Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BI8670

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
80674 / KG ZA 09-96
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BK7278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagden hebben in 2005 hun taxionderneming aan een derde overgedragen. In de overnameakte is een concurrentiebeding overeengekomen en is bepaald dat gedaagden bij de derde in loondienst zouden treden. De derde is in 2008 failliet verklaard en de curator heeft de arbeidsovereenkomsten met gedaagden opgezegd.

Eiseres vordert nakoming door gedaagden van het concurrentiebeding en stelt daartoe dat zij de rechten uit het concurrentiebeding uit de failliete boedel heeft gekocht en dat deze rechten via cessie aan haar zijn geleverd. De vordering wordt toegewezen.

Gedaagden hebben hun stelling dat zij zich specifiek met het oog op de persoon van de derde hebben verbonden onvoldoende toegelicht. Datzelfde geldt voor de stelling van gedaagden dat het concurrentiebeding onlosmakelijk verbonden is met het aangaan van de arbeidsovereenkomsten.

Aan de voorwaarden voor de overdracht van de rechten (cessie) is voldaan. Anders dan gedaagden stellen, is contractsoverneming in de zin van 6:159 BW, daarvoor niet vereist. Verkoop van het vorderingsrecht is ook mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0467
RI 2009, 76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 80674 / KG ZA 09-96

Vonnis in kort geding van 18 juni 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROTTERDAMSE TRAVEL ALLIANTIE R.T.A. B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Mijnsheerenland,

2. [gedaagde 2],

wonende te Mijnsheerenland,

gedaagden,

advocaat mr. L.R.T. Peeters.

Partijen zullen hierna afzonderlijk RTA, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk zullen hierna [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 mei 2009,

- de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 4 juni 2009,

- de pleitnota van RTA,

- de pleitnota van [gedaagden],

- de door partijen overgelegde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagden] hebben in 2005 hun taxionderneming verkocht en geleverd aan L.L. van Dienst Goudswaard Beheer B.V. (hierna: Van Dienst).

[gedaagden] en Van Dienst hebben daartoe in een memo van 30 november 2005, onder meer, vastgelegd dat Van Dienst de taxionderneming koopt, dat [gedaagden] bij Van Dienst in loondienst zouden treden en dat alle besluiten door notaris Schilperoort zouden worden vastgelegd.

2.2. In de op 16 december 2005 verleden akte van verkoop en koop onderneming (waarin [gedaagden] als vennoten van hun vennootschap onder firma als verkopers en Van Dienst als koper zijn aangemerkt) is, voor zover relevant, bepaald:

'Deze koopovereenkomst is aangegaan voor de prijs van drie en zestig duizend euro (€ 63.000,00)

(…)

AANVAARDING

ARTIKEL 2

(…) Met ingang van (…) zal koper een arbeidsovereenkomst aangaan met ieder van de verkopers, onder nader vast te stellen voorwaarden.

CONCURRENTIEBEDING

ARTIKEL 7

1. Gedurende het tijdvak van de dag van aanvaarding tot een januari tweeduizend elf (01-01-2011) zal ieder van de verkopers zich binnen een gebied dat gevormd wordt door de Hoeksche Waard, Goeree-Overflakkee, Voorne-Putten, het Eiland van Dordrecht en het eiland IJsselmonde, onthouden van de uitoefening van enige activiteit die op heden behoort tot de werkzaamheden van de onderneming (…).

WANPRESTATIE

ARTIKEL 10

(…)

2. De in gebreke zijnde partij is aan de wederpartij een dadelijk opeisbare boete verschuldigd van één procent van de koopprijs voor elke dag dat (…) de in gebreke zijnde partij nalatig blijft aan zijn verplichtingen te voldoen (…).'

2.3. [gedaagden] zijn bij Van Dienst in dienst getreden. In de bijlage bij de arbeids-overeenkomst is een concurrentiebeding overeengekomen dat qua duur en geografische omvang enigszins afwijkt van het in artikel 7 van de akte van 16 december 2005 weergegeven beding.

2.4. Bij vonnis van de rechtbank Dordrecht van 11 november 2008 is Van Dienst in staat van faillissement verklaard. De curator heeft de arbeidsovereenkomsten met [gedaagden] opgezegd.

