Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ2060

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
11/510198-07, 11/500037-09 (ttz.gev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGAZAAK PROTEA

Veroordeling voor overtreding van de Opiumwet (hard- en softdrugs), Wet wapens en munitie en voor deelneming aan criminele organisatie. Nadere bewijsoverwegingen. Straf hoger dan eis gelet op de LOVS oriëntatiepunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 11/510198-07, 11/500037-09 (ttz.gev)

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

wonende te [adres].

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 11 juni 2009.

Op 25 juni 2009 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlasteleggingen zijn als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit.

De rechtbank heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het onder 1 primair, 2, 3, (parketnummer 11/510198-07) en onder 4, 5, 6, 7 en 10, (parketnummer 11/500037-09) ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd de in beslag genomen imitatiewapens en het vuurwapen met munitie te onttrekken aan het verkeer.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1 tot en met 9. Daarnaast heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte onder 3 ten laste is gelegd, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte wetenschap had van het in zijn wasruimte aangetroffen vuurwapen en de daarbij behorende munitie.

Verdachte heeft ontkend dat hij wist dat in die ruimte een vuurwapen en munitie lag. Volgens verdachte was de ruimte ook toegankelijk voor andere personen van het woonwagenkamp. Andere bewijsmiddelen dan het enkele aantreffen van het vuurwapen en munitie zijn niet voorhanden.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden wat aan de verdachte onder 8 en 9 ten laste is gelegd. Andere bewijsmiddelen dan een voor verdachte belastende getuigenverklaring dat verdachte het feit heeft begaan zijn niet voorhanden.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van die feiten.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1. primair

in of omstreeks de periode van 04 april 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem en Hulten, gemeente Gilze en Rijen en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander meermalen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid zogenaamde xtc-pillen (in totaal ongeveer 194.646 pillen/63.970 gram) en 998 gram amfetamine, bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en

amfetamine middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk die xtc-pillen en amfetamine afgeleverd aan een persoon, terwijl, hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die xtc-pillen en amfetamine voor export naar Engeland bestemd waren;

2.

omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren, van harddrugs en

- het opzettelijk telen en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren, van softdrugs en

- het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en munitie van de categorieën II en/of III en

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die misdrijven verkregen geldbedragen;

4.

in de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van in totaal 2.285 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

in de periode van 01 juni 2007 tot en met 25 september 2007 te Malle, België tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [straatnaam]) een hoeveelheid van in totaal 800 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met

anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, (in een pand en/of een of meer (zee)container(s) aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van ongeveer 49.930 gram hennep en (andere) (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7.

op 13 juni 2008 te Gorinchem tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van ongeveer 200,9 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

10.

op 16 juni 2008 te Gorinchem wapens van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukmachinegeweer en een speelgoedpistool enveerdrukpistolen , zijnde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Met betrekking tot feit 1 (verlengde uitvoer harddrugs)

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging -kort samengevat- betoogd dat de gedragingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als medeplegen.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat tussen de verdachte en een ander sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking, waarbij verdachtes aandeel in de bewezenverklaarde gedragingen bovendien op zijn minst van gelijke betekenis kan worden geacht aan dat van die ander, dat zijn gedragingen als medeplegen kunnen worden aangemerkt.

De verklaring van verdachte dat hij dacht dat de betaling van € 32.000,= van de pseudokoper betrekking had op een auto, acht de rechtbank in het licht van de bewijsmiddelen ongeloofwaardig. Verdachte heeft meermalen met zijn broer en/of de pseudokoper gesproken over pillen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Met betrekking tot feit 2 (deelneming criminele organisatie)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, dan wel waaraan hij op de een of andere wijze medewerking verleende. Voor zover er al sprake zou zijn van enige betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten, dan vond dit, aldus de verdediging, in ieder geval niet plaats door deelname aan een criminele organisatie, maar was het een kwestie van hulp bieden aan familieleden en/of vrienden.

Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat voor zover moet worden aangenomen dat er sprake is van een criminele organisatie, het gaat om twee criminele organisaties, waarvan de één zich bezighield met harddrugs en de andere met hennep. Voor zover de activiteiten van een verdachte gericht waren op harddrugs, dienen de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van hennep buiten beschouwing te worden gelaten. Andersom geldt dit volgens de verdediging ook als de activiteiten van de verdachte gericht waren op hennep. In dit geval dienen volgens de verdediging de activiteiten van de criminele organisatie ter zake van harddrugs buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk (HR 29/1/1991 DD 91/168,169).

