Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BI1651

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
11/500014-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belaging, verdachte heeft gedurende 3 maanden een gezin bestaande uit een moeder en drie dochters in de nachtelijke uren lastig gevallen door bij hun woning aan te bellen en vervolgens weg te lopen. Hierdoor zijn gevoelens van angst en onveiligheid opgewekt, die zelfs zover gingen dat de slachtoffers zich niet meer veilig voelden in hun eigen huis. De levensvrijheid en -vreugde van de slachtoffers werd daardoor aangetast. Verdachte heeft bekend en oprecht berouw getoond. Hij erkent hulp nodig te hebben en houdt zich goed aan de afspraken met de Reclassering. Omdat behandeling door De Waad nog maar in een pril stadium is, en de Reclassering de tijd moet krijgen goed vat op verdachte te krijgen, stelt de rechtbank de proeftijd, met betrekking tot het voorwaardelijke deel van de straf, vast op een periode van drie jaar. Zo kan verdachte eveneens gedurende de tijd die daarvoor nodig is, hulp en steun krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/500014-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1985,

wonende te [adres en woonplaats].

Raadsvrouw, mr. M.C.J. Fleur, advocaat te Leerdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 02 april 2009, waarbij de officier van justitie, mr. D. van der Sluis, en de verdachte en zijn raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

In de periode van 01 september 2008 tot en met 15 december 2008 te Leerdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door telkens (in de nachtelijke uren) meerdere malen aan te bellen bij hun woning.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht een klachtdelict vormt. Hoewel de [slachtoffer 2, 3, 4] zeer recentelijk klachten hebben ingediend, hebben zij geen aangifte gedaan, zoals volgens artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering is vereist. Als gevolg hiervan is de raadsvrouw van mening dat de klachten van de dochters niet meegenomen dienen te worden en hun namen weggestreept dienen te worden uit de tenlastelegging.

3.2 Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de raadsvrouw heeft de rechtbank het verweer met betrekking tot van het ontbreken van aangiftes van de [slachtoffer 2, 3, 4] opgevat als een ontvankelijkheidsverweer. Krachtens artikel 285b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht vindt vervolging wegens belaging niet plaats dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Reden waarom dit klachtvereiste wordt gesteld, is dat bij vervolging wegens belaging de privacy van het slachtoffer in het gedrang kan komen. Die gedachte zou worden ondergraven indien op grond van een klacht van één klachtgerechtigde, vervolging zou worden ingesteld voor feiten die tevens zijn begaan jegens andere klachtgerechtigden. Vanuit die gedachtegang kan bij het tenlasteleggen van belaging van meerdere slachtoffers niet worden volstaan met één klacht, aldus de Hoge Raad (HR 02 november 2004, LJN AQ4289). De klacht bestaat ingevolge artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering uit een aangifte en een verzoek tot vervolging. In onderhavige situatie hebben de [slachtoffer 2, 3, 4] weliswaar een verklaring afgelegd over de impact die het handelen van verdachte op hun vrijheid en levenssfeer heeft gehad en hebben zij een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging kenbaar gemaakt, echter zij hebben geen aangifte gedaan. Door het afleggen van deze verklaringen, gevolgd door het indienen van een klacht hebben zij naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt dat zij vervolging wensen. In het verlengde van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de [slachtoffer 2, 3, 4] in combinatie met het uitdrukkelijke verzoek tot vervolging opgevat kan worden als een klacht krachtens artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering. Derhalve staat het ontbreken van aangiften niet aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie en vervolgbaarheid van het feit in de weg. De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Mr. D. van der Sluis acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaringen van haar [slachtoffer 2, 3, 4], woonachtig aan de [adres en woonplaats]. Bovendien heeft de verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij gedurende een aantal maanden meermalen 's nachts heeft aangebeld bij het gezin dat woonachtig was op de [adres en woonplaats].