2.5. De curator heeft uit de failliete boedel van Van Dienst diverse activa aan RTA verkocht. In de terzake op 24 en 25 maart 2009 ondertekende overeenkomst tot koop/verkoop activa (waarin de curator als verkoper en RTA als koper zijn aangemerkt) is, voor zover relevant, het navolgende bepaald:

'Artikel 1. Verkoop en koop activa

Verkoper verkoopt en draagt over aan koper, gelijk koper van verkoper koopt en aanvaardt per 21 november 2008 alle rechten uit het in de overeenkomst van 16 december 2005 omschreven concurrentiebeding.'

Van deze overdracht is mededeling gedaan aan [gedaagden]

2.6. Sinds 2009 drijven [gedaagden] weer een taxibedrijf en zijn zij in ieder geval werkzaam in de Hoeksche Waard.

2.7. Bij brief van 11 februari 2009 heeft de curator en bij brief van 9 maart 2009 heeft (de advocaat van) RTA [gedaagden] gesommeerd om het in de akte van 16 december 2005 opgenomen concurrentiebeding na te komen en de concurrerende activiteiten te staken en gestaakt te houden. Aan de sommaties hebben [gedaagden] geen gehoor gegeven.

3. Het geschil

3.1. RTA vordert [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen

a) om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de in strijd met het concurrentiebeding ontplooide activiteiten te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat gedaagden hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijven met een maximum van € 100.000,-;

b) in de kosten van het geding.

3.2. RTA vordert nakoming door [gedaagden] van het concurrentiebeding en stelt daartoe het volgende. De rechten uit het in de akte van 16 december 2005 opgenomen concurrentiebeding zijn overdraagbaar en via cessie op RTA overgegaan door de overeenkomst met de curator van maart 2009 en de mededeling daarvan aan [gedaagden]

Volgens RTA is er sprake van een spoedeisend belang, nu haar schade toeneemt door het voortduren van de (concurrende) gedraging van [gedaagden]

3.3. [gedaagden] voeren verweer. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagden] hebben het gestelde spoedeisend belang niet weersproken, zodat RTA in haar vordering kan worden ontvangen.

4.2. Tussen partijen is in geschil of [gedaagden] jegens RTA gehouden zijn aan het met Van Dienst overeengekomen en bij akte van 16 december 2005 neergelegde concurrentiebeding. Onder verwijzing naar [betrokkene], Contractenrecht, 2006, bladzijde 88 e.v. voeren [gedaagden] als verweer aan dat de rechten uit het concurrentiebeding niet overdraagbaar zijn, aangezien het volgens hen om een verplichting gaat waarbij niet de prestatie maar de persoon van partijen vooropstaat en zij zich specifiek tegenover Van Dienst hebben verbonden. Voorts stellen [gedaagden] dat RTA zich niet op het concurrentiebeding kan beroepen, nu zij niet heeft voldaan aan de onlosmakelijk daaraan verbonden voorwaarde tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [gedaagden] Volgens [gedaagden] verkeert RTA daarmee in schuldeisersverzuim.

4.3. [gedaagden] hebben hun stelling dat zij zich hebben verbonden jegens Van Dienst, met het oog op specifiek diens persoon, op geen enkele wijze toegelicht. Reden om aan dit verweer voorbij te gaan.

Dat het vorderingsrecht uit het concurrentiebeding naar haar aard niet overdraagbaar zou zijn, is dan ook niet gebleken. Ingevolge artikel 3:94 BW wordt een recht op naam geleverd door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan de personen tegen wie het recht kan worden uitgeoefend. [gedaagden] hebben niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat het vorderingsrecht uit het concurrentiebeding rechtsgeldig aan RTA is geleverd door de daartoe bestemde akte en de mededeling daarvan aan [gedaagden] Contractsoverneming in de zin van artikel 6:159 BW is daarvoor, anders dan [gedaagden] stellen, niet vereist. Verkoop van het vorderingsrecht is ook mogelijk.

Gelet op het vorenstaande zijn [gedaagden] dan ook in beginsel jegens RTA gehouden aan het bij akte van 16 december 2005 neergelegde concurrentiebeding.

4.4. Anders dan [gedaagden] aanvoeren, is voorshands niet gebleken dat er sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van RTA. [gedaagden] hebben hun stelling dat het in de akte van 16 december 2005 opgenomen concurrentiebeding onlosmakelijk verbonden is met het aangaan van een arbeidsovereenkomst onvoldoende feitelijk onderbouwd. [gedaagden] verwijzen daartoe naar het in 2.1. bedoelde memo waarin is vastgelegd dat uitdrukkelijk onderdeel van de verkoop van de taxionderneming was dat [gedaagden] bij Van Dienst in loondienst zouden treden. De tekst van het memo maakt evenwel geen melding van een concurrentiebeding, zodat de gestelde verbondenheid tussen het concurrentiebeding en de arbeidsovereenkomsten niet zonder meer daaruit volgt. Ook de akte tussen [gedaagden] en Van Dienst van 16 december 2005 kent vele bepalingen waarvan de onderlinge samenhang en het al dan niet ondeelbare karakter door [gedaagden] onvoldoende zijn toegelicht. Uit de stellingen van [gedaagden] volgt dat zij iedere rechtsopvolger van Van Dienst concurrentie zouden mogen aandoen, maar hoe zich dat verhoudt tot de waarde (verkoopprijs) van de onderneming en tot de door Van Dienst aan [gedaagden] betaalde koopprijs is geheel niet toegelicht.

Dat RTA geen arbeidsovereenkomst met [gedaagden] heeft gesloten, kan dan ook niet tot de slotsom leiden dat er op grond daarvan sprake is van schuldeisersverzuim. Daarom wordt ook dit verweer van [gedaagden] gepasseerd.

4.5. [gedaagden] hebben niet weersproken dat zij thans in ieder geval in de Hoeksche Waard een taxionderneming drijven en dat zij daarmee in strijd handelen met het in de akte van 16 december 2005 opgenomen concurrentiebeding, indien dit tegen hen zou kunnen worden ingeroepen. Gelet op hetgeen in 4.3. is overwogen, heeft RTA dan ook recht en belang bij de gevorderde veroordeling van [gedaagden] om de in strijd met dat

concurrentiebeding ontplooide activiteiten te staken en gestaakt te houden. Daarbij begrijpt de voorzieningenrechter de gevorderde hoofdelijke veroordeling in die zin dat RTA daarmee doelt op het staken en gestaakt houden van de activiteiten door zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] afzonderlijk, zodat dienovereenkomstig zal worden beslist.

4.6. Ten aanzien van de gevorderde dwangsom hebben [gedaagden] aangevoerd dat de hoogte daarvan niet in verhouding staat tot de in de akte van 16 december 2005 opgenomen boete van € 630,- per dag. RTA heeft zich ten aanzien van dit verweer gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om ten aanzien van de hoogte van de dwangsom aan te sluiten bij de in voornoemde akte in artikel 10 lid 2 opgenomen boetebepaling (zie 2.2.), waarvan de daarin bedoelde hoogte van de boete als onweersproken vast staat. Gelet op de tekst van die bepaling in relatie tot hetgeen in 4.5. is overwogen, zal voorts worden bepaald dat de dwangsom alleen zal worden verbeurd door de gedaagde die in strijd handelt met het vonnis.

4.7. [gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proces-kosten worden veroordeeld. De gevorderde hoofdelijke veroordeling zal als onweersproken worden toegewezen.

De kosten aan de zijde van RTA worden begroot op:

- dagvaarding EUR 72,25

- kosten KvK/GBA 14,00

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.164,25

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen 48 uur na de betekening van dit vonnis de in strijd met het concurrentiebeding ontplooide activiteiten te staken en gestaakt te houden,

5.2. bepaalt dat [gedaagde 1] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan RTA een dwangsom verbeurt van EUR 630,- tot een maximum van EUR 50.000,-,

5.3. bepaalt dat [gedaagde 2] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan RTA een dwangsom verbeurt van EUR 630,- tot een maximum van EUR 50.000,-,

5.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van RTA tot op heden begroot op EUR 1.164,25,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2009.?