Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BI1654

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
11/500016-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Verdachte heeft haar levensgezel in de hals(streek) gestoken met een mes. De aard van het wapen en de plaats van het letsel dusdanig dat dit ernstig bloedverlies kan veroorzaken waardoor het slachtoffer als gevolg daarvan kan komen te overlijden. In onderhavig geval wordt in zeer sterk strafverminderende zin meegewogen dat de verwonding volledig onbedoeld lijkt te zijn toegebracht (zij het dat verdachte zich wel van de risico’s bewust had moeten zijn). Ook weegt sterk in het voordeel van verdachte dat zij en het slachtoffer nog steeds samenleven en dat het slachtoffer – gezien zijn optreden ter zitting – er kennelijk ook heel aan hecht dat verdachte niet te zwaar wordt afgerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/500016-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1966,

wonende te [adres en woonplaats].

Raadsvrouw, mr. C.E. Koopmans, advocaat te Oud-Beijerland.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 02 april 2009, waarbij de officier van justitie, mr. D. van der Sluis, de verdachte en haar raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij. Het slachtoffer heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair

Op 11 januari 2009 te Dordrecht opzettelijk heeft geprobeerd haar levensgezel, [benadeelde partij], van het leven te beroven door hem met een mes in diens hals(streek) te steken.

Subsidiair

Op 11 januari 2009 te Dordrecht opzettelijk heeft geprobeerd haar levensgezel, [benadeelde partij], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in diens hals(streek) te steken.

Meer subsidiair

Op 11 januari 2009 te Dordrecht opzettelijk haar levensgezel, [benadeelde partij], heeft mishandeld door hem met een mes in diens hals(streek) te steken.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Mr. D. van der Sluis acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Zij baseert zich hierbij op de verklaring van de heer [benadeelde partij] (pagina 15 e.v. van het dossier), het proces-verbaal van bevindingen (pagina 29 e.v. van het dossier), de verklaring van verdachte (pagina 35 e.v. van het dossier) en de medische verklaring van de GGD-arts, waaruit blijkt dat als er sprake zou zijn geweest van een iets diepere wond, dat dit zeer fors bloedverlies tot gevolg zou hebben. Volgens de officier is er sprake van een tweetal verhaallijnen, te weten de verhaallijn voortvloeiend uit de verklaringen van [benadeelde partij] en de verdachte, zoals ze direct na het incident zijn afgelegd tegenover de politie - inhoudende dat verdachte het mes pakte en het slachtoffer in de hals stak - en de verhaallijn dat er sprake zou zijn geweest van een ongeluk, waarbij de samenloop van omstandigheden dat het slachtoffer naar voren kwam op het moment dat verdachte met het mes zat te spelen en geen besef had van de plaats waar het slachtoffer werd geraakt, zoals ter terechtzitting en tegenover de Reclassering is verklaard. De officier van justitie acht de eerste verhaallijn geloofwaardiger. Doordat de verdachte het mes bewust heeft gepakt, dit heeft open geklikt en het slachtoffer in de hals heeft gestoken, is er volgens de officier van justitie sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dusdanig letsel dat hiermee de dood van het slachtoffer in zou kunnen treden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat vast staat dat de verdachte en haar levensgezel thuis waren, dat er was gedronken en dat verdachte heeft verklaard dat zij [benadeelde partij] heeft gestoken. Tegenover de politie heeft de verdachte verklaard dat zij zich moest verdedigen en ter terechtzitting dat het raken van het slachtoffer met het mes per ongeluk ging. Hoewel de raadsvrouw erkent dat er sprake is van een tweetal verhaallijnen, merkt zij op dat uit beide verhaallijnen blijkt dat de opzet op het verwonden van [benadeelde partij] ontbreekt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt verdachte aan de verklaring die zij tegenover de politie - en overigens ook enkele dagen later bij de rechter-commissaris - heeft afgelegd.

Verdachte heeft met een mes een stekende beweging gemaakt in de richting van het slachtoffer. Het slachtoffer werd daarbij geraakt in zijn hals(streek) en heeft letsel opgelopen aan zijn hals. Het is een feit van algemene bekendheid dat het steken met een mes in de hals(streek) dusdanig letsel en bloedverlies kan veroorzaken dat het slachtoffer als gevolg daarvan kan komen te overlijden. De hiervoor omschreven handelingen zijn daarmee te definiëren als uitvoeringshandelingen van doodslag. De aard van het wapen en de handelingen van verdachte moeten qua verschijningsvorm ook geacht worden daarop gericht te zijn geweest. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden en heeft zij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen, ook al is de verwonding waarschijnlijk toegebracht doordat zij in een reflex heeft uitgehaald.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 januari 2009 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten de heer [benadeelde partij] (zijnde haar levensgezel) van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij] (éénmaal) met een mes, in diens hals(streek) te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

