Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2062

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
11/510474-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGAZAAK PROTEA

Veroordeling voor overtreding van de Opiumwet, Wet wapens en munitie en voor deelneming aan criminele organisatie.

Tapsgesprekken uitgesloten van bewijs (dateren van een tijdstip op die dag voordat de machtiging tot het opnemen van telefoongesprekken van de rechter-commissaris was ingegaan) diverse nadere bewijsoverwegingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 126m
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2009, 333
NBSTRAF 2009/333

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510474-06

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1966,

wonende te [adres en woonplaats].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 12 juni 2009.

Op 25 juni 2009 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 1, 2, 3, 6, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier (4) jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd de in beslag genomen wapens en munitie te onttrekken aan het verkeer en de onder verdachte in beslag genomen tassen aan deze terug te geven.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 tot en met 9 ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De vrijspraak

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet is bewezen wat aan de verdachte onder 2 en 3 ten laste is gelegd. De verdediging heeft een beroep gedaan op uitsluiting voor het bewijs van de TAPS op pp. 001 tot en met 006 van 18 december 2006. Deze TAPS dateren van een tijdstip op die dag voordat de machtiging tot het opnemen van telefoongesprekken van de rechter-commissaris was ingegaan. De rechtbank kan zich verenigen met dit verweer. Daarnaast blijken voor het overige onvoldoende bewijsmiddelen aanwezig. In geen van de verklaringen wordt verdachte als betrokkene genoemd, de andere TAP-gesprekken wijzen niet in de richting van verdachte of van deze hennepkwekerij en bij de observatie van 16 december 2006 is weliswaar de Ford Focus, die op naam van verdachte stond, bij de kwekerij in Asperen gezien, maar verdachte zelf is niet herkend. Nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs tegen verdachte is met betrekking tot feit 2 op de dagvaarding, moet dit ook gelden voor feit 3, de diefstal van stroom in Asperen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet is bewezen wat aan de verdachte onder 4 en 5 ten laste is gelegd. Geen van de verklaringen bij de politie wijst erop dat verdachte betrokken is bij de twee thuiskwekerijen in Vuren. Daarentegen komen de namen van anderen consistent in beeld. Voorts wijzen noch TAP p. 024, noch TAP p. 026 duidelijk op betrokkenheid van verdachte bij deze kwekerijen. Weliswaar blijkt uit deze gesprekken van 8 mei 2007, de datum dat de kwekerijen door Nuon zijn ontdekt, dat medeverdachte [medeverdachte M] die dag op zoek is naar verdachte en ook bij deze langs is gegaan, maar het verband met de kwekerijen is uit deze gesprekken niet te destilleren. Evenmin is verdachte die dag gezien bij de observatie in Vuren. Nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, dient verdachte van de betrokkenheid bij de kwekerijen in Vuren en daarmee ook van de diefstal van stroom aldaar (feit 5) te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin bewezen wat aan de verdachte onder 9 ten laste is gelegd, omdat uit het dossier onvoldoende blijkt van bewijsmiddelen die erop duiden dat verdachte bij de thuiskwekerij aan de [adres](verbeterd gelezen) in Gorinchem betrokken zou zijn. Verdachte [medeverdachte H1], die de kwekerij had opgezet, noch diens vrouw, noemen verdachte als betrokken bij de kwekerij. Andere verklaringen die verdachte zouden belasten ontbreken in het dossier. De TAP-gesprekken op pp. 640 (waarin verdachte gebeld wordt vanwege elektriciteitsproblemen in de woning), 642 (waarin gezegd wordt dat verdachte "zijn portemonnee kan meebrengen" en 645 (waarin [medeverdachte H1] vraagt of verdachte bij de Aldi "wortelsap" kan meebrengen) duiden niet ondubbelzinnig op betrokkenheid bij deze kwekerij. Andere verklaringen voor deze gesprekken, die door verdachte ter terechtzitting dan wel door de betrokken kwekers worden gegeven, zijn niet uit te sluiten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Verdachte dient derhalve ook van feit 9 te worden vrijgesproken.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van harddrugs en- het opzettelijk telen en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van softdrugs en- het opzettelijkvoorhanden hebben van wapens en munitie van de categorieën II en/of III en- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die misdrijven verkregen geldbedragen;

6.

in de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met anderen

opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van in totaal 2.285 hennepplanten,

, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7.

in de periode van 01 juni 2007 tot en met 25 september 2007 te Malle, België tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van in totaal 800 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

8.