Voor deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd is niet vereist (HR NJ 98/225 en HR NJ 03/64); als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is ook niet vereist dat betrokkene heeft samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (HR NS 04/471).

In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank dat het doel dat met de criminele organisatie wordt beoogd breed kan zijn. Deelname aan de criminele organisatie kan dan ook betrekking hebben op uiteenlopende activiteiten van deze organisatie. Dat hoeft echter niet te betekenen dat er sprake is van verschillende criminele organisaties, aangezien binnen één en dezelfde organisatie uiteenlopende activiteiten worden ontplooid en in verschillende personele samenstelling wordt gewerkt.

In dit geval gaat het - kort gezegd - om de uitvoer van harddrugs (met name XTC-pillen), het exploiteren van hennepkwekerijen en het verwerken van de geoogste hennep. Niet iedere deelnemer van deze criminele organisatie levert een bijdrage aan de uitvoer van harddrugs, evenmin als iedere deelnemer zijn aandeel heeft in het exploiteren van hennepkwekerijen. Wel is duidelijk dat de personen die de harde kern van deze organisatie vormen van elkaars activiteiten op de hoogte zijn en daarin mede een meer of minder sturende rol hebben. De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van één gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, met het bewezen verklaarde misdadige oogmerk, waaraan verdachte - voor zijn deel - heeft deelgenomen. Dat de verdachte zijn activiteiten beschouwt als het verlenen van hulp aan familie dan/wel vrienden, doet daar niet aan af.

Met betrekking tot feit 4 (Werkendam)

Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging -kort samengevat- aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de betreffende hennepkwekerij en er geen sprake is van medeplegen.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Uit het dossier volgt dat onder andere medeverdachten [medeverdachte T] en medeverdachte D] betrokken zijn bij de hennepkwekerij in een loods aan de [straatnaam] te Werkendam. Op 6 juni 2007 wordt waargenomen dat medeverdachte [medeverdachte T] bij de loods aan de [straatnaam] is. (softdrugs / observatie 19-21) Daarnaast wijst de rechtbank op een tapgesprek van 23 juni 2007 tussen hen wanneer het gaat over een mindraad (softdrugs / tapverslagen 057). Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte D] bij dit gesprek gebruik maakt van de zendmast, staande aan de [straatnaam] te Werkendam. (softdrugs / ambtshandelingen 206-208) Medeverdachte [medeverdachte T] belt hierop direct naar medeverdachte [medeverdachte E1]. (softdrugs / tapverslagen 058)

Op 8 augustus 2007 belt medeverdachte [medeverdachte D] met verdachte (softdrugs/ tapverslagen 095). Voor zover van belang luidt dat gesprek als volgt:

[medeverdachte D]: kun je iemand langs sturen of niet

[verdachte]: waar ben jij?

[medeverdachte D]: daar

[verdachte]: niet goed?

[medeverdachte D]: nee, zeker niet

[verdachte]: Dan zal ik [medeverdachte T] is sturen

[medeverdachte D]: Ze zijn vergeten te kijken

[verdachte]: O

[medeverdachte D]: het staat tot het plafond

[verdachte]: O

[medeverdachte D]: je kan alles wegflikkeren

[verdachte]: ik eh ik eh stuur maatje wel even joh

De telefoon van medeverdachte [medeverdachte D] straalt bij dit gesprek een zendmast aan de [straatnaam] te Werkendam aan. (softdrugs / ambtshandelingen 208)

Als de volgende dag in een loods aan de [straatnaam] te Werkendam een hennepkwekerij wordt opgerold, blijkt dat de hennepplanten te hard zijn gegroeid en dat sommige planten met de toppen tegen de er boven hangende assimilatielampen gegroeid waren. (softdrugs/ ambtshandelingen 417-418) De hennepkwekerij bleek voorzien van een SMS-alarm. In dat alarm was een simkaart aanwezig welke is te herleiden naar medeverdachte [medeverdachte D].

