Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BI8687

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/819 en AWB 08/865
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening. Terugvordering. Anticumulatie. Artikel 44 WAO. Inkomsten uit lidmaatschap gemeenteraad. Rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 08/819 en AWB 08/865

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[de man], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.R. Dill, advocaat te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 27 juni 2007 aan eiser medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) per 1 november 1996 op basis van eisers inkomsten wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

Verweerder heeft bij besluit van 27 juni 2007 het teveel betaalde bedrag aan WAO-uitkering over de periode van 1 november 1996 tot 1 juni 2007 ten bedrage van € 34.612,63 (bruto) van eiser teruggevorderd.

Tegen deze besluiten heeft eiser bij brief van 4 juli 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 11 juni 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 juli 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Op 14 oktober 2008 heeft er een comparitie van partijen plaatsgevonden.

Op 20 februari 2009 is de zaak behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde

2. Overwegingen

2.1 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WAO, zoals dat destijds luidde, wordt, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt die uitkering:

a. niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15% of

b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

Ingevolge artikel 44, tweede lid, eerste volzin, van de WAO, zoals dat destijds luidde, vindt de toepassing van het bepaalde in het eerste lid ten hoogste plaats over een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid bedoeld in dat lid worden genoten.

Ingevolge artikel 44, vijfde lid, van de WAO kan Onze Minister bepalen dat het tweede lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen personen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a en b, van de Regeling anticumulatie politieke ambtsdragers, voor zover hier van belang, vindt artikel 44, tweede lid, van de WAO geen toepassing ten aanzien van de persoon, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en inkomsten geniet wegens het verrichten van werkzaamheden als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van een vertegenwoordigend orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dat bij rechtstreekse verkiezingen wordt samengesteld of van een algemeen bestuur van een waterschap.

Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt, voor zover hier van belang, de uitkering die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

Ingevolge artikel 57, vierde lid, van de WAO kan indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Ingevolge artikel 80, eerste lid, eerste volzin, van de WAO is degene, die de wachttijd, bedoeld in artikel 19 doormaakt, dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 54 de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, verplicht aan het Uwv, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.

2.2 Bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de beslissingen gehandhaafd om per 1 november 1996 eisers WAO-uitkering uit te betalen naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse en de teveel verstrekte WAO-uitkering over de periode van 1 november 1996 tot 1 juni 2007 ten bedrage van € 34.612,63 van eiser terug te vorderen.

Verweerder stelt dat de WAO-uitkering terecht met volledige terugwerkende kracht is herzien. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat eiser op de hoogte was van het feit dat de inkomsten die hij genoot als raadslid op de uitkering dienden te worden gekort. Immers deze inkomsten waren eerder reden om de uitkering te betalen als ware eiser 65 tot 80% arbeidsongeschikt in plaats van 80 tot 100% arbeidsongeschikt. Eiser heeft in de eerdere beroepsprocedure op enig moment ook verklaard geen bezwaren meer te hebben tegen de wijze waarop de uitkeringsinstantie de inkomsten als raadslid op zijn uitkering heeft gekort van 1 november 1996 tot 6 januari 1997, zodat eiser op de hoogte was van het feit dat de inkomsten dienden te worden gekort. Verder heeft eiser stelselmatig (in de jaren 2000, 2001, 2002 en 2003) op het formulier "opvragen gegevens" verklaard dat hij niet heeft gewerkt in het lopende jaar en het jaar daarvoor. Ook heeft eiser verklaard dat hij die jaren (buiten de WAO-uitkering en zijn bijstandsuitkering) geen inkomsten heeft genoten.