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem meermalentelkens tezamen en in vereniging met

anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, (in een pand en/of een of meer (zee)container(s) aan de [adres] aldaar)

een hoeveelheid van ongeveer 49.930 gram hennep en (andere) (grote) hoeveelheden hennep, , zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

10.

op 16 juni 2008 te Gorinchem een wapen van categorie III, te weten een pistool (BBM), en een wapen van categorie II, te weten een stroomstootwapen, en wapens van categorie I, te weten een geluiddemper en een veerdrukgeweer en een veerdrukmachinepistool en een veerdrukpistool en een veerdrukhagelgeweer, en munitie van categorie III, te weten 25 kogels, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4. De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Tapgesprekken

De verdediging heeft met betrekking tot het onder 6 ten laste gelegde feit aangevoerd dat niet bewezen is dat het gesprek met betrekking tot een afgebrande mindraad, weergegeven in TAP p. 057, daadwerkelijk gevoerd is door verdachte.

De rechtbank overweegt dat op het telefoonnummer van verdachte gedurende een lange periode is getapt. De verbalisanten hebben dan ook vele malen de stem van verdachte kunnen beluisteren. Niet is in te zien, waarom het niet verdachte zou zijn, die op de bewuste dag (23 juni 2007) dit nummer (06 27324647) gebruikt.

Dit temeer, nu in het eerdergenoemde gesprek de naam van "[medeverdachte E1]" valt, die volgens [medeverdachte D] moet komen, en verdachte nog geen minuut later (TAP p. 058) [medeverdachte E1] vraagt om even voor hem naar "de overkant te gaan" omdat "die draad van die lampen van die uh in die uh woning van mij...zijn gesmolten". Daarna worden met het zelfde nummer gesprekken gevoerd over het ophalen van Ed bij de pomp. In TAP p. 063 tenslotte meldt [medeverdachte E1] aan zijn vrouw om 12.34 uur op diezelfde dag dat hij eerst even "bij [verdachte]" is langs geweest; daar "was een lampje kapot". De rechtbank acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zelf gesprekken heeft gevoerd over het verhelpen van het elektriciteitsprobleem bij de kwekerij in Werkendam op 23 juni 2007.

Voorts heeft de verdediging bepleit een aantal TAP-gesprekken van het bewijs uit te sluiten, omdat een deel van het beluisterde een gesprek met een derde op de achtergrond betreft en de machtiging tot het opnemen c.q. beluisteren van telefoongesprekken zich niet tot dat achtergrondgesprek uitstrekt.

De rechtbank overweegt hieromtrent, dat uit de tekst van artikel 126m lid 1 van het Wetboek van Strafvordering niet valt af te leiden dat de op te nemen communicatie zich moet beperken tot communicatie tussen de beller en gebelde. Voorwaarde is (naast de overige voorwaarden die de wet stelt) dat het gaat om niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van de communicatiedienst. Zodra een telefoonlijn daadwerkelijk wordt gebruikt - en derhalve ook nog voordat de gebelde de hoorn oppakt - is het opnemen van gesprekken mogelijk, ook al zijn die met een derde. Deze gesprekken mogen daarom ook voor het bewijs worden gebruikt. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging op dit punt.

Met betrekking tot feit 1 (deelneming criminele organisatie)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, dan wel waaraan hij op de een of andere wijze medewerking verleende. Voor zover er al sprake zou van enige betrokkenheid bij de te laste gelegde feiten, dan vond dit, aldus de verdediging, in ieder geval niet plaats door deelname aan een criminele organisatie, maar was het een kwestie van hulp bieden aan familieleden en/of vrienden.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat het oogmerk heeft om strafbare feiten te plegen.

Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk (HR 29/1/1991 DD 91/168,169).

Voor deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist (HR NJ 98/225 en HR NJ 03/64); als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is ook niet vereist dat betrokkene heeft samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (HR NS 04/471).