POGING TOT DOODSLAG

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen te geven door de Reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis op te leggen met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd het in beslaggenomen mes te onttrekken aan het verkeer.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het letsel gelukkig beperkt is gebleven en dat de relatie voortduurt en beter is dan voor het gebeuren. Bovendien ontbreekt de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk of zelfs dodelijk letsel, zodat de raadsvrouw het meer subsidiaire ten laste gelegde bewezen acht zij verzoekt schuldig verklaring zonder oplegging van straf of maatregel of tot een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde het volgen van de aanwijzingen van de Reclassering. Een werkstraf heeft volgens de raadsvrouw geen meerwaarde, aangezien verdachte dagelijks druk aan het werk is.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes te steken in de hals(streek). Slechts door een gelukkig toeval is een en ander voor het slachtoffer niet met fatale gevolgen geëindigd.

Geweldsfeiten zoals de onderhavige hebben in het algemeen een grote impact op de slachtoffers ervan en kunnen leiden tot langdurige psychische schade. Dit is zeker zo indien de feiten, zoals in dit geval, in de huiselijke sfeer worden gepleegd. Ook in de samenleving veroorzaken dergelijke delicten gevoelens van angst en onveiligheid. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat in onderhavige situatie het element vergelding geen rol speelt, doordat het slachtoffer een verzoek heeft ingediend tot het afzien van vervolging.

Wat de persoon van verdachte betreft heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de omstandigheden zoals ter terechtzitting gebleken, het voorlichtingsrapport van BoumanGGZ, d.d. 10 maart 2009, dat over verdachte is uitgebracht en het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit met justitie in aanraking is geweest.

Uit het door K. Burnet, reclasseringswerker bij Bouman GGZ Reclassering, over verdachte uitgebracht rapport van 10 maart 2009 komt naar voren dat de kans op herhaling gemiddeld moet worden ingeschat. Dit omdat er op een aantal leefgebieden problemen zijn. Daarom wordt ook reclasseringstoezicht aanbevolen en een plan van aanpak voorgesteld, dat onder meer voorziet in ambulante behandeling bij BoumanGGz. Verder is op 02 februari 2009 door BoumanGGZ een gespreksverslag ingediend waarin is gewezen op een eerdere behandeling die verdachte vrijwillig al heeft gevolgd en wat daarbij toen haar klachten waren.

Als uitgangspunt voor de bestraffing van een poging tot doodslag hanteert de rechtbank in het algemeen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden (waarvan 6 maanden voorwaardelijk). In dit geval wordt in zeer sterk strafverminderende zin meegewogen dat de verwonding volledig onbedoeld lijkt te zijn toegebracht (zij het dat verdachte zich wel van de risico's bewust had moeten zijn). Ook weegt sterk in haar voordeel dat zij en het slachtoffer nog steeds samenleven en dat het slachtoffer - gezien zijn optreden ter zitting - er kennelijk ook heel aan hecht dat verdachte hierop niet te zwaar wordt afgerekend en dat het wat hem betreft allemaal wel meevalt. De rechtbank vindt de eis van de officier van justitie, hoewel terecht voor wat betreft de gekozen modaliteit, toch nog te weinig recht doen aan het feit dat verdachte een 40-urige werkweek heeft en ook intensieve therapie en begeleiding moet gaan volgen.

In het rapport van BoumanGGZ wordt geadviseerd in het kader van een op te leggen straf een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact. De rechtbank kan zich in het advies vinden en zij zal dit dan ook verdisconteren in de op te leggen straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren noodzakelijk is. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

1.00 STK mes, zakmes, kleur bruin

Gebleken is dat het feit is begaan met betrekking tot het voorwerp. Verder is het voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36b, 36c, 45, 287, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het primaire ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 1;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen, mr. L.C. van Walree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 april 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

zij op of omstreeks 11 januari 2009 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [benadeelde partij] (zijnde haar levensgezel) van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij] (éénmaal) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in diens hals(streek) te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 11 januari 2009 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [benadeelde partij] (zijnde haar levensgezel), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij] (éénmaal) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in diens hals(streek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 11 januari 2009 te Dordrecht opzettelijk mishandelend haar levensgezel, althans een persoon, te weten [benadeelde partij], (éénmaal) in diens hals(streek) heeft gestoken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht