Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BI6303

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
11/510071-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door de verdediging is een drietal ontvankelijkheidsverweren gevoerd, nml terzake van een onrechtmatige aanhouding, het opnemen van tapgesprekken met een geheimhouder en het indienen van zogenoemde "combi-vorderingen" ex artt. 126m, 126n en 126na Sv. Deze verweren worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer : 11/510071-08

parketnummer tul: 22/002925-05

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juni 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1976,

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Tilburg, Gevangenis, te Tilburg.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 19 mei 2009.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

2.1 De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

2.2 De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft gemotiveerd betoogd - kort en zakelijk samengevat - dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat door en onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie de beginselen van een behoorlijke procesorde meermalen zijn geschonden. Er zou telkens sprake zijn van een doelbewuste schending met grove veronachtzaming van de belangen en de fundamentele rechten van verdachte. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd:

I. ('helingszaak') dat verdachte op 2 maart 2008 onrechtmatig is aangehouden omdat er onvoldoende verdenking tegen hem bestond. Verdachte is kennelijk aangehouden met het enkele doel om zijn recente telefoonnummers te achterhalen. Bovendien hebben de verbalisanten gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid, onder c, van het EVRM en dat er sprake is van détournement de pouvoir.

II. ('geheimhoudergesprekken') dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij en krachtens artikel 126aa, tweede lid, juncto artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering. Onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie zouden stelselmatig, immers meerdere, zogenaamde 'geheimhoudergesprekken' zijn afgeluisterd en opgenomen. Deze zijn in strijd met de voorschriften niet vernietigd en daarna hebben deze geruime tijd tot het strafdossier behoord alvorens deze alsnog op last van de officier van justitie werden vernietigd. Daarnaast is het niet uit te sluiten dat voornoemde gesprekken richtinggevend zijn geweest voor het verdere opsporingsonderzoek, aldus de raadsvrouw.

III.('combi-vordering') dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 126m, 126n en 126na van het Wetboek van Strafvordering door een zogenaamde "combi-vordering" te doen. De officier van justitie heeft deze algemene, ruim geformuleerde vordering gedaan terwijl het onderzoek dit niet dringend vorderde.

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het betoog van de raadsvrouw gesteld:

I. ('helingszaak') dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van verdachte. Verdachte is vervolgens rechtmatig aangehouden en de gegevens van verdachtes telefoons zijn aldus op rechtmatige wijze verkregen.

II.('geheimhoudergesprekken') dat in eerste instantie is verzuimd om de schriftelijke versie van de 'geheimhoudergesprekken' te vernietigen. Op verzoek van de raadsvrouw is dit alsnog gebeurd. De verdediging heeft dan ook thans geen rechtens te respecteren belang bij een klacht dienaangaande. Er is in dit verband bovendien slechts sprake van 7 gesprekken in de korte periode 28 maart - 22 april 2008. Kort daarna, eind april 2008, is besloten om te stoppen met het opsporingsonderzoek jegens verdachte. Vervolgens is besloten het onderzoek voort te zetten nadat door de getuige/medeverdachte [medeverdachte] op 2 mei 2008 een voor verdachte belastende verklaring was afgelegd. Het was deze omstandigheid, en niet de betreffende gesprekken, die richtinggevend was voor het verdere opsporingsonderzoek.

III. ('combi-vordering') dat het verzoek van de verdediging geen steun vindt in de wet.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren van de verdediging dienen te worden verworpen.

De rechtbank oordeelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting als volgt.

I. ('helingszaak')

Bij de stukken van het geding bevindt zich een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2008 van de verbalisanten D.R.R. Abdur en G.C. de Waard. Dit proces-verbaal houdt het volgende in, voor zover hier van belang:

- verdachte reed in een grijze auto terwijl dit volgens het RDW-systeem een blauwe auto zou zijn;

- het kentekenbewijs van de auto stond niet op naam van verdachte;

- verdachte wilde alleen de voornaam van de eigenaar geven en wist geen achternaam of adres; ook een telefoonnummer wilde verdachte niet geven;

- volgens het kentekenbewijs zou er op de kentekenplaat een duplicaatcode 1 moeten zijn vermeld maar deze was niet zichtbaar op de kentekenplaat;

- op het kentekenbewijs stond vermeld dat de auto was bestemd/geschikt voor invalidenvervoer maar daar was in het voertuig niets van te zien;

- bij raadpleging van het chassisnummer bleek dat de motorkap niet op de gebruikelijke wijze kon worden geopend;

- verdachte weigerde verdere medewerking te verlenen.

Deze feiten en omstandigheden vormen naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag voor een redelijk vermoeden van schuld aan heling. Dat de auto niet geregistreerd stond als gestolen, doet daaraan niet af. De verbalisanten waren aldus gerechtigd over te gaan tot aanhouding bij heterdaad op verdenking van heling.

Door de verdediging is evenwel de vraag aan de orde gesteld of de genoemde verbalisanten Abdur en De Waard deze bevoegdheid hebben gebruikt voor een ander doel - namelijk het strafrechtelijk onderzoek in de onderhavige strafzaak - dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven. De rechtbank overweegt dienaangaande dat de genoemde verbalisanten op 26 januari 2009 beiden een verklaring hebben afgelegd bij de rechter-commissaris. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal komen deze verklaringen er, zakelijk weergegeven op neer, dat verbalisant De Waard verdachte niet kende en dat verbalisant Abdur niet wist dat er op dat moment een onderzoek naar verdachte liep. Hoewel het enige bevreemding wekt dat, anders dan beide verbalisanten ten overstaan van de rechter-commissaris hebben verklaard, geen proces-verbaal van aanhouding in de helingszaak is opgemaakt (althans niet, ondanks herhaalde verzoeken van de verdediging, bij de stukken van het geding in de onderhavige zaak is gevoegd), acht de rechtbank geen grond aanwezig om te twijfelen aan de omstandigheid dat, zoals genoemde verbalisanten hebben verklaard, de verbalisanten ten tijde van de aanhouding van verdachte op verdenking van heling geen kennis droegen van de onderhavige strafzaak. Reeds daarom is de rechtbank van oordeel dat die aanhouding niet heeft plaatsgevonden voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid was gegeven. Van schending van artikel 5, eerste lid, onder c, van het EVRM is evenmin sprake.

De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat de aanhouding op verdenking van heling van verdachte op 2 maart 2008 rechtmatig is geweest. Tijdens de insluitingsfouillering van verdachte werd geconstateerd dat verdachte een tweetal mobiele telefoons in zijn bezit had. Terwijl verdachte was ingesloten in het kader van de 'helingszaak', heeft de politie in het kader van het lopende (onderhavige) onderzoek inzake de Opiumwet de genoemde telefoons inbeslaggenomen en daarvan de imei-nummers genoteerd. De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheid tot het verrichten van laatstgenoemde handeling kan worden gebaseerd op artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering en daarom rechtmatig is geschied.

De rechtbank verwerpt het verweer dienaangaande.

II. ('geheimhoudergesprekken')

Op grond van hetgeen zowel de officier van justitie en de raadsvrouw hebben gesteld, heeft de rechtbank vastgesteld dat een zevental afgeluisterde en opgenomen 'geheimhoudergesprekken' in strijd met het bepaalde in artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en het Besluit bewaren en vernietigen niet gevoegde stukken en de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders van het College van procureurs-generaal, niet zijn vernietigd maar enige tijd deel hebben uitgemaakt van het strafdossier. Voordat de meervoudige strafkamer kennis heeft kunnen nemen van de betreffend gesprekken, zijn deze alsnog op bevel van de officier van justitie, na een daartoe strekkend verzoek van de raadsvrouw, vernietigd.

Het niet tijdig vernietigen van 'geheimhoudergesprekken' levert een vormverzuim op bij het voorbereidend onderzoek dat niet meer kan worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Ingevolge artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter in zulk een geval daaraan een 'sanctie' verbinden, waarvan de zwaarste is die van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging. Bij de toepassing van genoemd eerste lid dient de rechter ingevolge het tweede lid rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Het belang van handhaving van het bepaalde in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering is evident.

De rechtbank heeft echter ook vastgesteld dat het een beperkt/gering aantal van zeven gesprekken betrof, die in een betrekkelijk korte periode van omstreeks drie weken hebben plaatsvonden. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat dit geringe aantal gesprekken niet de conclusie wettigt dat de 'geheimhoudersgesprekken' stelselmatig zijn getapt en verwerkt. Mede in dit licht acht de rechtbank het vormverzuim niet van dusdanige omvang en ernst dat dit tot enige 'sanctie' aanleiding zou moeten geven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door de officier van justitie aannemelijk is gemaakt dat de betreffende gesprekken niet richtinggevend zijn geweest voor het verdere opsporingsonderzoek, hetgeen de verdediging slechts in algemene bewoordingen heeft betwist. Bijgevolg ziet de rechtbank geen aanleiding om aan voornoemd verzuim enige consequentie te verbinden.

Ook in zoverre verwerpt de rechtbank het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

III. ('combi-vordering')

Volgens vaste rechtspraak houdt het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 126m Wetboek van Strafvordering tot het bevelen van opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel in dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend. De rechter-commissaris dient tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het staat daarbij in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 126m, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval als het onderhavige,waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, een beantwoording in van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen. Voorts omvat die beoordeling de vraag of het gebruik dat de officier van justitie vervolgens heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel in overeenstemming is met die machtiging en ook overigens rechtmatig is.

Op 6 maart 2008 heeft de officier van justitie een combi-vordering ex artikelen 126m ('opnemen telecommunicatie') en 126n

('verstrekken verkeersgegevens') van het Wetboek van Strafvordering gedaan aan alle providers. In deze vordering heeft de officier van justitie de in de eerste leden van genoemde artikelen vermelde voorwaarden (artikel 126m 'indien het onderzoek dit dringend vordert'; artikel 126n 'in het belang van het onderzoek') omschreven en aangegeven op grond waarvan naar zijn oordeel de vordering noodzakelijk is. Op 6 maart 2008 heeft de rechter-commissaris ex artikel 126m, vijfde lid, van voornoemd Wetboek een schriftelijke machtiging gegeven tot het opnemen van telecommunicatie. Aldus heeft de rechter-commissaris voornoemd oordeel van de officier van justitie getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel kunnen komen. Voor wat betreft de wijze waarop de officier van justitie vervolgens gebruik heeft gemaakt van de hem verleende bevoegdheid, overweegt de rechtbank dat de wet noch het wettelijk systeem zich er tegen verzet dat een bevel in de zin van artikel 126m en een vordering als bedoeld in artikel 126n alsmede een vordering in de zin van artikel 126na, tegelijkertijd en bij één en hetzelfde schrijven wordt gedaan.

Ook op dit punt verwerpt de rechtbank het verweer.

De rechtbank verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in al zijn onderdelen.

2.4 Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - het ten laste gelegde bewezen achtend - gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

3.2 De verdediging

De raadsvrouw heeft - naast de hiervoor en hierna genoemde verweren - bewijsverweren gevoerd met betrekking tot het onder 1. en 3. tenlastegelegde en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het onder 2. tenlastegelegde. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 Het bewijsverweer

De raadsvrouw heeft in het kader van haar primaire verweer genoemd onder 2.3 tot

niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie subsidiair gepleit voor bewijsuitsluiting en derhalve algehele vrijspraak.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van september 2006 tot en met 28 mei 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met

anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne , zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I ;

2.

op 28 mei 2008 te Gorinchem een wapen van categorie I, onder 1e, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad;

3.

omstreeks de periode van augustus 2007 tot en met 28 mei 2008 te Gorinchem een wapen van categorie III, te weten een

vuurwapen/pistool (merk Crvena Zastava, kaliber 9mm) (met houder), en munitie van categorie III, te weten elf centraalvuur-kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 Vrijspraak

Verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd met betrekking MDMA en/of amfetamine, nu in het dossier geen bewijs, zoals gebruikersverklaringen, voor de substantie in de pillen voorhanden is.

4.4 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD,MEERMALEN GEPLEEGD.

2. HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 13, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

3. HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straffen hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende ruim anderhalf jaar, samen met een ander, cocaïne gedeald in de gemeente Gorinchem. Hij heeft dusdoende een belangrijke bijdrage geleverd aan het in stand houden van een harddrugs circuit in deze gemeente. Cocaïne is voor de gezondheid van personen een schadelijke stof. Bovendien gaat de handel in harddrugs zoals cocaïne gepaard met criminaliteit, waaronder ook de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De rechtbank rekent verdachte dit strafbare handelen extra zwaar aan, nu hij het dealen heeft opgepakt na een aanzienlijke gevangenisstraf voor soortgelijke feiten; verdachte heeft zich weinig aangetrokken van zijn eerdere veroordeling en is vrijwel direct na zijn detentie doorgegaan met zijn criminele handel en wandel.

Verdachte heeft voorts geruime tijd onbevoegd een pistool, met voor dat vuurwapen geschikte munitie, voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens creëert het risico van het gebruik van die wapens, met alle gevolgen van dien. Dat geldt zeker ook in de drugscircuit. Hiertegen dient dan ook krachtig te worden opgetreden. Uit de verklaring van de getuige/medeverdachte [medeverdachte] kan worden afgeleid dat verdachte ook niet schroomde met het wapen te dreigen; het zou haar tot het medeplegen van de handel in cocaïne hebben bewogen.

Bij verdachte is een vlindermes aangetroffen. Ook het voorhanden hebben van een dergelijk wapen moet worden bestreden, gelet op het mogelijk gebruik er van.

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting een verzoek gedaan tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte. Zij heeft dit verzoek gekoppeld aan het hierboven weergegeven beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Nu de rechtbank dat beroep in al zijn onderdelen heeft verworpen, zijn reeds om die reden geen termen aanwezig tot opheffing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank wijst het verzoek van tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte dan ook af.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte zijn inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven een pistool, een onderdeel van een wapen (de houder) en 2 stuks weegapparatuur.

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van genoemde weegapparatuur gevorderd en de onttrekking aan het verkeer van de overige voorwerpen. De verdediging heeft zich over de genoemde inbeslaggenomen voorwerpen niet uitgelaten.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat de inbeslaggenomen weegapparatuur aan verdachte toebehoorde en dat met behulp daarvan de onder 1. bewezenverklaarde strafbare feiten zijn begaan. Daarmee is aan de wettelijke eis als bedoeld in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht voldaan. De rechtbank zal dan ook deze voorwerpen verbeurd verklaren.

Voor wat betreft het inbeslaggenomen pistool en het onderdeel van een wapen (houder) geldt dat de rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft kunnen vaststellen dat met betrekking tot deze voorwerpen de onder 3. bewezenverklaarde strafbare feiten zijn begaan. Daarmee is aan de wettelijke eis als bedoeld in artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht voldaan. De rechtbank zal dan ook deze voorwerpen onttrekken aan het verkeer.

7.3 De vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Verdachte is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij onherroepelijk geworden arrest van 14 maart 2006 onder parketnummer 22/002925-05 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met bepaling dat een gedeelte van deze straf - groot 12 maanden - niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, aangezien hij zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank zal daarom de tenuitvoerlegging gelasten van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel berusten op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

VERKLAART VERBEURD 2 stuks weegapparatuur;

ONTTREKT AAN HET VERKEER:

een pistool, 9 mm, kleur zwart;

een onderdeel van een wapen (houder), kleur zwart;

GELAST de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 maart 2006 onder parketnummer 22/002925-05; te weten: een gevangenisstraf voor de duur twaalf (12) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema, voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. T. Kooijmans, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 juni 2009.

Mr. Kooijmans is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2006 tot en met 28 mei 2008 te Gorinchem en/of Delft, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks in de periode van 18 augustus 2006 tot en met 28 mei 2008 te Gorinchem een of meer wapens van categorie I, onder 1e, te weten een vlindermes, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij in of omstreeks in de periode van 18 augustus 2006 tot en met 28 mei 2008 te Gorinchem een of meer wapens van categorie II en III, te weten een vuurwapen/pistool (merk Crvena Zastava, kaliber 9mm) (met houder), en/of munitie van categorie II en/of III, te weten elf, althans een (aantal) centraalvuur-kogelpatro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Parketnummer: 11/510071-08

Vonnis d.d. 2 juni 2009