Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BI1656

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
11/500528-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedragsbeïnvloedende maatregel. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal ernstige strafbare feiten. Zo heeft hij zich – al dan niet samen met zijn vrienden – schuldig gemaakt aan een drietal diefstallen, al dan niet voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, een drietal woninginbraken en een bedrijfsinbraak. De adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming, die van de jeugdreclassering en van drie gedragsdeskundigen, de ernst en de veelvuldigheid van de door verdachte begane misdrijven alsmede de problematiek van verdachte geven aanleiding tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige. De rechtbank is van oordeel dat de het bovengenoemde oplegging van de maatregel rechtvaardigt en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/500528-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1992,

wonende te [adres en woonplaats].

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 02 april 2009, waarbij de officier van justitie, mr. W.A. van Natijne en de verdachte en zijn raadsman, mr. K. Wijnmalen, advocaat te Dordrecht, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 9 maanden, inhoudende begeleiding door Bureau Jeugdzorg, behandeling bij de poli van Delta Bouman en eventuele behandeling bij De Grote Rivieren. Aan de maatregel gekoppeld heeft de officier van justitie om een evaluatie na verloop van een bepaalde tijd verzocht.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen jeugddetentie en jeugddetentie voor de duur van 200 dagen waarvan 160 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden geacht, met uitzondering van het “duwen” in feit 2 en feit 8.

Met betrekking tot feit 2 voert de raadsman aan dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] ontkennen dat er sprake is geweest van duwen van het slachtoffer. Derhalve is hij van mening dat er sprake is van onvoldoende bewijs en er vrijspraak van verdachte moet volgen wat betreft dit onderdeel van de tenlastelegging. Met betrekking tot het onder feit 8 ten laste gelegde, betoogt de raadsman dat de verdachte dit feit van begin af aan stellig heeft ontkend, terwijl verdachte alle overige feiten wel heeft bekend. Nu medeverdachten hebben verklaard dat verdachte wel aanwezig was bij dit feit refereert de raadsman zich subsidiair aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer 5], [adres en woonplaats].

Zij vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van Eur 497,97, ter zake van materiële schadevergoeding.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer 4], [adres en woonplaats].

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van Eur 2.000,00 ter zake van materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] dient volgens de raadsman niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vordering, nu er te weinig gegevens zijn aangeleverd om deze te kunnen onderbouwen. De benadeelde partij [slachtoffer 5] dient tevens niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vordering volgens de raadsman, aangezien de opgevoerde kosten gevolgen zijn van feiten die niet ten laste zijn gelegd aan verdachte.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij niet de overtuiging bekomen dat verdachte feit 8 heeft begaan, en acht dit feit derhalve niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dat feit.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 23 april 2008 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugtas, inhoudende oa een portemonnee en een geldbedrag en een cheque en meerdere pasjes en een mobiele telefoon en een paraplu toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken , welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, of zijn mededader) meermalen, althans eenmaal,

- de doorgang heeft geblokkeerd en

- de fiets van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en vastgehouden (waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam) en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Geld, geld. Ik wil je geld" en

- tegen die [slachtoffer 1] en de fiets van die [slachtoffer 1] heeft getrapt of geschopt.

2.

op 23 april 2008 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken , welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, of zijn mededader meermalen, tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geduwd.

3.

op 16 september 2008 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een televisie, toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming.

4.

op 23 oktober 2007 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een laptop en een systeemkast en een beeldscherm toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming.

5.

op meerdere tijdstippen in de periode van 27 december 2007 tot en met 19 april 2008 te Dordrecht meermalen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijf gelegen aan [adres] heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en geld, toebehorende aan [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], en wel:

- omstreeks 27 december 2007 , een geldbedrag (ongeveer 30 Euro) en een portemonnee (inhoudende een ID-bewijs en een geldbedrag) en een telefoonoplader en een telefoon, (zaak 5) en

- in de periode van 08 maart 2008 tot en met 10 maart 2008, een geldlade en een geldbedrag (ongeveer 15 Euro), (zaak 7) en

- omstreeks 18 april 2008 , een geldbedrag (ongeveer 20 Euro), (zaak 8)

waarbij verdachte en zijn mededaders (telkens) zich de toegang tot de plaats des misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming.

6.

omstreeks 27 december 2007 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen gereedschap en etenswaren en (fris)drank, toebehorende aan [slachtoffer 7], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des

misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming.

7.

op 21 augustus 2008 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fotocamera en een geldkistje (inhoudende ongeveer 100 Euro), toebehorende aan Da Vinci College.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4 Nadere bewijsoverweging

Verdachte heeft aangevoerd dat bij de beroving van de heer [slachtoffer 2] (feit 2) niet is geduwd. Volgens de rechtbank is dat echter wel het geval geweest, nu het slachtoffer zelf verklaart te hebben gevoeld dat hij geduwd werd en tussen de daders – blijkens de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] – tevoren ook zou zijn afgesproken dat verdachte de man “zou gaan duwen”.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1. DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

2. DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

3. DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN INKLIMMING;

4. DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN INKLIMMING;

5. DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN INKLIMMING, MEERMALEN GEPLEEGD;

6. DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN INKLIMMING;

7. DIEFSTAL.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De rapporten van deskundigen

Uit het door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 22 januari 2009 komt – samengevat – het volgende naar voren. Verdachte leed ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Er is bij hem sprake van een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO en van afhankelijkheid van cannabis. De pervasieve ontwikkelingsstoornis brengt ernstige sociaal-emotionele beperkingen met zich mee. Daardoor stemt verdachte zijn gedrag niet goed af en mist hij een belangrijk instrument om zijn impulsen te beheersen. Het ten laste gelegde kan hem daarom in verminderde mate worden toegerekend.

De rechtbank volgt de conclusies van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en dit rapport, voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten slechts in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Uit het door de heer P. van Boven, jeugdreclasseerder Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, over verdachte uitgebracht rapport van 12 januari 2009 komt onder meer naar voren dat blowen de belangrijkste oorzaak was van de gepleegde feiten en dat het verdachte nog steeds moeite kost om daar van af te blijven. Het recidiverisico is hoog. Verdachte is een gesloten jongen die moeilijk over zichzelf praat. Er zijn aanwijzingen dat er bij hem sprake is van de stoornis PDD-NOS.

Rapporteur, drs. Zwegers, geeft de voorkeur aan het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel (verder: GBM) omdat begeleiding, behandeling en aanpassing van leefomstandigheden bij verdachte een intensief en langdurig traject zal zijn, waarbij men op weinig intrinsieke motivatie van verdachte kan rekenen.

Uit het door dhr. G.J. van de Weg van de Raad voor de Kinderbescherming over verdachte uitgebracht rapport van 22 maart 2009 komt het volgende naar voren. Overwogen is een ondertoezichtstelling maar dat lijkt niet het aangewezen kader. Gezien zijn ontwikkelingsniveau is verdachte gevoelig voor duidelijke regels en onmiddellijk ingrijpen door derden. Een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel wordt niet zinvol geacht omdat verdachte op meerdere terreinen (school en thuis) momenteel goed functioneert. De GBM is nodig. Daarbij moet verdachte zich houden aan aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg, ook als dat inhoudt deelname aan ITB-Harde Kern, het volgen van behandeling bij BoumanGGZ en/of De Grote Rivieren. Daarnaast dient het omgangsverbod te worden gehandhaafd met de groep jongens waarmee verdachte de delicten heeft gepleegd.

Het rapport raadsonderzoek kent als bijlage een verslag dat op 17 maart 2009 is opgesteld en ondertekend door drs. E.J.M. Ratering en drs. R.H. de Bruin, gedragskundigen/GGZ-psychologen, van een met verdachte en diens vader gevoerd gesprek.

Een ondertoezichtstelling achten rapporteurs niet de beste oplossing omdat verdachte weinig gevoelig is voor zorggerichte argumenten, maar wel voor duidelijke regels en afspraken. De maatregel Hulp en Steun is minder geschikt omdat deze niet goed kan voorzien in een geïntegreerd hulpaanbod met verschillende behandeldoelen. De GBM is in zijn belang, omdat verdachte een stok achter de deur nodig heeft in de vorm van (dreiging met) detentie. Vooral dat houdt hem af van recidive.

Tot slot is van belang het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 31 maart 2009 uitgebracht door mevrouw R. van Gils. Daarin wordt aanbevolen, mede namens de jeugdreclassering, aan verdachte de GBM op te leggen voor de duur van 9 maanden, bestaande uit:

- begeleiding van Bureau Jeugdzorg, jeugdreclassering Dordrecht;

- behandeling op de jeugdpoli van Delta Bouman;

- naar aanleiding van het onderzoek van Bouman bezien of verder behandeling binnen De Grote Rivieren noodzakelijk is.

7.2 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal ernstige strafbare feiten. Zo heeft hij zich – al dan niet samen met zijn vrienden – schuldig gemaakt aan een drietal diefstallen, al dan niet voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, een drietal woninginbraken en een bedrijfsinbraak.

Berovingen, al dan niet voorafgegaan en vergezeld van geweld, vormen een grote inbreuk op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers. Het spreekt dan ook voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor de slachtoffers een bijzonder nare ervaring moet zijn geweest, waar zij (mogelijk) nog jaren hinder van kunnen ondervinden. Een effect dat grotendeels versterkt wordt door het feit dat verdachte veelal samen met anderen te werk ging. Ook in de samenleving in het algemeen veroorzaakt dit soort feiten gevoelens van angst en onveiligheid. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier te proberen om aan geld te komen.

Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht.

De adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming, die van de jeugdreclassering en van 3 gedragsdeskundigen, zoals weergegeven in paragraaf 7.1, de ernst en de veelvuldigheid van de door verdachte begane misdrijven alsmede de problematiek van verdachte geven aanleiding tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige. De rechtbank is van oordeel dat de het bovengenoemde oplegging van de maatregel rechtvaardigt en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Verdachte verdient wellicht een laatste kans op hulp, welke hulp hem met behulp van deze maatregel op maat aangeboden kan worden. De rechtbank zal het gegeven advies, om de gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van negen maanden aan verdachte op te leggen, opvolgen.

