Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2068

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
11/510147-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6875, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGAZAAK PROTEA

Veroordeling voor overtreding van de Opiumwet, Wet wapens en munitie en voor deelneming aan criminele organisatie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 140
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510147-08

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1961,

wonende te [adres en woonplaats].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 15 juni 2009.

Op 25 juni 2009 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie (3) jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd het in beslag genomen vuurwapen en de munitie te onttrekken aan het verkeer.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlastegelegde feiten.

Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet is bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd.

Uit het dossier of het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte wist dat de afgeleverde harddrugs bestemd waren voor de export naar Engeland.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

subsidiair:

in of omstreeks de periode van 04 april 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem en Hulten, gemeente Gilze en Rijen en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid zogenaamde xtc-pillen (in totaal ongeveer 194.646 pillen/63.970 gram) en 998 gram amfetamine, bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen als vermeld op lijst I behorende bij de

Opiumwet;

2.

omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren, van harddrugs en

- het opzettelijk telen en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren, van softdrugs en

- het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en munitie van de categorieën II en/of III en

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die misdrijven verkregen geldbedragen;

3.

op 16 juni 2008 te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, een wapen van categorie III, te weten een pistool (Bruni), en bijbehorende munitie van categorie III, te weten 25 (scherpe) patronen (merk Sellier & Bellot, kaliber 6,35 Browning), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Met betrekking tot feit 1 (afleveren/vervoeren van harddrugs)

Door de verdediging is ten aanzien van feit 1 betoogd dat verdachte niet opzettelijk, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, XTC-pillen en amfetamine heeft vervoerd en heeft afgeleverd.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Een medeverdachte komt met een pseudokoper op 1 april 2008 overeen dat hij hem een handjevol pillen als monster zal leveren. (PIT bevindingen 102) Op 2 april 2008 belt die medeverdachte naar verdachte met de vraag of hij nog een beetje snoepen heeft kunnen regelen. Verdachte zegt toe wat te regelen. (tapverslagen 02) Op 3 april 2008 overhandigt die medeverdachte aan de pseudokoper een zakje met pillen. (PIT bevindingen 107) Deze pillen blijken daadwerkelijk MDMA te bevatten. (ambtshandeling / het deskundigenrapport NFI pagina 6-7)

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte betrokken was bij de levering van een proefzakje XTC-pillen. Het is namelijk een feit van algemene bekendheid dat in het drugscircuit met de term "snoep" of "snoepen" XTC-pillen worden bedoeld.

Op 14 april 2008 bestelt een pseudokoper 50.000 XTC-pillen bij de medeverdachte. (PIT bevindingen 112)

De medeverdachte belt vlak na de bestelling met verdachte. In dat gesprek noemt de medeverdachte het getal van 50.000 en wordt afgesproken dat verdachte morgen iets moet doen voor zijn medeverdachte. Zij spreken voor de volgende dag af rond 10.00 uur (tapverslagen 6-7)

Op 15 april 2008 levert verdachte bij een wegrestaurant te Hulten de XTC-pillen en amfetamine af. (PIT bevindingen 123-124) Direct nadat verdachte de doos met de drugs heeft overhandigd aan een pseudokoper belt hij met zijn medeverdachte met de mededeling "Oké".

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tapgesprek 6-7 over pokerpunten gaat.

De rechtbank acht in samenhang met de bestelling van 50.000 pillen bij de medeverdachte kort vóór bedoeld tapgesprek én de levering van 50.000 pillen daags daarna de stelling dat het getal van 50.000 betrekking heeft op pokerpunten, niet aannemelijk.

Op 14 mei 2008, direct nadat verdachte de tweede bestelling XTC-pillen heeft afgeleverd, belt verdachte naar zijn medeverdachte met de mededeling dat alles goed is en zegt "ja hij staat er keurig in die auto". (tapverslagen 057) In dit verband merkt de rechtbank op dat uit het dossier afgeleid kan worden dat met de term "auto" ook wel XTC-pillen worden bedoeld. (PIT bevindingen 092)

De verdediging heeft zich ten aanzien van Tap 057 op het standpunt gesteld dat verdachte in plaats van "hij staat er keurig in die auto" heeft gezegd "de auto is door de keuring heen". Dat gesprek ging namelijk over een auto die verdachte -volgens de verdediging de dag ervoor- bij het RDW ter keuring had aangeboden. De rechtbank ziet geen aanwijzingen die de stelling van de verdediging onderschrijven of anderszins aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het uitgeschreven tapverslag.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande in onderling samenhang bezien van oordeel dat verdachte wist dat het ging om harddrugs en aldus de XTC-pillen (en amfetamine) opzettelijk heeft vervoerd.

(De aangehaalde cursief gedrukte processtukken komen telkens uit het deeldossier Harddrugs.)

Met betrekking tot feit 2 (deelneming criminele organisatie)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, dan wel waaraan hij op de een of andere wijze medewerking verleende. Voor zover er al sprake zou zijn van enige betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten, dan vond dit, aldus de verdediging, in ieder geval niet plaats door deelname aan een criminele organisatie, maar was het een kwestie van hulp bieden aan familieleden en/of vrienden.

Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat voor zover moet worden aangenomen dat er sprake is van een criminele organisatie, het gaat om twee criminele organisaties, waarvan de een zich bezighield met harddrugs en de andere met hennep. Voor zover de activiteiten van een verdachte gericht waren op harddrugs, dienen de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van hennep buiten beschouwing te worden gelaten. Andersom geldt dit volgens de verdediging ook als de activiteiten van de verdachte gericht waren op hennep. In dit geval dienen volgens de verdediging de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van harddrugs buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk (HR 29/1/1991 DD 91/168,169).

Voor deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist (HR NJ 98/225 en HR NJ 03/64); als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is ook niet vereist dat betrokkene heeft samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (HR NS 04/471).

In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank dat het doel dat met de criminele organisatie wordt beoogd breed kan zijn. Deelname aan de criminele organisatie kan dan ook betrekking hebben op uiteenlopende activiteiten van deze organisatie. Dat hoeft echter niet te betekenen dat er sprake is van verschillende criminele organisaties, aangezien binnen één en dezelfde organisatie uiteenlopende activiteiten worden ontplooid en in verschillende personele samenstelling wordt gewerkt.

In dit geval gaat het - kort gezegd - om de uitvoer van harddrugs (met name XTC-pillen), het exploiteren van hennepkwekerijen en het verwerken van de geoogste hennep. Niet iedere deelnemer van deze criminele organisatie levert een bijdrage aan de uitvoer van harddrugs, evenmin als iedere deelnemer zijn aandeel heeft in het exploiteren van hennepkwekerijen. Wel is duidelijk dat de personen die de harde kern van deze organisatie vormen van elkaars activiteiten op de hoogte zijn en daarin mede een meer of minder sturende rol hebben.

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van één gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, met het bewezen verklaarde misdadige oogmerk, waaraan verdachte - voor zijn deel - heeft deelgenomen. Dat de verdachte zijn activiteiten beschouwt als het verlenen van hulp aan familie dan/wel vrienden, doet daar niet aan af.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1 subsidiair

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD.

2.

DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN.

3.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Naar aanleiding van CIE-informatie is door politie en justitie een onderzoek gestart naar mogelijk criminele activiteiten van de familie [naam] uit Gorinchem op het terrein van harddrugs en softdrugs. Deze criminele activiteiten zouden bestaan uit het produceren-, verwerken- en verhandelen van softdrugs, alsook de handel in harddrugs. Verondersteld werd dat de handel werd geëxporteerd. De broers [medeverdachte P] en [medeverdachte G] zouden de kern van een crimineel samenwerkingsverband vormen. Uit voorbereidend onderzoek kwam onder meer ook naar voren dat [medeverdachte T] zich op grote schaal zou bezighouden met het kweken van hennep en dat verder nog een groot aantal personen bij deze activiteiten was ingeschakeld.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat een drietal leveringen van in totaal circa 200.000 XTC-pillen met als bestemming Engeland heeft plaatsgevonden. Verder werd een aantal hennepkwekerijen (waaronder één in België) opgerold en werden op het woonwagenkamp aan de [adres] in Gorinchem diverse ruimtes aangetroffen die ingericht waren voor de verwerking van hennep. In het onderzoek is gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden, waaronder telefoontaps, observaties, het stelselmatig inwinnen van informatie en het inschakelen van een politioneel informant/pseudokoper. Uiteindelijk is een groot aantal verdachten aangehouden.

Verdachte heeft zich, als lid van een criminele organisatie, meerdere keren schuldig gemaakt aan het vervoeren en afleveren van XTC-pillen en amfetamine. Verdachte heeft in totaal ruim 194.000 pillen en ongeveer 1 kilo amfetamine in Nederland afgeleverd.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Vuurwapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en veroorzaken dan veelal gevaar en ernstige gevoelens van onveiligheid. Daarom moet, zeker in de onderhavige zaak waar de verdachte zich bezig hield met drugshandel, streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de ressortelijke indicatiepunten straftoemeting bij vervoer van meer dan 20 kilo harddrugs, het uitgangspunt een gevangenisstraf van 36-48 maanden is. Verdachte heeft aanmerkelijk meer harddrugs vervoerd en heeft dat bovendien gedaan in het kader van deelneming aan een criminele organisatie. Verdachte speelde in deze criminele organisatie weliswaar geen vooraanstaande rol, maar duidelijk is wel dat het transport van de harddrugs dat verdachte voor zijn rekening nam, een onmisbare schakel was in het tot stand brengen van de drugstransacties. Om die reden zal de rechtbank verdachte een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.3 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met betrekking tot die voorwerpen.

Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel berusten op de artikelen 36b, 36c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van tweeënveertig (42) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1 pistool BRUNI BBM met 25 stuks munitie, merk Sellier & Bellot;

- beveelt de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. E. van Schouten en mr. M.A. Waals, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel en mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh, griffiers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 04 april 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem en/of Hulten, gemeente Gilze en Rijen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) zogenaamde xtc-pillen (in totaal ongeveer 194.646 pillen/63.970 gram) en/of 998 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (een) middel(len) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die xtc-pillen en/of amfetamine afgeleverd aan een persoon, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die xtc-pillen en/of amfetamine voor export naar Engeland bestemd waren;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 04 april 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem en/of Hulten, gemeente Gilze en Rijen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) zogenaamde xtc-pillen (in totaal ongeveer 194.646 pillen/63.970 gram) en/of 998 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (een) middel(en) als vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekkken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

3.

hij op of omstreeks 16 juni 2008 te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, een wapen van categorie III, te weten een pistool (Bruni), en/of bijbehorende munitie van categorie III, te weten 25, althans een of meer, (scherpe) patronen (merk Sellier & Bellot, kaliber 6,35 Browning), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Parketnummer: 11/510147-08

Vonnis d.d. 9 juli 2009