De telefoon waarmee het alarm werd bediend maakte hoofdzakelijk gebruik van zendmasten gelegen in de omgeving van de woning van medeverdachte [medeverdachte D] en het woonwagenkamp waar ook verdachte woont. (softdrugs / ambtshandelingen 695-699)

De rechtbank is, gelet op bovenvermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat verdachte op de hoogte was van de hennepkwekerij en dat hij als medepleger kan worden aangemerkt.

Uit tapgesprek 095 volgt dat verdachte weet waar zijn medeverdachte is en dat hij in actie komt in verband met genoemde problemen.

Met betrekking tot feit 5 (Malle)

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling te komen.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is in voldoende overtuigende mate komen vast komen te staan dat verdachte samen met anderen verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij in Malle, België. Verdachte wordt samen met medeverdachte [medeverdachte T] aangehouden bij de betreffende woning in Malle. In de woning worden 800 hennepplanten aangetroffen. In de kwekerij is medeverdachte [medeverdachte E1], een bekende van verdachte, aanwezig. Daarnaast acht de rechtbank redengevend het tapgesprek 158a. De huurders van de betreffende woning bellen met medeverdachte [medeverdachte E1]. Uit dit gesprek leidt de rechtbank af dat de huurders van het pand met [medeverdachte E1] ruzie hebben over het geld voor de hennepkwekerij en dat zij dit willen verantwoorden bij onder meer verdachte.

Ook heeft de rechtbank de verklaring van [medeverdachte F] voor het bewijs gebezigd.

Zij heeft de bewuste woning in Malle gehuurd en was daar steeds aanwezig toen de kwekerij werd opgezet. Zij heeft op 29 september 2008 verklaard medeverdachte [medeverdachte T] tweemaal voorafgaand aan de aanhouding in het huis te hebben gezien, waarvan éénmaal in gezelschap van een “kamper”. Volgens haar kwamen de twee het huis in Malle inspecteren. Zij was ervan overtuigd dat [medeverdachte E1] verantwoording moest afleggen aan “[medeverdachte T] en die kamper”. Zij was ook aanwezig toen medeverdachte [medeverdachte T] en verdachte op 25 september 2007 bij het huis in Malle arriveerden en vervolgens werden aangehouden. Zij herkende verdachte en de medeverdachte daags na haar verklaring op politiefoto’s als de mensen die eerder in de woning waren geweest. Ook haar zoon [naam zoon] heeft verdachte en zijn medeverdachte in het huis gezien (de medeverdachte zou bij die gelegenheid, toen hij naar beneden kwam, [naam zoon] voor diens kluswerk een compliment hebben gemaakt) en heeft hen herkend op een politiefoto. De rechtbank acht dan ook de latere verklaring van [naam zoon] bij de rechter-commissaris ongeloofwaardig, dat hij verdachte en zijn medeverdachte slechts van achteren zou hebben gezien en op basis daarvan hen van de foto zou hebben herkend. [naam zoon] heeft verklaard te weten dat het om “[medeverdachte T] en [verdachte]” ging omdat [medeverdachte E1] hen zo begroette in Malle.

Dat verdachte geld voor een geleverde radiateur kwam ophalen is niet aannemelijk geworden en acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank heeft hierbij onder andere acht geslagen op een uitlating van een broer van verdachte die erg kwaad was geweest over het voorval in Malle en geloofde dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte T] op eigen houtje bezig waren geweest. (harddrugs / PIT 171)

4.4 De overwegingen omtrent de keuze van de bewijsmiddelen

De verdediging heeft ten aanzien van feit 6 aangevoerd dat uit de verklaring van [getuige C] bij de politie op 13 augustus 2008 volgt dat die getuige geen wetenschap heeft gehad over wat er zich in de containers afspeelde. Daarnaast heeft de verdediging de vraag opgeworpen of de verklaringen van [medeverdachte V] bij de politie op 25 juni 2008 voldoende betrouwbaar zijn.

De rechtbank zal voor het bewijs, naast de overige bewijsmiddelen, toch uitgaan van de verklaringen van [getuige C] en [medeverdachte V] afgelegd bij de politie. Beiden hebben bij de politie een voor verdachte belastende verklaring afgelegd, in die zin dat ze zijn naam noemen als betrokkene bij hetgeen zich afspeelde in de containers op het woonwagenkamp.