In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank dat het doel wat met de criminele organisatie wordt beoogd breed kan zijn. Deelname aan de criminele organisatie kan dan ook betrekking hebben op uiteenlopende activiteiten van deze organisatie. Dat hoeft echter niet te betekenen dat er sprake is van verschillende criminele organisaties, aangezien binnen één en dezelfde organisatie uiteenlopende activiteiten worden ontplooid en in verschillende personele samenstelling wordt gewerkt.

In dit geval gaat het - kort gezegd - om de uitvoer van harddrugs (met name XTC-pillen), het exploiteren van hennepkwekerijen en het verwerken van de geoogste hennep. Niet iedere deelnemer van deze criminele organisatie levert een bijdrage aan de uitvoer van harddrugs, evenmin als iedere deelnemer zijn aandeel heeft in het exploiteren van hennepkwekerijen. Wel is duidelijk dat de personen die de harde kern van deze organisatie vormen van elkaars activiteiten op de hoogte zijn en daarin mede een meer of minder sturende rol hebben.

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van één gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waaraan verdachte - voor zijn deel - heeft deelgenomen. Dat de verdachte zijn activiteiten beschouwt als het verlenen van hulp aan familie dan/wel vrienden, doet daar niet aan af.

Met betrekking tot feit 6 (Werkendam)

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in Werkendam. Bij een observatie op 6 juni 2007 bij de loods aan de [adres], waar later de hennepkwekerij is ontdekt, is verdachte herkend. Er waren twee andere personen bij aanwezig. De verdediging twijfelt eraan dat het verdachte is die is herkend. De rechtbank ziet voor die twijfel geen aanleiding. De twee verbalisanten die observeerden, waren immers goed voorbereid op pad gegaan en hadden vooraf foto's van de diverse verdachten bestudeerd. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd, dat het goed mogelijk is dat verdachte op die dag in een andere loods in de buurt werkte voor het bedrijf van [getuige K]. Deze heeft echter als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte voorzover hij weet altijd alleen werkte en op schepen in de open lucht. De rechtbank acht het daarom onaannemelijk dat verdachte die dag voor zijn werk in Werkendam was in een andere loods achter [bedrijfsnaam] aan de [adres] en stelt vast dat verdachte privé bij de loods met de hennepkwekerij moet zijn geweest.

Verder is op 11 juni 2007 omstreeks 9.30 uur door verdachte een TAP-gesprek (p. 046) gevoerd met medeverdachte [medeverdachte D]. In dat gesprek zegt verdachte: "We moeten straks even daarheen" en [medeverdachte D] antwoordt dat hij om een uur of tien wel zal komen. Uit het dossier is verder gebleken dat op die dag door verdachte vanaf ca. 12.00 uur een witte bakwagen is gehuurd bij een verhuurbedrijf in Gorinchem. Deze wagen is omstreeks 12.48 uur bij de betreffende loods aan de [adres] gesignaleerd en na een totaalafstand van 36 kilometer afgelegd te hebben, om 13.20 uur weer bij het verhuurbedrijf teruggebracht, waarna de twee inzittenden in de auto van medeverdachte [medeverdachte D] stapten. Verdachte en [medeverdachte D] hadden eerder al SMS-contact op 21 mei 2007, toen verdachte naar [medeverdachte D] SMS-te: "Doe open" en daarbij een zendmast (aan de Biesboschhaven) in Werkendam aanstraalde. De door de verdediging geopperde mogelijkheid dat [medeverdachte D] verdachte hielp bij diens werkzaamheden voor [getuige K] aan (onder meer) de Biesboschhaven in Werkendam is denkbaar, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk omdat [getuige K] er vanuit gaat dat verdachte de werkzaamheden steeds zelf deed, en omdat het werkzaamheden aan schepen in de open lucht betrof en er geen redelijke verklaring is waarom [medeverdachte D] voor verdachte "open" zou moeten doen.

De rechtbank betrekt in haar afweging eveneens de waarnemingen en TAP-gesprekken op zaterdag 23 juni 2007. De door verdachte en [medeverdachte D] veelvuldig gebruikte Peugeot Partner staat die ochtend voor de deur bij verdachte. Daarna wordt de auto waargenomen bij de loods in Werkendam. Later die ochtend belt [medeverdachte D] vanuit Werkendam met verdachte: er is een mindraad doorgebrand en "Ed" moet komen "en "spullen meenemen". Verdachte instrueert daarna [medeverdachte E1] om naar de "overkant" te gaan. [medeverdachte E1] vraagt vervolgens verdachte of hij gehaald kan worden "bij de pomp". Uit telefooncontact van verdachte met [medeverdachte M], die belt vanuit Werkendam, blijkt dat deze Ed moet ophalen bij de pomp. Ed belt later zijn vrouw dat hij "even naar [verdachte] moest voor een lampje". De verdediging heeft erop gewezen, dat verdachte een eigen klusbedrijf had en in dat kader gebeld kan zijn voor de "mindraad" die was afgebrand. Verdachte werkte immers in die periode veelvuldig in Werkendam aan de Biesboschhaven, in opdracht van het bedrijf van [getuige K].

De rechtbank overweegt, dat de telefoons van [medeverdachte D] en [medeverdachte M], wanneer zij met verdachte bellen op die dag, de zendmast aan de [adres] in Werkendam aanstralen, waar ook de loods met de hennepkwekerij is gevestigd. De diverse telefoongesprekken die verdachte die dag pleegt om de storing "op afstand" recht te trekken en te regelen, geven aan dat hier geen sprake kan zijn van eigen kluswerkzaamheden in Werkendam vanuit het eigen bedrijf. Verdachte betrekt hier daarentegen diverse anderen bij het oplossen van het elektriciteitsprobleem en gaat er niet zelf naar toe. [getuige K], die verdachte's bedrijf veelvuldig inhuurde, heeft bij de rechter-commissaris echter verklaard dat verdachte voorzover hij weet altijd alleen werkte.

Op 8 augustus 2007 belt [medeverdachte D] naar medeverdachte [medeverdachte G] dat "het tot het plafond staat", "je kunt alles wegflikkeren". [medeverdachte G] zal [verdachte] er naar toe sturen. De telefoon van [medeverdachte D] straalt bij dit gesprek ook een zendmast aan de [adres] aan.

Uit het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte nauw betrokken was bij de kwekerij in Werkendam en daarbij een regisserende rol vervulde. Hij kende de situatie ter plekke en werd goed op de hoogte gehouden. Waar het mis dreigde te gaan en daadwerkelijk mis ging met de plantage werd verdachte op de hoogte gebracht en ingeschakeld.

Met betrekking tot feit 7 (Malle)

Met betrekking tot de kwekerij in Malle heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit. Zij duidt erop dat diverse medeverdachten ([medeverdachte E1], [medeverdachte G], [medeverdachte G] en [medeverdachte R1]) geen van allen duiden op betrokkenheid van verdachte. [medeverdachte E1], [medeverdachte G] en [medeverdachte R1] wijzen er daarentegen allen op dat initiatief en uitvoering bij medeverdachte [medeverdachte E1] lagen. De verdediging voert aan dat de enige heldere verklaring over betrokkenheid van verdachte van [zoon] kwam, welke verklaring bij de rechter-commissaris echter enorm is afgezwakt.

Verder is er nog de verklaring van [zoon] moeder, [medeverdachte F], die door haar zoon moet zijn ingefluisterd. De TAPS pp. 158a t/m d zijn van zeer betrekkelijke waarde, aldus de verdediging.

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de verklaring van [medeverdachte F] te twijfelen. Zij heeft de bewuste woning in Malle gehuurd en was daar steeds aanwezig toen de kwekerij werd opgezet. Zij heeft op 29 september 2008 verklaard verdachte tweemaal voorafgaand aan de aanhouding in het huis te hebben gezien, waarvan eenmaal in gezelschap van een "kamper". Volgens haar kwamen de twee het huis in Malle inspecteren. Zij was ervan overtuigd dat [medeverdachte E1] verantwoording moest afleggen aan "[verdachte] en die kamper". Zij was ook aanwezig toen verdachte en medeverdachte [medeverdachte G] op 25 september 2007 bij het huis in Malle arriveerden en vervolgens werden aangehouden. Zij herkende verdachte en een medeverdachte daags na haar verklaring op politiefoto's als de mensen die eerder in de woning waren geweest. [medeverdachte F] heeft op 30 oktober 2008 herhaald dat zij verdachte eerder in de woning heeft gezien. Ook haar zoon [zoon] heeft verdachte en diens medeverdachte in het huis gezien (verdachte zou bij die gelegenheid, toen hij naar beneden kwam, [zoon] voor diens kluswerk een compliment hebben gemaakt) en heeft hen herkend op een politiefoto. De rechtbank acht dan ook ongeloofwaardig de latere verklaring van [zoon] bij de rechter-commissaris, dat hij verdachte en zijn medeverdachte slechts van achteren zou hebben gezien en op basis daarvan hen van de foto zou hebben herkend. [zoon] heeft verklaard te weten dat het om "[verdachte] en [medeverdachte G]" ging omdat [medeverdachte E1] hen zo begroette in Malle.

Daarnaast wijzen de TAPS pp. 158a t/m d van 11 juli 2008 erop, dat [medeverdachte G] en [medeverdachte E1] financiële verantwoording dienden af te leggen aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte G], waarbij [medeverdachte G] [medeverdachte E1] uit ontevredenheid over [medeverdachte E1]s financiële gedrag dreigde naar "[medeverdachte G] en [verdachte]" te zullen stappen. Het gesprek heeft een veel bredere strekking dan dat het alleen over de radiateur van de auto van [medeverdachte F] zou gaan, wat [medeverdachte G] op 1 oktober 2008 heeft beweerd. Er wordt immers in die TAPS expliciet gesproken over bonnen en het kunnen uitleggen van uitgaven, in welk kader door [medeverdachte G] "[medeverdachte G] en [verdachte]" in één adem worden genoemd. [medeverdachte F] vindt dat [medeverdachte R1] niets over de woning en de kosten te zeggen heeft, want "die dingen komen van [verdachte] en [medeverdachte G] vandaan".

TAP p. 192 van 14 augustus 2008 duidt erop dat verdachte dringend aan [medeverdachte G] vraagt om het werk van [medeverdachte E1], die ziek is, over te nemen. [medeverdachte G] zegt dat hij "morgenochtend vroeg" bij [medeverdachte E1] zal zijn. Verdachte zegt daarna: "Ja, ze zijn bij [medeverdachte E1]". [medeverdachte F] heeft daarover verklaard dat er planten voor de kwekerij in Malle moesten worden opgehaald. [medeverdachte R1] geeft eveneens aan dat [medeverdachte G] en [medeverdachte F] stekken bij haar thuis hebben opgehaald. Er is geen andere logische verklaring te bedenken waarom verdachte aan [medeverdachte G] het bewuste verzoek zou hebben gedaan. De verklaring van [medeverdachte G], dat het hier om een "stroomdraad" in Malle zou gaan waar nog iets aan moest gebeuren acht de rechtbank onaannemelijk, omdat het dan onverklaarbaar is waarom [medeverdachte G] eerst bij [medeverdachte E1] langs zou moeten gaan.

Voorts is er de verklaring van [medeverdachte F] dat [medeverdachte E1] geld voor de woning in Malle leende van "die gasten waar de radiateur van haar auto vandaan kwam". Zij kan niet anders doelen dan op verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte G], die immers zelf steeds het halen van het geld voor de radiateur hebben aangevoerd als reden om op 25 september 2007 naar de woning in Malle te gaan. Het bovenstaande in samenhang beschouwd acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de kwekerij in Malle.

De rechtbank vermeldt tenslotte dat medeverdachte [medeverdachte P] tegenover de pseudokoper op 15 mei 2008 verklaard heeft (op een vraag of hij ervan op de hoogte was geweest toen [medeverdachte G] en verdachte in België waren gepakt) dat hij ([medeverdachte P]) daar erg boos over was geweest en dat hij geloofde "dat [medeverdachte G] en [verdachte] op eigen houtje bezig waren geweest" (PIT-dossier hard drugs, p. 171).

Met betrekking tot feit 8 ([adres] te Gorinchem)

Ook voor dit feit heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Zij voert daarbij aan dat de aangetroffen knipschuur en zeecontainers van verdachtes schoonvader, [medeverdachte K], zijn en niet van verdachte. Voorts zijn de verklaringen bij de politie van de vermeende "hennepknipsters" [medeverdachte V] en [medeverdachte H] bij de rechter-commissaris erg afgezwakt. Zij hebben daar verdachte niet meer als betrokkene aangewezen. Voorts meent de verdediging dat de verklaringen van getuige [getuige C] niet serieus dienen te worden genomen, omdat hij zeer uiteenlopend heeft verklaard. Tenslotte is uit de politieverklaringen van de overige verhoorde vrouwen niet af te leiden dat deze hennep hebben geknipt voor verdachte. De gehoorde vrouwen zouden op het kamp vooral schoonmaakwerkzaamheden voor de echtgenote van verdachte hebben verricht.

De rechtbank constateert allereerst, dat bij de ontdekking van de zeecontainers is gezien dat de stroombevoorrading daarvan via de woning van [medeverdachte K] liep. [medeverdachte K] zegt al zijn stroom te betrekken van verdachte, die vlak naast hem woont. Dit is bevestigd door Eneco (zie proces-verbaal 0807021400.AMB, p. 498). Ook moet worden aangenomen, gelet op dat zelfde proces-verbaal (eveneens p. 498), dat de watervoorziening van de zeecontainers vanuit een van de schuren van verdachte kwam. [medeverdachte V] en [medeverdachte H] hebben bij hun verhoor door de politie expliciet verdachte genoemd als betrokken bij het knippen. Volgens [medeverdachte H] kwam het initiatief om haar te bellen voor het knipwerk van verdachte vandaan. Zij heeft verdachte ook bij het knippen gezien. [medeverdachte V] verklaart dat verdachte een van degenen was die haar uitbetaalde en die ook de knipschuur opende. Hij was ook een van degenen die de hennep aanleverde in de knipschuur en de toppen na het knippen kwam wegen. De rechtbank ziet geen aanleiding geloof te hechten aan de verklaring van deze getuigen bij de rechter-commissaris, dat zij bij hun politieverklaringen onder druk zouden zijn gezet door de politie. Er zijn immers ook vele mogelijke verdachten van het knippen die de naam van verdachte niet hebben genoemd.

Daarnaast verklaart [getuige C], die lange tijd op het kamp werkte, dat verdachte een van degenen is met wie [medeverdachte G] zijn "business" op het kamp deed. Later verklaart hij herhaaldelijk dat daarmee het innemen, bewerken, verwerken en afleveren van henneptoppen wordt bedoeld. Er is geen reden aan de aannemelijkheid van deze verklaring te twijfelen, nu [getuige C] gedetailleerd heeft verklaard over de gang van zaken. Dat verdachte nauw betrokken is bij de verwerking van hennep op het kamp aan de [adres], wordt ook ondersteund door de diverse TAP-gesprekken waarin verdachte vrouwen (en een enkele man) vraagt op een specifiek gelijkluidend tijdstip naar het kamp te komen. Bij dit "ronselen" worden ook anderen ingeschakeld. Vervolgens worden op het betreffende tijdstip inderdaad auto's waargenomen die naar het kamp rijden.

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, voldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van dit feit aanwezig.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN;

6. en 7. telkens

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

8.

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

10.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 13, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, MEERMALEN GEPLEEGD