De praktische mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is bepaald door het inkomensverlies dat optreedt door vergelijking van het maatmaninkomen met het inkomen dat feitelijk wordt verdiend. Het maatgevend beroep van eiser is vertegenwoordiger met een werkweek van 38 uur. Nu eiser als raadslid minder uren werkt dan in zijn maatgevende beroep, kan worden volstaan met een maandloonvergelijking. Er is sprake van een vaste wedde per maand zonder aanvullende inkomenscomponenten anders dan de maandelijkse onkostenvergoeding die niet als inkomen gezien kan worden. Gebleken is dat eiser doorlopend inkomsten als raadslid heeft genoten, zodat zijn uitkering ingevolge artikel 44 van de WAO moet worden verlaagd. Als eisers inkomen als raadslid per maand wordt afgezet tegen het maatmaninkomen per maand, leidt dit tot een verlies aan verdiencapaciteit tussen de € 67,20 en € 76,75. Over de gehele periode dient derhalve de uitkering van eiser te worden betaald als ware hij 65 tot 80% arbeidsongeschikt. Voor zover eiser heeft gesteld dat als hij had geweten van de invloed van zijn inkomsten als raadslid op zijn WAO-uitkering hij het college zou hebben gevraagd om gebruik te maken van artikel 11 van de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006 (hierna: Verordening), overweegt verweerder dat nu deze inkomsten eerder hebben geleid tot het uitbetalen van een WAO-uitkering in een lagere klasse niet kan worden gesteld dat eiser niet op de hoogte was van de invloed van deze inkomsten op zijn WAO-uitkering.

Aan de terugvordering ligt ten grondslag dat eisers recht op een WAO-uitkering per 1 november 1996 is herzien en eiser per die datum te veel uitkering is betaald. Er is geen dringende reden om van herziening of terugvordering af te zien. Het feit dat eiser financieel niet in staat is om dit bedrag terug te betalen kan niet worden aangemerkt als dringende reden.

2.3 Beroepsgronden

Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartoe het volgende aan.

Eiser ging ervan uit dat het Uwv ervan op de hoogte was dat hij voor zijn raadslidmaatschap een vergoeding ontving. In de brief van 21 april 1997 heeft eiser ook niet gesteld dat zijn raadslidmaatschap zou zijn beëindigd. Verder heeft eiser bij brief van 4 juni 1997 aan het Uwv gemeld dat hij vanaf 9 juni 1997 zijn werkzaamheden als raadslid weer wilde gaan hervatten, dus voor zover de brief van 21 april 1997 aan te merken zou zijn geweest als bericht van stopzetting, dan moet de brief van 4 juni 1997 worden opgevat als hervatting.

Eiser heeft ook brieven uit 2000 en 2001 overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat het Uwv op de hoogte was van de vergoeding die eiser ontving als raadslid. Kort hiervoor had de sociale dienst immers naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 20 augustus 1999 een berekening gemaakt van het bedrag dat eiser toekomt alsmede het bedrag dat het GAK aan de sociale dienst dient te vergoeden. Hierbij werd rekening gehouden met de vergoeding die eiser als raadslid ontving. Hierop is het uitkeringsbedrag zoals neergelegd in voornoemde brieven vastgesteld. Bij brief van 31 oktober 1996 heeft eiser zijn inkomsten als raadslid ook gemeld. Eiser heeft op het formulier "opvragen gegevens" vermeld dat hij niet heeft gewerkt, omdat hij zijn werk als raadslid niet als werk in de zin van de WAO ziet. Hij doet dit werk vanuit maatschappelijke betrokkenheid. Hier staat slechts een geringe vergoeding tegenover. Eiser heeft verder altijd zijn jaaropgaven bij de informatieformulieren aan het Uwv gestuurd. Hiertoe legt eiser een verklaring over van zijn echtgenote die dit bevestigt. Volgens eiser kan hem niet worden verweten dat het Uwv de jaaropgaven niet meer in bezit heeft. Een medewerker van het Uwv heeft tijdens diverse telefoongesprekken ook bevestigd dat de jaaropgaven wel in het dossier zaten. Indien eiser had geweten dat zijn vergoeding van het raadslidmaatschap tot gevolg zou hebben dat zijn uitkeringspercentage zou dalen, dan zou hij van de regeling van artikel 11 van de Verordening gebruik hebben gemaakt. Dat hij dit niet heeft gedaan, bevestigt dat de standpunten zoals deze door eiser in deze beroepsprocedure naar voren zijn gebracht juist zijn. Eiser bekleedt een gewichtige politieke functie nu hij fractievoorzitter is van de politieke partij "[naam partij]". Indien hij bewust inkomsten zou hebben verzwegen en daarmee fraude zou hebben gepleegd en de maatschappij zou hebben benadeeld, zou dit zeer kwalijke en verstrekkende gevolgen hebben voor zijn politieke functie en zijn partij. Eiser zou dit nimmer riskeren. Ook is de berekening van de praktische mate van arbeidsongeschiktheid van eiser onjuist. Eiser werkte vaak in de avonduren en veel vanuit zijn bed. Deze uren kunnen niet zonder meer meegeteld worden. Daarbij speelt ook een rol dat de vergoeding uitermate gering is.