De rechtbank stelt vast dat zij hun verklaringen hebben doorgelezen en ondertekend. Bij de rechter-commissaris hebben zij nadien anders verklaard, in die zin dat [medeverdachte V] de naam van verdachte niet meer noemt en [getuige C] nu met “business” auto’s zou bedoelen in plaats van drugs, zoals hij verklaarde bij de politie.

De rechtbank overweegt dat [getuige C] op het woonwagenkamp heeft gezien dat in een hok een folie-papier open ging en dat er wiet in zat. (softdrugs / V61, pagina 14) Reeds hieruit volgt de wetenschap van [getuige C] dat het om hennep ging.

De verklaring van [getuige C] d.d. 13 augustus 2008 dat er veel mensen naar verdachte reden en vervolgens uit hun auto onder andere tassen of pakketjes foliepapier haalden, wordt verder ondersteund door de verklaring van [getuige Y] dat haar man henneptoppen aan verdachte verkocht. (softdrugs / V52) De rechtbank stelt ook vast dat in de betreffende containers inderdaad hennep werd verwerkt. Dit volgt uit de soort voorwerpen die bij de doorzoeking daar zijn aangetroffen en uit de verklaring van onder meer [medeverdachte H]. (softdrugs / V56)

Voorts stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte V] bij de rechter-commissaris bij haar verklaringen is gebleven dat zij op het woonwagenkamp te Gorinchem hennep heeft geknipt. Op dat punt zijn haar verklaringen consistent. Opvallend is dat zij bij de rechter-commissaris liever niet zegt wie haar gevraagd heeft om hennep te komen knippen. Hierom acht de rechtbank haar verklaringen bij de politie voldoende betrouwbaar om als bewijsmiddel te gebruiken.

Zowel de verklaring van [getuige C] als de verklaringen van [medeverdachte V] bij de politie worden ondersteund door de uitlating van een broer (medeverdachte P) van verdachte dat ze tegenwoordig natte toppen opkochten, met sap mengden en lieten drogen. (harddrugs / PIT 172)

4.5 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. primair

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER A VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD.

2.

DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN.

4. 5. en 7. telkens

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

6.

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD.

10.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 13, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Naar aanleiding van CIE-informatie is door politie en justitie een onderzoek gestart naar mogelijk criminele activiteiten van de familie [familienaam] uit Gorinchem op het terrein van harddrugs en softdrugs. Deze criminele activiteiten zouden bestaan uit het produceren, verwerken en verhandelen van softdrugs, alsook de handel in harddrugs. Verondersteld werd dat de handel werd geëxporteerd. De broers [medeverdachte P] en [verdachte] zouden de kern van een crimineel samenwerkingsverband vormen. Uit voorbereidend onderzoek kwam onder meer ook naar voren dat [medeverdachte T] zich op grote schaal zou bezighouden met het kweken van hennep en dat verder nog een groot aantal personen bij deze activiteiten was ingeschakeld.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat een drietal leveringen van in totaal circa 200.000 XTC-pillen met als bestemming Engeland heeft plaatsgevonden. Verder werd een aantal hennepkwekerijen (waaronder één in België) opgerold en werden op het woonwagenkamp aan de [straatnaam] in Gorinchem diverse ruimtes aangetroffen die ingericht waren voor de verwerking van hennep. In het onderzoek is gebruik gemaakt van diverse opsporingsmethoden, waaronder telefoontaps, observaties, het stelselmatig inwinnen van informatie en het inschakelen van een politioneel informant/pseudokoper. Uiteindelijk is een groot aantal verdachten aangehouden.

Verdachte, lid van een criminele organisatie, heeft zich schuldig gemaakt aan de zogenaamde verlengde uitvoer van bijna 1 kilo amfetamine en ruim 194.000 XTC-pillen uit Nederland. De leveringen hebben plaatsgevonden op 15 april 2008, 14 mei 2008 en 16 juni 2008. Tijdens de leveringen ondersteunde hij zijn broer, heeft bij de tweede levering de betaling in ontvangst genomen en stuurde de man aan die de drugs daadwerkelijk ging afleveren. Deze feiten dragen bij aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd. Bovendien leidt de grootschalige handel in verdovende middelen tot daarmee samenhangende vormen van ernstige criminaliteit.

Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij twee professionele hennepkwekerijen, waarvan één in België. In totaal stonden in die kwekerijen ruim 3.000 hennepplanten. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als waarvan hier sprake is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. De organisatie waar verdachte lid van was hield zich tevens bezig met het opkopen van natte henneptoppen. Op het woonwagenkamp werden deze geknipt, gedroogd en verpakt. Een kleine 50 kilo hennep is aangetroffen, wat aangeeft dat het om grote hoeveelheden ging. Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij de levering van 200 gram hasjiesj.

Tevens is in de woning van verdachte een aantal imitatiewapens aangetroffen die sprekend leken op echte vuurwapens.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank niet alleen rekening met de hoeveelheid geleverde drugs, maar ook met de belangrijke rol van verdachte in het geheel.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank tevens gelet op zijn Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 juni 2008, waaruit blijkt dat verdachte in beperkte mate met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten. De rechtbank heeft hierbij gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting. Als oriëntatiepunt bij uitvoer van dergelijke hoeveelheden harddrugs in georganiseerd verband, dient uitgegaan te worden van een gevangenisstraf van meer dan 72 maanden. Verdachte is daarnaast ook betrokken bij het in georganiseerd verband kweken van ruim 3000 hennepplanten.

Daarom komt de rechtbank tot een hogere gevangenisstraf dan gevorderd.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.3 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de voorwerpen bij het onderzoek naar de ten laste gelegde feiten zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

De voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel berusten op de artikelen 36b, 36c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 3, 8 en 9 ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zeven (7) jaar;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

C.4.1.1a een veerdrukmachinegeweer Double Eagle M41;

C.4.1.1b een speelgoedpistool;

C.4.1.1c een veerdrukpistool met opschrift HF;

C.4.1.1d een veerdrukpistool Elite N.50750.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. E. van Schouten en mr. M.A. Waals, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel en mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh, griffiers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 04 april 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem en/of Hulten, gemeente Gilze en Rijen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) zogenaamde xtc-pillen (in totaal ongeveer 194.646 pillen/63.970 gram) en/of 998 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (een) middel(len) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die xtc-pillen en/of amfetamine afgeleverd aan een

persoon, terwijl, hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die xtc-pillen en/of amfetamine voor export naar Engeland bestemd waren;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 04 april 2008 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem en/of Hulten, gemeente Gilze en Rijen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) zogenaamde xtc-pillen (in totaal ongeveer 194.646 pillen/63.970 gram) en/of 998 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (een) middel(len) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2006 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, althans in het arrondissement Dordrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van personen en/of een hecht samenwerkingsverband van personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekkken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van harddrugs en/of

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of uitvoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben van softdrugs en/of

- het opzettelijk overdragen, althans voorhanden hebben van wapen(s) en/of munitie van de categorieën II en/of III en/of

- het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van door die/dat misdrij(f)(ven) verkregen geldbedragen;

3.

hij op of omstreeks 16 juni 2008 te Gorinchem een of meer wapens van categorie III, te weten een revolver (merk Amadeo Rossi S.A), en/of munitie van categorie III, te weten 77, althans een of meerdere (scherpe) kogelpatro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer

2.285 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2007 tot en met 25 september 2007 te Malle, Belgïe tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 800 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 16 juni 2008 te Gorinchem, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand en/of een of meer zee)container(s) aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 49.930 gram hennep en/of een of meer (andere) (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

7.

hij op of omstreeks 13 juni 2008 te Gorinchem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van ongeveer 200,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

8.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 4 april 2006 te Gorinchem, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam] aldaar) een hoeveelheid van ongeveer 125, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

9.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 04 april 2006 te Gorinchem, meermalen, althans eenmaal (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer hoeveelheid/hoeveelheden electriciteit, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

10.

hij op of omstreeks 16 juni 2008 te Gorinchem veertien, althans een of meer wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten (onder meer) een veerdrukmachinegeweer en/of een speelgoedpistool en/of een of meer veerdrukpisto(o)l(en) , zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een)

vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;