Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ1805

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
25-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
203381 CV EXPL 07-5736
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verpleegkundige vordert schadevergoeding van ziekenhuis op grond van art. 7:658. Zij stelt dat zij door de arbeidsomstandigheden op de afdeling waar zij werkte een burn-out heeft opgelopen. Geoordeeld wordt, na bewijslevering, dat er wel wat op de arbeidsomstandigheden was aan te merken, maar dat deze niet dermate extreem waren dat er vanuit gegaan moet worden dat deze de klachten hebben veroorzaakt. Evenmin wordt bewezen geacht dat het ziekenhuis er op bedacht diende te zijn dat de verpleegkundige overbelast werd, zodat het ziekenhuis niet verweten kan worden dat het geen extra maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van arbeidsongeschiktheid. Volgt afwijzing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0539
JA 2009/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 203381 CV EXPL 07-5736

vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 25 juni 2009

in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. W. Waardenburg

tegen:

de stichting

Stichting Albert Schweitzer Ziekenhuis,

gevestigd en kantoorhoudende te 3317 NM Dordrecht, Steenhovenplein 1,

gedaagde,

gemachtigde mr. M.J.J. de Ridder.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] respectievelijk het ASZ.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 24 september 2007;

2. de conclusie van antwoord;

3. het tussenvonnis van 29 november 2007 waarin een comparitie van partijen is gelast;

4. het proces-verbaal van de op 16 januari 2008 gehouden comparitie van partijen, tevens weergevende het op die datum gewezen mondelinge tussenvonnis;

5. het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 april 2008;

6. het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 mei 2008;

7. het proces-verbaal van getuigenverhoor van 26 september 2008;

8. de akte aan de zijde van het ASZ;

9. de conclusie na getuigenverhoor aan de zijde van [eiseres], tevens inhoudende een vermindering van eis;

10. de conclusie na getuigenverhoor aan de zijde van het ASZ;

11. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1. [eiseres], geboren op [geboortedatum], is op 1 oktober 1990 bij het ASZ in dienst getreden als verpleegkundige. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd met een arbeidsomvang van 60 %. Op 1 september 1992 is het dienstverband uitgebreid naar 70 % en ging [eiseres] ook als oproepkracht (tot maximaal 100 %) werken. Op 1 maart 1997 is het contract uitgebreid naar 80 % en op 1 oktober 1997 naar 88,89 % (32 uur per week), met handhaving van het oproepcontract.

1.2. Het salaris van [eiseres] bedroeg laatstelijk € 2.185,25 bruto per maand, exclusief onregelmatigheids- en vakantietoeslag. Voordat [eiseres] bij het ASZ in dienst trad, heeft zij vanaf 1969 gedurende meerdere jaren als leerling verpleegkundige, verpleegkundige en ziekenverzorgende gewerkt bij andere ziekenhuizen en een verpleeghuis. In de periode eind 1975 tot eind 1989 heeft [eiseres] niet als verpleegkundige gewerkt in verband met de opvoeding en verzorging van haar kinderen.

1.3. De werkzaamheden van [eiseres] hielden het volgende in:

- verplegen en begeleiden van chirurgische patiënten;

- overleggen en afstemmen van te verlenen zorg in overleg met andere (para) medische disciplines;

- bijwonen van werkgroepen, werkoverleg en teamoverleg;

- het schrijven van verpleegkundige rapportages en overdragen aan de volgende dienst;

- begeleiden van leerlingen/stagiaires.

1.4. Het aantal bedden op de chirurgische afdeling varieerde in de loop van de tijd van 28 tot 30. Gemiddeld waren op de afdeling 20 verpleegkundigen werkzaam en (eerst twee en daarna) één teamleider(s). Per dienst werkte er vijf of zes verpleegkundigen in de dagdienst, drie in de avonddienst en twee in de nachtdienst. Tijdens het dienstverband van [eiseres] is de zogeheten integrerende verpleging ofwel patiëntgerichte benadering ingevoerd op de afdeling chirurgie. Dit houdt in dat iedere verpleegkundige de totale zorg voor een aantal patiënten heeft.