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN WAPEN VAN CATEGORIE II

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan gebleken is uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Naar aanleiding van CIE-informatie is door politie en justitie een onderzoek gestart naar mogelijk criminele activiteiten van de familie [naam] uit Gorinchem op het terrein van harddrugs en softdrugs. Deze criminele activiteiten zouden bestaan uit het produceren-, verwerken- en verhandelen van softdrugs, alsook de handel in harddrugs. Verondersteld werd dat de handel werd geëxporteerd. De broers [medeverdachte P] en [medeverdachte G] zouden de kern van een crimineel samenwerkingsverband vormen. Uit voorbereidend onderzoek kwam onder meer ook naar voren dat [medeverdachte T] zich op grote schaal zou bezighouden met het kweken van hennep en dat verder nog een groot aantal personen bij deze activiteiten was ingeschakeld.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat een drietal leveringen van in totaal circa 200.000 XTC-pillen met als bestemming Engeland heeft plaatsgevonden. Verder werd een aantal hennepkwekerijen (waaronder één in België) opgerold en werden op het woonwagenkamp aan de [adres] in Gorinchem diverse ruimten aangetroffen die ingericht waren voor de verwerking van hennep. In het onderzoek is gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden waaronder telefoontaps, observaties, stelselmatig inwinnen van informatie en het inschakelen van een politioneel informant/pseudokoper. Uiteindelijk is een groot aantal verdachten aangehouden.

Verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie door zijn coördinerende en actieve rol bij het bewerken en verwerken van softdrugs op het woonwagenkamp aan de [adres] in Gorinchem en door bij een tweetal kwekerijen elders, op de achtergrond activiteiten van anderen te regisseren en te ondersteunen. De genoemde activiteiten maakten deel uit van het geheel van activiteiten van de criminele organisatie. Voorts zijn bij verdachte diverse wapens aangetroffen.

De rechtbank beschouwt de genoemde strafbare feiten als zeer ernstig. Softdrugs kunnen, zeker op langere termijn, aanzienlijke schade aan de gezondheid veroorzaken. In de teelt en handel in softdrugs gaan zeer grote bedragen om. Verdachte heeft zich op dit grote gewin gericht zonder oog te hebben voor de schadelijke kant van softdrugs. Omdat grote bedragen te verdienen zijn met het plegen van deze strafbare feiten en de belangen derhalve zeer groot zijn, is geweld of de dreiging daarmee zeker niet uit te sluiten. Nu bij verdachte ook wapens zijn aangetroffen is dit risico reëel te achten en rekent de rechtbank verdachte dit wapenbezit ernstig aan.

Rekening houdend met de landelijke oriëntatiepunten voor het opleggen van straffen voor feiten als deze, de grote rol die verdachte heeft gespeeld in de softdrugs-tak van de organisatie en het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor een drugsdelict, acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf van langere duur passend.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.3. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.4. De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat een van de feiten begaan is met betrekking tot die voorwerpen. Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel berusten op de artikelen 36b, 36c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2, 3, 4, 5 en 9 ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie (3) jaar;

-beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

-gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen twee bagagetassen (zwart met lila stiksel);

-verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:

het pistool (BBM), het stroomstootwapen, de geluiddemper, het veerdrukgeweer, het veerdrukmachinepistool, het veerdrukpistool, het veerdrukhagelgeweer en 25 kogels.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. E. van Schouten en mr. M.A. Waals, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel en mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh, griffiers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 19 december 2006 te Asperen, gemeente Lingewaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.776 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2006 tot en met 19 december 2006 te Asperen, gemeente Lingewaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen een of meer hoeveelhe(i)d(en) stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een of meer pand(en) aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van ongeveer 300 en/of ongeveer 270, althans (in totaal) ongeveer 570, althans een

groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 22 mei 2007 te Vuren, gemeente Lingewaal, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer hoeveelheid/hoeveelheden electriciteit, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

6.

hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.285 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

7.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2007 tot en met 25 september 2007 te Malle, Belgïe tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 800 hennepplanten,

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

8.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand en/of een of meer (zee)container(s) aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 49.930 gram hennep en/of een of meer

(andere) (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

9.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2007 tot en met 30 juni 2008 te Gorinchem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen meermalen, althans eenmaal opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een (groot) aantal hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

10.

hij op of omstreeks 16 juni 2008 te Gorinchem een wapen van categorie III, te weten een pistool (BBM), en/of een wapen van categorie II, te weten een stroomstootwapen, en/of een of meer wapen(s) van categorie I, te weten een geluiddemper en/of een veerdrukgeweer en/of een veerdrukmachinepistool en/of een veerdrukpistool en/of een veerdrukhagelgeweer, en/of munitie van categorie III, te weten 25 kogels, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Parketnummer: 11/510474-06

Vonnis d.d. 9 juli 2009