Verder is het besluit tot terugvordering onzorgvuldig nu niet is uitgelegd waarom de WAO-uitkering als onverschuldigd wordt teruggevorderd. Bij eiser is verwarring ontstaan over de hoogte van de terugvordering nu het Uwv diverse brieven heeft gestuurd waarin steeds over andere bedragen wordt gesproken. Ook is door de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 20 augustus 1999 verwarring ontstaan nu hierin staat dat eisers inkomsten zijn verrekend met zijn bijstandsuitkering. Gelet op deze uitspraak dient de terugvordering dan ook slechts terug te gaan tot 20 augustus 1999. Voorts is de berekening van het Uwv onjuist. Eiser heeft een berekening opgesteld waaruit volgt dat hij hooguit € 3.578,51 teveel heeft ontvangen. Deze berekening is getoetst door eisers accountant.

Tot slot is er sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Eiser heeft fysieke problemen en zijn echtgenote heeft psychische problemen. Eiser heeft altijd aan zijn verplichtingen voldaan, althans hem kan niet worden verweten dat hij hier niet aan heeft voldaan. De bestreden besluiten zijn bij eiser en zijn echtgenote ingeslagen als een bom en trekken een zware wissel op hun leven.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser ontvangt sinds 1 juni 1991 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op grond van het project Raadsleden is door de afdeling Fraude Preventie en Opsporing een onderzoek gedaan waarbij de gegevens van de raadsleden van alle Nederlandse gemeenten zijn vergeleken met de uitkeringsgegevens zoals die bekend zijn bij het Uwv.

Uit dit onderzoek is ten aanzien van eiser het volgende naar voren gekomen. Eiser is sinds 14 oktober 1996 raadslid bij de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht en hij geniet sinds die datum een raadsvergoeding. Eiser heeft dit ook bij brief van 31 oktober 1996 aan het Uwv gemeld. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan bij besluit van 17 december 1997 aan eiser medegedeeld dat zijn uitkering per 1 november 1996 op grond van artikel 44 van de WAO wordt uitbetaald als ware hij ingedeeld in de klasse 65 tot 80%. Bij uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 20 augustus 1999 in de zaak met procedurenummer AWB 98/417 is het beroep en het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de uitkering per 6 januari 1997 vernietigd. Eiser heeft bij brief van 21 april 1997 aan het Uwv gemeld dat hij in verband met ziekte per 24 maart 1997 is gestopt met zijn werkzaamheden als raadslid. Vanaf 24 maart 1997 worden er geen inkomsten op eisers WAO-uitkering gekort.

Op grond van deze bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiser vanaf 1 november 1996 vanwege zijn inkomsten als raadslid te veel WAO-uitkering is verstrekt. Verweerder heeft vervolgens bij de besluiten van 27 juni 2007 aan eiser medegedeeld dat zijn WAO-uitkering per 1 november 1996 wordt betaald naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse en dat de teveel verstrekte WAO-uitkering over de periode van 1 november 1996 tot 1 juni 2007 ten bedrage van € 34.612,63 van hem wordt teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze besluiten gehandhaafd.

2.4.2. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit heeft geconcludeerd dat eiser heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 44 van de WAO. Zoals ook de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in zijn uitspraak van 13 maart 2009 (LJN: BH6069) heeft overwogen, volgt uit de bewoordingen van dit artikel dat verweerder in dat geval niet kan overgaan tot intrekking of herziening van de uitkering maar is hij gehouden om over te gaan tot anticumulatie. Derhalve dient te worden beoordeeld of verweerder terecht heeft besloten de aan eiser toegekende WAO-uitkering met terugwerkende kracht per 1 november 1996 uit te betalen naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 17 januari 2001, LJN: AL1223) brengt het beginsel van de rechtszekerheid met zich dat toepassing van anticumulatiebepalingen met terugwerkende kracht op reeds uitbetaalde uitkeringen niet kan plaatsvinden. Dit is evenwel anders indien eiser wist of redelijkerwijs kon weten dat met een verlaging of intrekking rekening moest worden gehouden dan wel dat het Uwv teveel uitkering heeft betaald ten gevolge van het niet naleven door eiser van de verplichting tijdig inlichtingen te verschaffen.

Met betrekking tot de periode vanaf 24 maart 1997, de datum van ziekmelding aan verweerder ten aanzien van het raadswerk, is de rechtbank van oordeel dat zich een dergelijke uitzonderingssituatie voordoet.

Naar het oordeel van de rechtbank wist eiser of kon hij redelijkerwijs weten dat de inkomsten die hij genoot als raadslid van invloed waren op de hoogte van zijn uitkering. Immers, deze inkomsten waren eerder reden om eisers uitkering naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse te betalen.

Voor zover eiser heeft gesteld dat hij ervan uitging dat steeds rekening werd gehouden met zijn inkomsten als raadslid, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd hoe hij tot deze conclusie is gekomen. Eiser heeft hierbij gewezen op een tweetal specificaties uit 2000 en 2001 waarop staat vermeld dat zijn WAO-uitkering opnieuw is vastgesteld. Uit deze specificaties volgt echter niet dat de aanpassing van de WAO-uitkering een direct gevolg was van de raadsvergoeding die eiser ontving. Ook biedt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 20 augustus 1999 geen aanknopingspunten voor die conclusie. Uit het feit dat het Uwv aan de sociale dienst de reeds verstrekte bijstand moest vergoeden, kan niet worden afgeleid dat het Uwv ook op de hoogte was van de raadsvergoeding van eiser. Niet is gebleken dat het Uwv door de sociale dienst op de hoogte is gebracht dat eiser een raadsvergoeding ontving.

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de in artikel 80 van de WAO neergelegde inlichtingenplicht. De rechtbank stelt voorop dat verweerder redelijkerwijs de brief van 21 april 1997 heeft mogen opvatten als mededeling van eiser dat zijn inkomsten als raadslid per 24 maart 1997 zouden zijn stopgezet. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat voor zover verweerder deze brief onjuist heeft opgevat en ten onrechte de WAO-uitkering heeft verhoogd, het op de weg van eiser had gelegen om hiervan bij het Uwv melding te maken. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij de brief van 4 juni 1997 waarin hij de gemeente heeft medegedeeld dat hij weer zou beginnen met zijn werkzaamheden als raadslid ook in kopie aan het Uwv heeft gestuurd, heeft hij dit in geheel niet onderbouwd. De rechtbank wijst er daarbij op dat zich in de gedingstukken uitsluitend de brief bevindt die eiser heeft gericht aan de gemeente.

Verder staat vast dat eiser van zijn inkomsten als raadslid ook geen melding gemaakt op de inlichtingenformulieren die verweerder hem jaarlijks heeft toegestuurd.