1.5. Vanaf 1999 heeft [eiseres] geen nachtdiensten meer gedraaid. Daarvoor deed zij dit zeer sporadisch.

1.6. [eiseres] heeft zich op 20 juli 1999 tot de bedrijfsarts gewend wegens vermoeidheids¬klachten, duizeligheid en misselijkheid. Op 23 juli 1999 is [eiseres] uitgevallen vanwege hoofdpijn-, vermoeidheids- en concentratiestoornisklachten. De huisarts heeft [eiseres] verwezen naar een fysiotherapeut ter verbetering van haar conditie. Op verwijzing van de huisarts heeft [eiseres] voorts vanaf begin 2000 deelgenomen aan de Werkstresshanteringsgroep van klinisch psycholoog M.J.B.G. Bartels, verbonden aan het ASZ. Bartels heeft in haar rapportage van 19 januari 2000 aan de huisarts van [eiseres] gemeld dat sprake is van burn-out¬verschijnselen bij [eiseres].

1.7. Vanaf maart 2000 heeft [eiseres] haar werkzaamheden langzaamaan weer opgepakt. Vanaf half juli 2000 is zij weer volledig gaan werken.

1.8. Op 15 januari 2001 is [eiseres] opnieuw uitgevallen. Op de werknemerskaart van [eiseres] bij de Arbo-Unie staat vermeld dat bij [eiseres] sprake is van burn-out/overspannenheid. Het ASZ heeft in overleg met de bedrijfsarts getracht om voor [eiseres] (tijdelijk) een geschikte, minder belastende functie binnen het ziekenhuis te vinden. Dit is niet gelukt.

1.9. Op eigen initiatief is [eiseres] in juli 2001 therapeutisch in de crèche van het ziekenhuis gaan werken voor drie maal twee en een half uur per week. Dit doet zij tot op heden nog steeds. Per 15 januari 2002 ontvangt [eiseres] een WAO-uitkering voor een arbeidsongeschiktheids¬percentage van 80-100 %. De WAO-uitkering bedraagt 70 % en is tot 1 mei 2003 door het ASZ aangevuld tot 100 %. De arbeidsovereenkomst is per 1 september 2003 beëindigd. De pensioenopbouw is voortgezet en hiervoor geldt een premievrijstelling van 100 %.

2. De vordering

2.1. [eiseres] vordert in deze procedure een bedrag van € 81.121,34 wegens verlies aan arbeidsvermogen,

€ 15.000,- wegens smartengeld, € 12.668,19 aan onderzoekskosten door het Bureau Beroepsziekten van het FNV en € 100,- aan reiskosten, alle posten [getuige/medisch secretaresse] vermeerderd met de wettelijke rente. Tot slot vordert [eiseres] de proceskosten.

In haar conclusie na getuigenverhoor heeft [eiseres] een nieuwe berekening van het verlies aan verdienvermogen in het geding gebracht. Er wordt vanuit gegaan dat [eiseres] heeft bedoeld in deze conclusie niet alleen haar rentevordering te verminderen maar ook haar vordering met betrekking tot het verlies aan arbeidsvermogen, tot het bedrag van € 80.426,48.

2.2. [eiseres] stelt in de eerste plaats dat zij te maken had met een te hoge werkdruk, door een steeds groter wordende hoeveelheid werk en afname van het aantal personeelsleden en het wegvallen van verpleegkundig ondersteunende functies. Tevens ontstond vanaf 1998 een toename van ‘zeer complexe patiënten’ waarvoor geen extra personeel werd ingeschakeld. Vanwege de drukte werkte [eiseres] regelmatig langer, werkte zij in de pauzes vaak door en er werd in de pauzes overleg gevoerd. [eiseres] had dagelijks van doen met tijdslimieten en had te maken met een toenemende verantwoordelijkheid. Er deden zich voorts regelmatig aangrijpende situaties voor op het werk. Voorts stelt [eiseres] dat zij geen of weinig autoriteits- of beslissingsruimte had en weinig tot geen medewerking, ondersteuning en waardering door de leidinggevend ondervond.

[eiseres] stelt dat zij door al deze factoren een burn-out heeft gekregen.

2.3. Bij de gevorderde schadevergoeding wegens verlies aan arbeidsvermogen is [eiseres] uitgegaan van de situatie dat zij tot 65 jaar haar werk als verpleegkundige zou hebben voortgezet.

Als grondslag voor het gevorderde smartengeld voert [eiseres] aan dat zij door toedoen van het ASZ zodanig beperkt is geraakt dat zij de laatste dertien jaar van haar arbeidzaam leven verstoken is van deelname aan het arbeidsproces en haar hobby’s wandelen en fietsen niet meer kan uitoefenen.