Ter zitting is door een deskundige, casusregisseur bij de Raad voor de Kinderbescherming, nog aangegeven dat 9 maanden voldoende moet zijn om het plan van aanpak uit te voeren. Meer is niet nodig, minder volstaat mogelijk niet.

De rechtbank heeft nota genomen van het verzoek tot tussentijdse evaluatie van de gedragsbeïnvloedende maatregel na een periode van 3 maanden. Zij acht zichzelf echter niet aangewezen om hier enige uitspraak over te doen.

De rechtbank is tevens van oordeel dat er sprake moet zijn van een stok achter de deur voor de periode na afloop van de gedragsbeïnvloedende maatregel ter voorkoming dat de verdachte weer strafbare feiten gaat plegen. Derhalve acht zij een deels voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van Hulp en Steun vanuit de jeugdreclassering noodzakelijk.

8 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van Eur 2.000,00 voor het onder feit 4 ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van Eur 195,00, die ziet op reparatiekosten aan een raam, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die materiële schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voor het overige gevorderde, te weten kosten in verband met een gestolen laptop en computer, acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende onderbouwd. Onduidelijk is waar het bedrag van Eur 2.000,00 voor het overige op ziet, mede nu vanuit de verzekering een bedrag van Eur 2.105,67 is uitgekeerd. Ook voor wat betreft gederfde inkomsten voor de duur van 2 dagen ontbreekt enige vorm van onderbouwing.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor laatstgenoemd deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert een schadevergoeding van Eur 497,97 voor feit 4. Dit betreffen gemaakte telefoonkosten doordat met de telefoon van [slachtoffer 6] naar een 0900-nummer is gebeld.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de schade door het bewezen verklaarde is toegebracht. Slechts de diefstal van de telefoon is ten laste gelegd aan verdachte, niet de handelingen die daarmee mogelijk zijn verricht. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel berusten op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 8 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- legt te dier zake aan verdachte voorts op de maatregel betreffende het gedrag van de

jeugdige voor de duur van negen maanden, die bestaat uit:

* het zich houden aan de aanwijzingen van de Stichting Bureau Jeugdzorg;

* het volgen van behandeling bij de jeugdpoli Delta Bouman;

* het eventueel volgen van behandeling bij De Grote Rivieren;

- beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van negen maanden;

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, waarvan 160 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering, te weten Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland te Dordrecht, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van Eur 195,00, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] Eur 195,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Hameete, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen en mr. L.C. van Walree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 april 2009.

Mr. A.P. Hameete is niet in staat het vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

(zaak 1)

hij op of omstreeks 23 april 2008 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugtas, inhoudende oa een portemonnee en/of een geldbedrag en/of een cheque en/of een of meerdere pasje(s) en/of een mobiele telefoon en/of een paraplu, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal,

- uit de bosjes is gesprongen en/of de doorgang heeft geblokkeerd en/of

- de fiets van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of vastgehouden (waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam) en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Geld, geld. Ik wil je geld" en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of de fiets van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of geschopt;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

(zaak 2)

hij op of omstreeks 23 april 2008 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geduwd;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

(zaak 3)

hij op of omstreeks 16 september 2008 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een televisie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

(zaak 4)

hij op of omstreeks 23 oktober 2007 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen een laptop en/of een systeemkast en/of een beeldscherm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

(zaak 5 + 7 + 8)

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 december 2007 tot en met 19 april 2008 te Dordrecht meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijf gelegen aan [adres] heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en/of geld, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en wel:

- op of omstreeks 27 december 2007 en/of 28 december 2007, een geldbedrag (ongeveer 30 Euro) en/of een portemonnee (inhoudende een ID-bewijs en/of een geldbedrag) en/of een telefoonoplader en/of een of meerdere telefoon(s), in elk geval enig goed, (zaak 5) en/of

- in of omstreeks de periode van 08 maart 2008 tot en met 10 maart 2008, een geldlade en/of een geldbedrag (ongeveer 15 Euro), in elk geval enig goed, (zaak 7) en/of

- op of omstreeks 18 april 2008 en/of 19 april 2008, een geldbedrag (ongeveer 20 Euro), in elk geval enige goed, (zaak 8)

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

(zaak 6)

hij op of omstreeks 27 december 2007 en/of 28 december 2007 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan [adres] heeft weggenomen gereedschap en/of etenswaren en/of (fris)drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

7.

(zaak 12)

hij op of omstreeks 21 augustus 2008 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fotocamera en/of een geldkistje (inhoudende ongeveer 100 Euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Da Vinci College, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

8.

(zaak 13)

hij op of omstreeks 25 januari 2008 en/of 26 januari 2008 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand gelegen aan [adres] heeft weggenomen een computer en/of gereedschap en/of een rookzuiveringsapparaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Dordtmij BV en/of Gemeente Dordrecht, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht