurzame van het samenwerkingsverband kan blijken uit gemeenschappelijke regels en doelstellingen, maar ook uit een zekere gelaagdheid van het samenwerkingsverband en/of een rolverdeling tussen en positie van de individuele deelnemers binnen het samenwerkingsverband.

Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning verleent aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk (HR 29/1/1991 DD 91/168,169). Voor deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist (HR NJ 98/225 en HR NJ 03/64); als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is ook niet vereist dat betrokkene heeft samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (HR NS 04/471).

Voor een familie kan gelden dat de onderlinge structuur op een aantal punten overeenkomsten vertoont met de hierboven genoemde, in eerdere jurisprudentie strafrechtelijk relevant beoordeelde, aspecten van een criminele organisatie. Dit betekent echter niet dat reeds sprake is van een criminele organisatie indien meerdere leden van een familie tezamen misdrijven plegen. Daarvan is slechts sprake indien komt vast te staan dat door die familieleden die deze misdrijven begaan of die deze misdrijven doelbewust ondersteunen, de in die familie bestaande gezagsverhoudingen, relaties, rolverdeling, structuur en regels doelbewust en met een zekere stelselmatigheid en bestendigheid worden ingezet om te kunnen komen tot het plegen van deze misdrijven. In dat geval is immers bij die personen sprake van het oogmerk tot het plegen van misdrijven binnen een familiestructuur die dan (voor die betrokken personen) tevens is aan te merken als een criminele organisatie.

In deze zaak is duidelijk gebleken van een dergelijke aanwending van de reeds bestaande familiestructuur door een aantal verdachten. Gedurende een langere periode is telkens - in wisselende samenstelling - een aantal familieleden betrokken bij een groot aantal feiten strafbaar gesteld bij de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Verder blijkt uit onder andere afgeluisterde telefoongesprekken dat het voor een aanzienlijk deel van de familieleden helder was waar men mee bezig was en wat ieders rol in de organisatie was. Alle personen van wie vast is komen te staan dat zij een aandeel hadden in de strafbare feiten zijn daarmee deel gaan uitmaken van deze criminele organisatie.

Voorts overweegt de rechtbank dat het doel dat met de criminele organisatie wordt beoogd breed kan zijn. Deelname aan de criminele organisatie kan dan ook betrekking hebben op uiteenlopende activiteiten van deze organisatie. Dat hoeft echter niet te betekenen dat er sprake is van verschillende criminele organisaties, aangezien binnen één en dezelfde organisatie uiteenlopende activiteiten worden ontplooid en in verschillende personele samenstelling wordt gewerkt.

In dit geval gaat het - kort gezegd - om de uitvoer van harddrugs (met name XTC-pillen), het exploiteren van hennepkwekerijen en het verwerken van de geoogste hennep. Niet iedere deelnemer van deze criminele organisatie levert een bijdrage aan de uitvoer van harddrugs, evenmin als iedere deelnemer zijn aandeel heeft in het exploiteren van hennepkwekerijen. Wel is duidelijk dat de personen die de harde kern van deze organisatie vormen van elkaars activiteiten op de hoogte zijn en daarin mede een meer of minder sturende rol hebben.

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van één gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, met het bewezen verklaarde misdadige oogmerk, waaraan verdachte - voor zijn deel - heeft deelgenomen.

Ten aanzien van feit 5:

Door de raadsman van verdachte is voorts gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van wat hem onder 5 - kort gezegd de diefstal van elektriciteit - ten laste is gelegd. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat volgens de verklaring van de verdachte de verzegeling van de meterkast al was verbroken toen hij een zwaardere zekering aanbracht. De verdachte heeft ook verklaard dat de stroom gewoon via de meter is gelopen en dat hij de rekening voor stroomgebruik aan Eneco heeft betaald. Uit niets blijkt dat er illegaal stroom is afgetapt.

De aangebrachte zwaardere zekering had slechts tot doel het zogenaamde piekvermogen te verhogen. Het verbreken van de verzegeling maakte het mogelijk het telwerk terug te draaien, maar niet is gebleken dat het telwerk van de meter daadwerkelijk is gemanipuleerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de aangifte van Eneco (AAN p. 061-064) blijkt dat bij controle op 16 juni 2008 van de elektrische installatie in het pand [adres] te Gorinchem de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken was. Bij nadere controle bleek dat de van fabriekswege aangebrachte verzegelingen aan het telwerkhuis van de elektriciteitsmeter verbroken waren. Na het verwijderen van de verzegelingen van het telwerkhuis van de elektriciteitsmeter kan het telwerkhuis verwijderd worden waarna het telwerk op elke willekeurige stand geplaats kon worden. Ook werd vastgesteld dat de hoofdzekering verzwaard was van 1 x 35 Ampère naar 1 x 50 Ampère, waardoor een grotere hoeveelheid elektriciteit afgenomen kon worden.

De stelling van de verdediging dat niet is aangetoond dat het telwerk daadwerkelijk is gemanipuleerd, wordt weerlegd door de bij de aangifte gevoegde gespecificeerde berekeningen (AAN, p. 073-076). Hieruit blijkt in de periode van 30 augustus 2007 tot en met 16 juni 2008 in totaal een hoeveelheid elektriciteit van in totaal 18899 kWh, ter waarde van Eur 4.173,68 te zijn ontvreemd. De rechtbank verwerpt het verweer.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN;

3.

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

4.

HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

5.

DIEFSTAL WAARBIJ DE SCHULDIGE HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN VERBREKING.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan gebleken is uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Naar aanleiding van CIE-informatie is door politie en justitie een onderzoek gestart naar mogelijk criminele activiteiten van de familie [naam] uit Gorinchem op het terrein van harddrugs en softdrugs. Deze criminele activiteiten zouden bestaan uit het produceren, verwerken en verhandelen van softdrugs, alsook de handel in harddrugs. Verondersteld werd dat de handel werd geëxporteerd. De broers [medeverdachte P] en [medeverdachte G] zouden de kern van een crimineel samenwerkingsverband vormen. Uit voorbereidend onderzoek kwam onder meer ook naar voren dat [medeverdachte T] zich op grote schaal zou bezighouden met het kweken van hennep en dat verder nog een groot aantal personen bij deze activiteiten was ingeschakeld.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat een drietal leveringen van in totaal circa 200.000 XTC-pillen met als bestemming Engeland heeft plaatsgevonden. Verder werd een aantal hennepkwekerijen (waaronder één in België) opgerold en werden op het woonwagenkamp aan de [adres] in Gorinchem diverse ruimtes aangetroffen die ingericht waren voor de verwerking van hennep. In het onderzoek is gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden, waaronder telefoontaps, observaties, het stelselmatig inwinnen van informatie en het inschakelen van een politioneel informant/pseudokoper. Uiteindelijk is een groot aantal verdachten aangehouden.

Verdachte heeft - zoals volgt uit de bewijsmiddelen - als lid van een criminele organisatie een zeer actieve rol gehad bij de werkzaamheden aan de hennepkwekerij in Werkendam. Voorts heeft de verdachte op de zolder van zijn eigen woning aan de [adres]in Gorinchem een hennepkwekerij opgezet en ten behoeve van deze kwekerij zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte merkt de rechtbank op dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft de strafoplegging mede gebaseerd op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting. Gezien de hoeveelheid aangetroffen hennep in de kwekerijen waarbij verdachte betrokken was én de actieve rol van de verdachte bij de werkzaamheden, ook in vergelijking met die van de medeverdachten, is de rechtbank van oordeel dat de straf die door de officier van justitie is geëist onvoldoende recht doet aan de ernst van de gepleegde feiten. De rechtbank zal dan ook een straf opleggen die in overeenstemming is met genoemde oriëntatiepunten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding een deel daarvan, te weten vijf (5) maanden voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 140, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden waarvan vijf (5) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. E. van Schouten en mr. M.A. Waals, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U.F.B. van Berkel - de Jongh, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk hadhet plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand en/of een of meer (zee)container(s) aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 49.930 gram hennep en/of een of meer (andere) (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.285 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid vandie wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 212 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer hoeveelhe(i)d(en) stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 11/510222-07

Vonnis d.d. 9 juli 2009