De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van eiser dat hij de vergoeding hierop niet heeft vermeld omdat hij dacht dat dit geen inkomsten waren. Eiser had immers, gelet op de eerdere verlaging van zijn WAO-uitkering naar aanleiding van deze inkomsten, kunnen weten dat deze inkomsten gemeld dienden te worden. Het betoog van eiser dat hij in dat geval een beroep zou hebben gedaan op artikel 11 van de Verordening sluit naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit dat eiser niet wist van de invloed van de inkomsten op zijn WAO-uitkering

Voor zover eiser heeft gesteld dat hij bij de inlichtingenformulieren steeds jaaropgaven heeft gestuurd, heeft hij dit naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Door zijn eigen administratie over te leggen, heeft eiser immers niet aangetoond dat de jaaropgaven ook naar verweerder zijn gestuurd. Ook biedt verklaring echtgenote in deze geen steun, nu zij niet als objectieve bron kan worden aangemerkt. Verder toont het feit dat een werknemer van het Uwv in 2007 de jaaropgaven in het dossier van eiser heeft aangetroffen niets aan. Immers, op dat moment liep al het onderzoek en had verweerder opnieuw de jaaropgaven aan het Uwv overgelegd, zodat niet kan worden uitgesloten dat stukken pas op dat moment in dossier terecht zijn gekomen.

Op grond van het voorgaande heeft verweerder derhalve met terugwerkende kracht vanaf 24 maart 1997 toepassing kunnen geven aan artikel 44, eerste lid, van de WAO.

Ten aanzien van de periode van 1 november 1996 tot 24 maart 1997 overweegt de rechtbank als volgt.

Vooropgesteld wordt dat niet aan eiser kan worden tegengeworpen dat verweerder over deze periode te veel uitkering heeft betaald ten gevolge van het niet naleven door eiser van zijn verplichting om tijdig inlichtingen te verschaffen. Eiser had immers reeds op 31 oktober 1996 aan verweerder gemeld dat hij inkomsten genoot als raadslid en verweerder heeft naar aanleiding hiervan ook aan eiser medegedeeld dat zijn uitkering per 1 november 1996 zou worden verlaagd. Verweerder heeft vervolgens pas nadat eiser had gemeld dat hij per 24 maart 1997 is gestopt met zijn werkzaamheden als raadslid de inkomsten hieruit niet langer op zijn uitkering gekort.

De vraag is vervolgens of eiser ten aanzien van deze periode wist of redelijkerwijs kon weten dat hij met een verlaging van zijn uitkering rekening moest houden. Wat betreft de periode van 1 november 1996 tot 6 januari 1997 dient deze vraag naar het oordeel van de rechtbank bevestigend te worden beantwoord. Blijkens de uitspraak van 20 augustus 1999 heeft eiser immers voor die periode ingestemd met de wijze waarop verweerder zijn inkomsten uit zijn raadslidmaatschap heeft gekort op zijn uitkering. Wat betreft de periode van 6 januari 1997 tot 24 maart 1997 ontbreekt echter een dergelijke instemming, zodat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond is voor de conclusie dat eiser ook ten aanzien van deze periode wist of redelijkerwijs kon weten dat met een verlaging van zijn uitkering rekening moest worden gehouden. Derhalve doet zich ten aanzien van de periode van 6 januari 1997 tot 24 maart 1997 geen uitzonderingssituatie voor en dient de verlaging van de uitkering in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden geacht. Gelet hierop kan het bestreden besluit voor zover dat ziet op de terugvordering eveneens geen stand houden.

Gelet hierop zijn de beroepen gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van deze beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier twee samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrechtspraak. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,- (0,5 punt voor het verschijnen ter comparitie, 1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is verder niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Nu de beroepen gegrond worden verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht (2 x € 39,-) te vergoeden.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 11 juni 2008;

- bepaalt dat het Uwv aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 78,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 805,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan eiser moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.A. Waals, rechter, en door deze en mr. C. van den Heuvel, griffier, ondertekend.

De griffier is buiten staat de uitspraak De rechter,

mede te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.