3. Het verweer

3.1. Het ASZ voert in de eerste plaats als verweer aan dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] een burn-out heeft. Mogelijk is sprake van een depressie, volgens de huisarts, of van chronische moeheidsklachten als gevolg van een post-viraal ziektebeeld, volgens de bedrijfsarts. Voorts was de virusserologie positief voor de ziekte van Pfeiffer. Bovendien leidt een burn-out in de regel niet tot blijvende arbeidsongeschikheid.

3.2. Het ASZ voert vervolgens als verweer aan dat er geen sprake was van (structurele) overbelasting van [eiseres] en dat zij geen andere werkzaamheden verrichtte dan die bij haar functie als (ervaren) verpleegkundige behoorden. Er bestond voorafgaande aan de uitval van [eiseres] geen tekort aan verplegend personeel en/of (bewakings)apparatuur. Aan incidenten op de afdeling zoals reanimaties werd ruimschoots aandacht geschonken en er bestond de mogelijkheid gebruik te maken van psychologische begeleiding.

3.3. Voorts voert het ASZ aan dat zij niet tekort is geschoten in de op haar rustende zorgverplichting ex artikel 7:658 BW.

3.4. Voor zover geoordeeld wordt dat de oorzaak van de klachten van [eiseres] in de uitoefening van haar werkzaamheden is gelegen en het ASZ tekort is geschoten in haar zorgplicht, betwist het ASZ dat er sprake is van een causaal verband hiertussen.

3.5. Tot slot betwist het ASZ de hoogte van de gevorderde schadevergoeding.

Beoordeling van het geschil

Artikel 7:658 BW

4. Op grond van artikel 7:658 lid 1 rust op de werkgever een zorgplicht om het redelijkerwijs noodzakelijke te doen om te voorkomen dat een werknemer schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij hij aantoont dat hij aan zijn in het eerste lid genoemde zorgplicht heeft voldaan.

5. Op grond van het voorgaande geldt in het algemeen dat de werknemer in de eerste plaats dient te stellen en zonodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Indien dit vast komt te staan, is het vervolgens aan de werkgever om te stellen en zonodig te bewijzen dat hij heeft voldaan aan zijn verplichting om voor een veilige werkplek en gezonde arbeidsomstandigheden te zorgen.

6. Omdat een ziekte als burn-out een veelheid van oorzaken kan hebben die ook (deels) buiten de werksituatie kunnen zijn gelegen, dient de werknemer in een dergelijk geval te stellen en zonodig te bewijzen dat hij schade heeft geleden omdat de werkgever de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 2 BW niet is nagekomen. Er moet derhalve een causaal verband zijn tussen de door de werknemer verrichte werkzaamheden en de schade. Het is aan de werknemer om feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn werksituatie te stellen en te bewijzen, op grond waarvan kan worden aangenomen dat, en zo ja in hoeverre, zijn klachten door zijn werk en niet door andere oorzaken zijn ontstaan. Indien immers sprake is van werken onder normale arbeids¬omstandigheden kan niet worden gezegd dat de klachten door de werkzaamheden zijn veroorzaakt en kan ook niet van de werkgever worden verwacht dat hij maatregelen neemt ter voorkoming van een burn-out. De werkgever is bovendien in beginsel pas in staat maatregelen te nemen, als hij ermee bekend is dat sprake is van arbeidsomstandigheden die voor de betreffende medewerker het risico van stressklachten met zich brengen.

7. Bij mondeling vonnis ter comparitie van16 januari 2009 is [eiseres] opgedragen ‘alle feiten en omstandigheden die de grondslag van haar vorderingen uitmaken’ te bewijzen.

8. [eiseres] heeft zichzelf als (partij-)getuige laten horen, mevrouw [naam] (hierna: [getuige/medisch secretaresse]), medisch secretaresse en mevrouw [naam] (hierna: [getuige/verpleegkundige]), verpleegkundige. De verklaring van [eiseres] zelf is een partij-getuigeverklaring en kan slechts dienen ter aanvulling van ander bewijs. Bij dagvaarding had [eiseres] al schriftelijke verklaringen van de heer [naam] (hierna: [verpleegkundige1]) en mevrouw [naam] (hierna: [verpleegkundige2]), beiden verpleegkundigen, overgelegd. Voorts heeft [eiseres] bij conclusie na getuigenverhoor een brief alsmede het overzicht/journaal van haar huisarts overgelegd over de periode 25 januari 1990 tot en met 24 juni 2003.

Het ASZ heeft in contra-enquête mevrouw [naam] (hierna: [voormalig teamleider] ), voormalig teamleider van [eiseres], als getuige laten horen.

9. Zoals bij partijen bekend, is het de kantonrechter ten overstaan van wie bewijs is bijgebracht niet mogelijk het vonnis in deze procedure te wijzen.

Burn-out?

10. Het ASZ heeft betwist dat [eiseres] aan een burn-out leidt. Psycholoog Bartels vermeldt in haar brief aan de huisarts van [eiseres] dat sprake is van burn-outverschijnselen. Uit de brief is voorts op te maken dat Bartels tot deze conclusie is gekomen op basis van een gesprek met [eiseres] op 30 november 1999 in het kader van de intake voor de Werkstresshanteringsgroep. Op de Werknemerinformatiekaart van de Arbo-Unie staat voorts vermeld dat sprake is van burn-out/overspannenheid. De bedrijfsarts heeft [eiseres] onderzocht en heeft in het rapport van 26 november 2001 geconcludeerd dat bij [eiseres] sprake is van psychische surmenage (overspannenheid). Voorts noemt de huisarts in het overzicht/journaal op 2 augustus 1999 dat bij [eiseres] sprake is van surmenage en op 16 april 2003 staat als diagnose ‘burn-out’ vermeld.

11. In de bij conclusie na getuigenverhoor overgelegde brief van de huisarts van [eiseres] schrijft de huisarts dat uit het bloedonderzoek in 1999 geen afwijkingen zijn gevonden. Dat [eiseres] voorafgaande aan dit onderzoek de ziekte van Pfeiffer heeft doorgemaakt, zoals het ASZ heeft geopperd, is dan ook niet aannemelijk geworden. Verder is uit het journaal van de huisarts inderdaad op te maken dat de huisarts de mogelijkheid van een onderliggende depressie heeft besproken op 20 maart 2001, maar hierop wordt in het verdere verloop van het overzicht niet meer op terug gekomen.

12. Geoordeeld wordt dat uit het voorgaande is af te leiden dat [eiseres] begin 2001 is uitgevallen met -in ieder geval- spanningsklachten. Voorts wordt geoordeeld dat uit de overgelegde stukken kan worden geconcludeerd dat de klachten van [eiseres] kunnen worden aangeduid als een burn-out.

13. Zoals in punt 6 is overwogen, dient vervolgens beoordeeld te worden of [eiseres] bij het ASZ heeft moeten werken onder omstandigheden die de klachten van [eiseres] kunnen hebben veroorzaakt.

Werkomstandigheden

14. De door [eiseres] voorgedragen getuigen hebben verklaard omtrent de werk¬omstandigheden bij het ASZ. Deze verklaringen zullen worden besproken aan de hand van de door [eiseres] aangehaalde en door het ASZ niet betwiste stressoren die ten grondslag liggen aan de ziekte burn-out.

15. Werkdruk

15.1. [eiseres] heeft verklaard dat door de reorganisatie in 1991 het personeelsaantal in de avond en de nacht afnam en in mindere mate ook het personeelsaantal overdag. Alleen mevrouw [getuige/verpleegkundige] heeft ook verklaard dat “anderen wegvielen, zowel in functie als absoluut.” Deze verklaring wordt echter niet ondersteund door de verklaringen van de overige getuigen. [verpleegkundige1] heeft weliswaar -schriftelijk- verklaard dat er naar aanleiding van de toename van het aantal complexe patiënten geen extra personeel werd ingezet, maar heeft daaraan toegevoegd dat er nooit onder de formatie is gewerkt. Voorts is uit de verklaringen van [verpleegkundige2], [getuige/medisch secretaresse] en [getuige/verpleegkundige] af te leiden dat er op de afdeling chirurgie sprake was van veel verloop, maar [getuige/medisch secretaresse] heeft daaraan toegevoegd dat er wel steeds nieuw personeel bij kwam. Ook uit de verklaringen van [eiseres] en [getuige/verpleegkundige] is af te leiden dat er doorlopend nieuwe (gediplomeerde) verpleegkundigen werden ingewerkt. [eiseres] heeft zelf verklaard dat er naar aanleiding van haar klachten over personeelstekort in 1996 een verruiming in personeel is gekomen. [getuige/verpleegkundige] heeft tot slot verklaard dat er een beddenreductie heeft plaats¬gevonden, doordat een zespersoons zaal afviel, zonder wijziging in de personeelsbezetting.

De juistheid van de stelling dat er in de loop der tijd in absolute zin minder verpleegkundigen op de afdeling werkzaam waren, is op grond van de getuigenverklaringen dan ook niet vast komen te staan.

15.2. De verklaring van [eiseres] dat er in de loop der tijd meer taken op de schouders van de verpleegkundigen kwamen te liggen, wordt bevestigd door [getuige/medisch secretaresse] en [getuige/verpleegkundige]. Behalve [eiseres] hebben ook [verpleegkundige1], [getuige/medisch secretaresse] en [getuige/verpleegkundige] verklaard dat er in de loop der tijd een toename was van het aantal complexe patiënten die meer zorg vergden en dat hiervoor niet meer personeel is aangenomen.

15.3. Eén van de taken die de verpleegkundigen er in ieder geval voor 1998 bij kregen was het meelopen met de chirurgen bij hun visiteronden. Uit de verklaringen van [verpleegkundige1], [eiseres], [getuige/medisch secretaresse] en [getuige/verpleegkundige] is af te leiden dat de samenwerking met de chirurgen niet vlekkeloos verliep. De enkele (schriftelijke) verklaring van de heer [naam], die onderdeel uitmaakt van het stafbestuur, dat er een uitstekende samenwerking bestond tussen de medische staf en de verpleegkundige staf doet er niet aan af dat uit de verklaringen is af te leiden dat er problemen bestonden in de samenwerking met de chirurgen en dat dit spanningen met zich meebracht. [verpleegkundige1] heeft echter ook verklaard dat er in 2000 duidelijke afspraken en protocollen zijn gemaakt met betrekking tot deze samenwerking, in overleg en met goedkeuring van de artsen. Geoordeeld wordt dan ook dat het ASZ klachten van de verpleegkundigen serieus heeft genomen en maatregelen ter verbetering van de samenwerking heeft getroffen.

15.4. Wat betreft extra werkzaamheden op het gebied van fysiotherapie heeft [eiseres] verklaard dat de verpleegkundigen na de fusie in 1999 met patiënten ter oefening op de gang dienden te lopen. Deze verklaring wordt weersproken door [voormalig teamleider] en door [getuige/medisch secretaresse]. [getuige/verpleegkundige] heeft verklaard dat na het invoeren van de patiëntgerichte benadering de verpleegkundigen er taken van fysiotherapie bij kregen, zoals het uit bed halen en weer in bed leggen van patiënten.

Op grond van de verklaringen op dit punt wordt bewezen geacht dat de verpleegkundigen in de loop der tijd ten hoogste slechts een zeer beperkt deel van de fysiotherapie, te weten het uit bed halen en weer terug in bed leggen van patiënten, als taken erbij hebben gekregen. Geoordeeld wordt voorts dat deze werkzaamheden kunnen worden geacht tot het normale werkpakket van verpleegkundigen te behoren.

15.5. De verklaring van [eiseres] dat ook werkzaamheden op het gebied van maatschappelijk werk naar de verpleegkundigen werd verschoven, wordt bevestigd door [voormalig teamleider] en door [getuige/verpleegkundige]. Blijkens de verklaringen van [eiseres] en [getuige/verpleegkundige] betroffen deze werkzaamheden het voeren van telefoongesprekken bij het ontslag van patiënten en het regelen van thuiszorg.

15.6. [eiseres] heeft voorts verklaard dat pas na 1999 de leerlingbegeleiding onderdeel werd van het werkpakket van de verpleegkundigen. Dit wordt niet bevestigd door andere getuigen. Integendeel, [voormalig teamleider] heeft verklaard dat leerlingbegeleiding altijd al in het takenpakket van een verpleegkundige zat. Dat er op dit gebied een toename van werkzaamheden was gedurende het dienstverband wordt dan ook niet bewezen geacht.

15.7. [getuige/verpleegkundige] heeft met betrekking tot het verschuiven van taken van derden naar de verpleegkundigen de verbinding gelegd met het invoeren van de patiëntgerichte benadering. Overwogen wordt dat, ook gelet op de verklaring van [voormalig teamleider] dat de integrerende verpleging op de afdeling chirurgie verder was doorgevoerd dan op andere afdelingen waar zij had gewerkt, de toename van het aantal verschillende taken inderdaad te verklaren is door deze veranderde manier van werken.

[eiseres] heeft anderzijds ook verklaard dat zij aanvankelijk twaalf bedden onder haar hoede had en later vijf tot zeven. Hieruit wordt de conclusie getrokken dat er weliswaar een toename van het aantal taken was, maar anderzijds dat er ook minder patiënten per verpleegkundigen te verzorgen waren.

15.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat uit de getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid dat er sprake was van een absolute afname van het aantal verpleegkundigen in de periode tot aan de arbeidsongeschiktheid van [eiseres]. Wel is [eiseres] erin geslaagd te bewijzen dat er sprake was van een toename van het aantal taken door de toename van het aantal complexe patiënten, het meelopen met de chirurgen bij hun visiteronden, het verrichten van werkzaamheden die voorheen door maatschappelijk werk werden gedaan en het krijgen van een -beperkte- rol bij de fysiotherapie. Hier staat tegenover dat het aantal patiënten voor wie [eiseres] in deze periode de zorg had, is afgenomen van twaalf naar vijf tot zeven tegelijk. Deze omstandigheden in totaal beschouwd, leiden tot het oordeel dat [eiseres] er niet in is geslaagd te bewijzen dat de werkdruk op de afdeling chirurgie tijdens haar dienstverband buitensporig hoog was of is geworden.

16. Regelmogelijkheden

16.1. Als tweede stressor die ten grondslag ligt aan burn-out heeft [eiseres] aangevoerd dat er sprake was van een hoge verantwoordelijkheid en tegelijkertijd geen of weinig autoriteits- of beslissingsruimte.

16.2. Ook [verpleegkundige1]+ heeft verklaard dat de verantwoordelijkheid hoog was, omdat iedere verpleegkundige zijn/haar eigen patiënten kreeg toegewezen, waar hij/zij het hele opnametraject voor moest regelen. Dit hangt samen met het systeem van de patiëntgerichte benadering. Tevens heeft [verpleegkundige1] verklaard dat de verpleegkundige niet beslissings¬bevoegd was, omdat de patiënt de eigen keuze tot behandelen bepaalde. Dit laatste ligt uiteraard buiten de invloedssfeer van het ASZ en kan het ASZ als werkgever niet worden verweten.

16.3. [verpleegkundige1], [verpleegkundige2], [eiseres], [getuige/medisch secretaresse] en [getuige/verpleegkundige] hebben verklaard dat er een tekort was aan verschillende hulpmiddelen, zoals bewakingsapparatuur, automatische bloeddrukmeters, wasgoed, pennen en stethoscopen. De enige getuige die dit tegenspreekt is [voormalig teamleider] , die als teamleider verantwoordelijk was voor het in voldoende mate aanwezig zijn van deze hulpmiddelen. [voormalig teamleider] heeft voorts verklaard dat zij de vraag of er voldoende automatische bloeddrukmeters waren, heeft voorgelegd aan een intensivist die haar vertelde dat deze meters het risico met zich brengen dat er minder goed op de patiënt wordt gelet. [voormalig teamleider] zou dit aan de verpleegkundigen hebben medegedeeld in het werkoverleg. Het ASZ heeft dit niet nader onderbouwd met een verklaring van de intensivist of met verslagen van het werkoverleg.

Gelet op deze verklaringen, wordt bewezen geacht dat de verpleegkundigen in ieder geval hebben ervaren dat bepaalde hulpmiddelen in onvoldoende mate op de afdeling aanwezig waren, dat zij dit als hinderlijk hebben ervaren en dat dit in meer of mindere mate extra tijd kostte.

16.4. Op het gebied van de regelmogelijkheden is derhalve vast komen te staan dat er sprake was van een hoge mate van verantwoordelijkheid voor de patiënten bij de verpleegkundigen en weinig autoriteits- of beslissingsruimte. Deels wordt dit inherent aan de functie van verpleegkundige geoordeeld, maar deels wordt ook geoordeeld dat het ASZ de verpleeg¬kundigen onvoldoende faciliteerde door niet te zorgen voor voldoende hulpmiddelen.

17. Sociale situaties

17.1. Onder deze stressor valt onder meer de moeizame samenwerking tussen de chirurgen en de verpleegkundigen. In punt 15.3 is reeds overwogen dat het ASZ de klachten van de verpleegkundigen serieus heeft genomen en maatregelen ter verbetering van de samenwerking heeft getroffen door in 2000 duidelijke afspraken en protocollen te maken.

