Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BI2094

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
11-710805-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft weloverwogen, koel en berekenend gehandeld tijdens berovingen van oudere vrouwen in de Hoeksche Waard. De rechtbank is van oordeel dat, nu de feiten enigszins gedateerd zijn, verdachte een behandeling ondergaat voor haar persoonlijkheidsproblematiek en de huidige reclasseringsbegeleiding goed lijkt te verlopen, het gerechtvaardigd is af te wijken van de oriëntatiepunten. (Promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/710805-08 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 april 2009

in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te in 1987,

wonende te [adres en woonplaats].

Raadsman mr. M.G. Bannenberg, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 april 2009, waarbij de officier van justitie mr. J.T.F.M. van Krieken, de verdachte en haar raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander of alleen met geweld [slachtoffer 1] (75 jaar) van haar tas heeft beroofd;

Feit 2: samen met een ander of alleen met geweld [slachtoffer 2] (68 jaar) van haar tas heeft beroofd;

Feit 3: heeft geprobeerd om samen met een ander of alleen [slachtoffer 3] (50 jaar) met geweld van haar tas te beroven.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte.

De officier van justitie is van mening dat het geweld bestaat uit het onverhoedse karakter van het benaderen van de slachtoffers door de op een scooter rijdende verdachten. Dit kan als gevaarzettend gezien worden omdat de slachtoffers hierdoor ten val hadden kunnen komen met ernstige ongelukken tot gevolg.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft alle feiten bekend. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 en 2 met uitzondering van het geweld, en feit 3 heeft begaan.

De rechtbank baseert zich hierbij op:

- De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 april 2009;

- De aangifte van [slachtoffer 1];

- De aangifte van [slachtoffer 2];

- De aangifte van [slachtoffer 3].

De rechtbank zal verdachte voor het tenlastegelegde geweld in de feiten 1 en 2 vrij spreken. Het handelen van verdachte en haar mededader bestaat bij deze feiten uit het met de scooter achter / naast de fiets of scootmobiel van het slachtoffer rijden en het vervolgens onverhoeds pakken van een tas uit een mand van deze fiets of scootmobiel. De rechtbank is van oordeel dat, nu er op geen enkele wijze contact is geweest met de slachtoffers, geen sprake is van geweld tegen personen als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor het tenlastegelegde geweld in feit 3 ligt dit anders, omdat het handelen van verdachte hier onder meer heeft bestaan uit het trekken aan de tas van het slachtoffer op hetzelfde moment dat het slachtoffer ook aan de tas trok. Op dat moment heeft er – door het trekken aan de tas - contact plaatsgevonden tussen verdachte en het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden een zodanige (gevaarlijke) duw-trek situatie is ontstaan dat er sprake is van geweld tegen het slachtoffer.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 09 oktober 2006 te 's-Gravendeel tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas kleur zwart, inhoudende een portemonnee en een giropas en een identiteitsbewijs en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 1] 75 jaar;

2.

op 09 oktober 2006 te Strijen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een boodschappentas, inhoudende een portemonnee en passen en een geldbedrag , toebehorende aan [slachtoffer 2] 68 jaar;

3.

op 09 oktober 2006 te Puttershoek, gemeente Binnenmaas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een bruine boodschappentas, toebehorende aan [slachtoffer3] 50 jaar, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld

tegen die [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken met haar mededader met een scooter naast de fiets van die [slachtoffer 3] is gaan rijden en vervolgens een van de hengsels van de tas die zich in een mandje voorop de fiets bevond heeft vastgepakt en aan die bovengenoemde tas heeft getrokken, terwijl die [slachtoffer 3] aan het andere hengsel van de bovengenoemde tas eveneens aan de tas trok, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1. en 2. telkens

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

3.

POGING TOT DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, een eis conform de richtlijnen van acht maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen oplossing is. Rekening houdend met de inbreuk op de rechtsorde in de dorpen in de Hoeksche Waard en de doortrapte manier waarop verdachte en haar medeverdachte de feiten hebben gepleegd kan echter ook niet worden volstaan met enkel een werkstraf of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De officier van justitie vordert daarom op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren en een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen vervangende hechtenis.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte welke zijn gebleken uit de opgemaakte reclasseringsrapportage evenals met haar jeugdige leeftijd. Bij verdachte is borderline vastgesteld en zij is daar momenteel voor onder behandeling. Verdachte neemt nu in ieder geval wel de verantwoordelijkheid voor haar daden. De raadsman verzoekt ook mee te wegen dat het lang heeft geduurd voordat de uiteindelijke inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, wat niet aan verdachte te wijten is. De deuk in de rechtsorde is met deze oude feiten al kleiner geworden.

De raadsman refereert zich voor wat betreft de duur van een voorwaardelijke straf aan het oordeel van de rechtbank en juicht verplicht reclasseringscontact toe. De raadsman ziet gelet op het bovenstaande echter geen aanleiding de gebruikelijke proeftijd van twee jaren te overschrijden. Er is geen bezwaar tegen het opleggen van een werkstraf.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee tasjesroven en één poging daartoe. Verdachte en haar vriendin, tevens medeverdachte, hadden in oktober 2006 weinig geld waarna zij het plan opvatten om dan maar geld van anderen te stelen. Verdachte ging achterop de scooter van haar vriendin zitten en zij reden zo door Dordrecht op zoek naar een slachtoffer. Zij vonden toen geen slachtoffer van wie gemakkelijk de tas gestolen kon worden. Verdachte en haar vriendin zijn de volgende dag naar de Hoeksche Waard gereden omdat zij dachten dat de mensen daar minder alert zouden zijn. In de dorpen daar gebeurde immers niet zo veel.

In Puttershoek hebben zij met de scooter een vrouw op een fiets benaderd en verdachte die achterop zat heeft toen geprobeerd de tas uit de mand voorop te pakken. Omdat het slachtoffer de tas op dat moment ook vasthield is de diefstal mislukt.

Vervolgens zijn verdachte en haar vriendin naar Strijen gereden waar zij een oudere vrouw, die later 68 jaar bleek te zijn, op een fiets zagen rijden. Verdachte heeft toen van achterop de scooter de tas uit de mand van deze vrouw gepakt en zij zijn daarna snel weggereden. Een getuige kwam hen achterna en heeft de tas teruggevraagd. Omdat de verdachten de tas hebben teruggegeven, hadden zij nog steeds geen buit binnen.

De verdachten zijn ten slotte naar ’s-Gravendeel gereden waar zij een oude vrouw, die later 75 jaar bleek, op een scootmobiel zagen rijden. Zij zijn de vrouw genaderd en verdachte heeft toen van achterop de scooter de tas van de vrouw uit het mandje voorop de scootmobiel gepakt, waarna zij hard zijn weggereden. De verdachten hebben vervolgens van het geld getankt, bij de Mac Donalds gegeten en sigaretten gekocht.

Het spreekt voor zich dat deze feiten grote onrust teweeg hebben gebracht in de maatschappij. Crimineel gedrag van jongeren is het onderwerp van gesprek tegenwoordig, en verdachte heeft met haar handelen bijgedragen aan de negatieve beeldvorming die op dat gebied leeft.

De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat zij zeer weloverwogen te werk is gegaan door speciaal naar de relatief rustiger dorpen te rijden, omdat de mensen daar dit soort feiten niet verwachtten en het stelen dus wat makkelijker zou gaan. Nu verdachte ook nog specifiek gezocht heeft naar de wat oudere dames, van wie de tas gemakkelijk te pakken was, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verdachte zeer doordacht, koel en berekenend te werk is gegaan. Zij heeft alleen maar oog gehad voor de uiteindelijke opbrengst en misbruik gemaakt van de ouderdom en het vertrouwen van de slachtoffers.

Desgevraagd kan verdachte geen andere verklaring voor haar gedrag geven, dan dat zij met haar domme hoofd is meegegaan. De rechtbank vindt het positief dat verdachte nu wel de ernst van de feiten lijkt in te zien en verantwoordelijkheid toont voor haar daden.

De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen in beginsel zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals in de oriëntatiepunten is opgenomen.

De rechtbank kijkt echter naast de ernst van de feiten ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportage d.d. 12 december 2008 is de rechtbank gebleken dat verdachte heeft te kampen met een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte is onder behandeling bij Bavo Europoort en zij staat tevens onder reclasseringsbegeleiding die wordt gekenmerkt door een solide plan van aanpak. Gelet op de gesignaleerde probleemgebieden en de justitiële documentatie van verdachte wordt recidive niet uitgesloten. Geadviseerd wordt aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de voortzetting van verplicht reclasseringscontact.

De feiten dateren van oktober 2006. Sindsdien is verdachte eenmaal veroordeeld, zodat toepassing van artikel 63 Wetboek van Strafrecht aan de orde is. De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte naast deze veroordeling geen andere zaken op haar strafblad heeft staan.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de feiten enigszins gedateerd zijn, verdachte een behandeling ondergaat voor haar persoonlijkheidsproblematiek en de huidige reclasseringsbegeleiding goed lijkt te verlopen, het gerechtvaardigd is af te wijken van de oriëntatiepunten.

De rechtbank acht het, conform het advies van de reclassering, wel noodzakelijk een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met verplicht reclasseringscontact als bijzonder voorwaarde. Deze voorwaardelijke straf voor de duur van zes maanden dient enerzijds als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen en anderzijds om het door de rechtbank noodzakelijk geachte reclasseringstoezicht, voor langere tijd voort te zetten. De rechtbank ziet anders dan de officier van justitie, gezien de inhoud van het reclasseringsrapport en de ouderdom van de feiten, geen aanleiding een langere proeftijd dan twee jaren te gelasten.

De rechtbank heeft al aangegeven dat zij de omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden bijzonder kwalijk vindt. Reden waarom de rechtbank naast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf ook een werkstraf van honderd uren zal opleggen.

Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het tenlastgelegde geweld in de feiten 1 en 2, overstijgt de op te leggen straf de eis van de officier van justitie. De rechtbank is echter van mening dat een lagere straf dan geëist onvoldoende recht zou doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1]vordert een schadevergoeding van EUR 221,00 voor feit 1.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Verdachte heeft zich bereid verklaard de schade te vergoeden.

De raadsman heeft verzocht verdachte niet hoofdelijk aansprakelijk te stellen, maar verdachte en haar medeverdachte beiden de helft van het bedrag te laten betalen.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1]als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit 1 rechtstreeks schade heeft geleden, de verdachte terzake straf zal worden opgelegd en de verdachte noch de aansprakelijkheid voor noch de omvang van de gevorderde schadevergoeding heeft betwist, zal de vordering integraal worden toegewezen.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Nu verdachte het desbetreffende strafbare feit met een ander heeft gepleegd en er derhalve van moet worden uitgegaan dat deze persoon mede aansprakelijk is voor de door dit feit veroorzaakte schade, zal worden verstaan dat verdachte terzake hoofdelijk is verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van het slachtoffer voorop dient te staan bij toewijzing van de vordering. Hoe verdachte en haar medeverdachte de schadevergoeding onderling regelen, is zowel voor de rechtbank als voor het slachtoffer niet van belang.

De rechtbank is van oordeel dat verdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn, en ziet geen aanleiding om dit, zoals de raadsman heeft aangevoerd, voor de praktische afwikkeling van de schadevergoeding voor verdachte anders te regelen. Verdachte zegt verantwoordelijkheid te nemen voor haar daden en een goede afwikkeling van de schade maakt daar deel van uit.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel berusten op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 310, 311 en 312 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een GEVANGENISSTRAF van ZES (6) MAANDEN, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Stichting Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- veroordeelt verdachte tot een WERKSTRAF van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van EUR 221,00 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] EUR 221,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Duinhof, voorzitter,

mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. T. Kooijmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Herlaar griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 april 2009

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

zij op of omstreeks 09 oktober 2006 te 's-Gravendeel tezamen en in vereniging

met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een tas (kleur zwart), inhoudende een

portemonnee en/of meerdere, althans een (giro)pas(sen) en/of een

identiteitsbewijs en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (75 jaar), in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of haar mededader, welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan haar mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging

met geweld hierin bestond(en) dat zij en/of haar mededader met een scooter

naast (de scootmobiel van) die [slachtoffer 1]is/zijn gaan rijden en/of vervolgens

(onverhoeds) uit het mandje voorop de scootmobiel de bovengenoemde tas

heeft/hebben gepakt;

2.

zij op of omstreeks 09 oktober 2006 te Strijen tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een (boodschappen)tas, inhoudende een portemonnee en/of meerdere,

althans een pas(sen) en/of een geldbedrag , in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] (68 jaar), in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader, welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij en/of haar mededader

(met hoge snelheid) met een scooter naast/langs de fiets van die [slachtoffer 2] is/zijn gaan rijden en/of vervolgens (onverhoeds) de bovengenoemde

(boodschappen)tas uit de boodschappenmand (bevestigd aan de voorzijde van de

fiets) van die [slachtoffer 2]heeft/hebben gepakt;

3.

zij op of omstreeks 09 oktober 2006 te Puttershoek, gemeente Binnenmaas, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening weg te nemen een (bruine) (boodschappen)tas, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 3] (50 jaar), in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of haar mededader, en daarbij die voorgenomen diefstal te

doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een

of meer van haar mededader, althans alleen met een scooter naast (de fiets

van) die [slachtoffer 3]is/zijn gaan rijden en/of vervolgens (een van de hengsels

van) de tas die zich in een mandje voorop de fiets bevond heeft/hebben

vastgepakt en/of aan die bovengenoemde tas heeft/hebben getrokken, terwijl die

[slachtoffer 3] (aan het andere hengsel van de bovengenoemde tas) eveneens (aan) de

tas vasthield/trok, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;