17.2. [eiseres] heeft voorts gesteld dat zij regelmatig een half uur tot een uur langer werkte en dat pauzes frequent werden overgeslagen. Deze verklaring wordt niet, althans niet volledig, door andere bewijsmiddelen ondersteund. [verpleegkundige1] heeft (schriftelijk) verklaard dat hij af en toe heeft doorgewerkt in pauzes, maar dat dit zijn eigen keuze was. [getuige/verpleegkundige] heeft verklaard dat het uit bed halen en weer in bed leggen van patiënten af en toe haar lunchpauze kostte. Van structureel overwerk en frequent doorwerken in pauzes is dan ook niet gebleken.

17.3. [eiseres] heeft aangevoerd dat er verschillende incidenten hebben plaats¬gevonden, zoals het reanimeren van een patiënt bij wie dat niet had gemogen. Ook [getuige/medisch secretaresse] en [getuige/verpleegkundige] hebben verklaard dat er zich incidenten hebben voorgedaan die zij als traumatisch hebben ervaren. [voormalig teamleider] heeft het door [eiseres] aangehaalde voorbeeld weersproken en heeft aangevoerd dat reanimaties inherent zijn aan de afdeling. Tevens heeft [voormalig teamleider] verklaard dat de verpleeg¬kundigen elkaar na een reanimatie steun en feedback geven en dat er vanuit de afdeling intensive care altijd wordt gevraagd of de verpleegkundigen hulp nodig hebben. Ter ondersteuning van deze verklaring heeft het ASZ het reanimatieprotocol van vóór 2000 overgelegd. [eiseres] heeft bij conclusie na getuigenverhoor aangevoerd dat zij onbekend is met dit protocol, maar zij heeft bevestigd dat de verpleeg¬kundigen onderling een reanimatie met elkaar na besproken en dat er inderdaad in bepaalde gevallen overleg was met het reanimatieteam, maar dat dit enkel ging over de technische kant van de verrichte handelingen. [voormalig teamleider] heeft verder verklaard dat als de verpleegkundigen zich tot haar zouden hebben gewend om te vragen om hulp na traumatische ervaringen, zij hen zou hebben doorverwezen naar de mensen die voor opvang van het personeel zijn aangesteld, maar dat dit nooit nodig is gebleken.

17.4. Uit de verklaringen van de getuigen, in onderling samenhang bezien, is af te leiden dat [voormalig teamleider] zich blijkbaar niet altijd heeft gerealiseerd dat de medewerkers die nauw betrokken waren bij emotionele situaties op de afdeling, wellicht behoefte hadden aan een bepaalde vorm van nazorg die [voormalig teamleider] hen niet heeft aangeboden.

17.5. Met betrekking tot kritiek op de arbeidsomstandigheden heeft [eiseres] aangevoerd dat de leidinggevenden dit bagatelliseerden. [getuige/verpleegkundige] en [verpleegkundige2] hebben dit bevestigd. [verpleegkundige1] heeft verklaard dat hij het in het begin ook regelmatig als zwaar en moeizaam heeft ervaren dat hij het gevoel had zaken alleen te moeten oplossen maar dat hij zich ervan bewust was dat hij hierin ook zelf een belangrijke en duidelijkere rol in moest gaan spelen.

17.6. Uit de verklaringen van [eiseres], [getuige/verpleegkundige], [verpleegkundige1] en [verpleegkundige2] is af te leiden dat zij, in meer of mindere mate, weinig steun van hun leidinggevende hebben ervaren bij door hen geuite klachten over de werkomstandigheden. Bij [verpleegkundige1] is dit, blijkens zijn verklaring, in de loop der tijd minder geworden door zijn eigen houding. In bepaalde gevallen is gebleken dat het ASZ wel heeft gereageerd op klachten van haar werknemers over de werkomstandigheden, zoals de verruiming van personeel in 1996 en het maken van afspraken en protocollen ter verbetering van de samenwerking tussen de chirurgen en de verpleegkundigen.

18. De werkomstandigheden samengevat

18.1. De bewijslevering door [eiseres] heeft tot de conclusie geleid dat er bij het ASZ geen sprake was van een buitensporig hoge werkdruk. Wel is [eiseres] erin geslaagd te bewijzen dat er sprake was van een hoge mate van verantwoordelijkheid voor de patiënten bij de verpleegkundigen en weinig autoriteits- of beslissingsruimte, hetgeen gedeeltelijk, te weten wat betreft het gebrek aan hulpmiddelen, aan het ASZ is te verwijten. Wat betreft de sociale situaties is overwogen dat het ASZ niet altijd adequaat heeft gereageerd op klachten en verzoeken met betrekking tot emotionele problemen van de medewerkers en op sommige gebieden de medewerkers niet het gevoel heeft gegeven dat zij wat betreft hun klachten over werkdruk serieus werden genomen. [eiseres] heeft derhalve aangetoond dat de werkomstandigheden bij het ASZ zodanig waren dat er sprake was van een aantal stressoren die een burn-out kunnen veroorzaken. Over het geheel genomen wordt echter geoordeeld dat de werkomstandigheden niet dermate extreem waren dat er vanuit gegaan moet worden dat deze de klachten van [eiseres] hebben veroorzaakt.

Kenbaarheid risico op burn-out

19. De volgende vraag die beantwoord dient te worden, is of het ASZ, ondanks het oordeel dat er geen sprake was van een te hoge werkdruk, er toch op bedacht diende te zijn dat er bij [eiseres] het risico bestond dat zij overwerkt zou raken of een burn-out zou krijgen en desalniettemin geen maatregelen heeft getroffen om de werkomstandigheden ten aanzien van [eiseres] aan te passen.

20. [eiseres] heeft verklaard dat zij keer op keer bij [voormalig teamleider] heeft aangegeven wat zij wel en niet kon, maar dat [voormalig teamleider] hier geen rekening mee hield. [voormalig teamleider] heeft verklaard dat zij zich niet kan herinneren dat [eiseres] bij haar over de werkdruk heeft geklaagd. Gelet hierop had het op de weg van [eiseres] gelegen haar stelling op dit punt met andere bewijsmiddelen te staven. [eiseres] heeft echter geen nadere stukken overgelegd die bevestigen dat zij voor haar eerste uitval in 1999 regelmatig bij haar leidinggevende aan de bel heeft getrokken omdat zij overbelast was. Geoordeeld wordt dan ook dat deze stelling onvoldoende onderbouwd is.

21. Eerst nadat [eiseres] voor de eerste keer was uitgevallen, in juli 1999, moest het voor het ASZ duidelijk zijn dat [eiseres] een verhoogd risico liep op spanningsklachten. Het ASZ heeft haar toen in staat gesteld deel te nemen aan de Werkstresshanteringsgroep en zij is begeleid door de bedrijfsarts. Toen [eiseres] eenmaal weer volledig arbeidsgeschikt was verklaard, mocht het ASZ ervan uitgaan dat zij haar normale werkzaamheden weer kon gaan uitoefenen en hoefde het ASZ er in beginsel niet vanuit te gaan dat de omstandigheden waaronder [eiseres] haar werkzaamheden weer ging uitvoeren, aanpassing behoefden. [eiseres] heeft verklaard dat zij [voormalig teamleider] na haar re-integratie in juni 2000 heeft gezegd dat zij het gevoel had dat zij regelmatig op haar tenen moest lopen, dat het haar teveel werd en dat zij op de grens zat. Ook hiervan heeft [eiseres] geen aanvullende bewijsmiddelen overgelegd, zodat geoordeeld wordt dat [eiseres] er niet in is geslaagd te bewijzen dat zij bij het ASZ kenbaar heeft gemaakt dat zij wederom het gevoel had overbelast te worden. Het ASZ kan dan ook niet worden verweten dat het geen maatregelen heeft genomen de werkomstandigheden van [eiseres] aan te passen.

Conclusie

22. [eiseres] is er niet in geslaagd te bewijzen dat er sprake was van zodanige werkomstandigheden bij het ASZ dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat haar klachten door het werk en niet door andere oorzaken zijn ontstaan. Voorts is [eiseres] er evenmin in geslaagd te bewijzen dat zij aan het ASZ kenbaar heeft gemaakt dat zij overbelast werd, zodat van het ASZ niet verwacht kon worden dat het maatregelen trof ter voorkoming van (nog) een burn-out. Dit leidt tot het oordeel dat het ASZ op grond van artikel 7:658 BW niet aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt als gevolg van haar burn-out. De vordering wordt derhalve afgewezen en [eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van het ASZ bepaald op:

aan salaris gemachtigde € 3.150,00 .

Dit vonnis is gewezen door mr. T.S. Pieters, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2009, in aanwezigheid van de griffier.