Hoewel de periode waarin het gezin zou zijn lastiggevallen, zoals genoemd in de aangifte, en de door verdachte opgegeven periode uiteen lopen, heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de periode dat het aanbellen intensiveerde en [slachtoffer 1] en haar dochters de meeste overlast hebben ondervonden. Vanaf dat moment werd zo vaak aangebeld dat sprake was van stelselmatig lastigvallen, aldus de officier van justitie. De officier van justitie is voorts van mening dat er op grond van bovengenoemde verklaringen bewezen kan worden dat er sprake is geweest van een situatie waarin moeder en dochters dit aanbellen 's nachts moesten dulden. Volgens haar is er derhalve sprake van dulden en van vrees aanjagen.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie en zijn verklaring afgelegd tijdens de zitting van 02 april 2009;

- de aangifte van [slachtofffer 1];

- de verklaring van [slachtoffer 2];

- de verklaring van [slachtoffer 3];

- de verklaring van [slachtoffer 4].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1 september 2008 tot en met 15 december 2008 te Leerdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ((allen) wonende aan de [adres]), met het oogmerk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2, 3, 4] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, telkens (in de nachtelijke uren) aangebeld bij hun woning.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

BELAGING

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De rapporten van de deskundige

Uit het door A.H. Meek, psycholoog, over verdachte uitgebrachte rapport van 13 maart 2009 komt naar voren dat er sprake is van een man bij wie op het vlak van met name de verbale intelligentie duidelijke beperkingen zijn vastgesteld.

De deskundige schrijft onder meer dat in de huidige meting een benedengemiddeld en op onderdelen zwakbegaafd niveau is bepaald. Zijn autonomie en individuatie zijn beperkt. Verdachte is een man met cognitieve beperkingen en tekortkomingen op het gebied van contactlegging, die mogelijk (gedeeltelijk) binnen een ASS-kader (Autistisch Spectrum Stoornis) geduid kunnen worden (dit was ook ten tijde van het ten laste gelegde). Door de combinatie van beperkingen is hij met name bij de intrede van de volwassen wereld toenemend in de problemen geraakt. De verdachte heeft grote problemen met het aangaan van relaties met vrouwen/meisjes. Zijn behoefte blijft evenwel bestaan en mede als gevolg van middelengebruik komt hij tot impulsieve acties die kant noch wal raken. Er is zeker een verband tussen het ten laste gelegde en de specifieke tekorten van verdachte.

Er bestaat nog enige onduidelijkheid over het aandeel van ASS in de problematiek bij verdachte. De deskundigen van De Waag zien daarvoor aanwijzingen. In het huidige onderzoek worden die ook gezien maar er zijn ook tegenargumenten. Het punt van de cognitieve beperking wordt gedeeld. Over dit onderwerp is contact geweest met De Waag. De Waag zal waarschijnlijk de laatste weken van maart 2009 zijn diagnostiek op dat punt kunnen afronden. Hierbij maken zij met name nog gebruik van een exploratie van de vroegere jeugd van verdachte. Ondergetekende sluit een ASS problematiek dus zeker niet definitief uit.

De verdachte moet volledig toerekeningsvatbaar geacht worden omdat hij al betrokken was in een vorm van hulpverlening, hij een agressieregulatietraject had gevolgd, wist dat er een proefperiode was bepaald en hem al enige compensatie was geboden voor zijn zwakten.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat gezien het feit dat uit het psychologisch rapport blijkt dat de verdachte een laag IQ heeft, beperkt in staat is om oplossingen te kunnen bedenken voor problemen en situaties niet goed kan overzien, het onbegrijpelijk is dat de psycholoog tot de conclusie is gekomen dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar geacht dient te worden ten tijde van het plegen van het strafbare feit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de conclusie van de psycholoog dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar geacht dient te worden - gelet op de inhoud van het rapport - opmerkelijk is. De genoemde rapportages geven echter geen concrete aanknopingspunten voor verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet vaststaat dat bij de verdachte sprake is van een ASS, zoals genoemd in het rapport van de psycholoog.

Zij is dan ook van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de rapporten van voornoemde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit volledig toegerekend kan worden aan verdachte. Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 153 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de Reclassering. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis wordt opgelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

Het voorwaardelijke deel van de eis van de officier van justitie acht de raadsvrouw aan de hoge kant. Zij verzoekt dit gedeelte te verlagen en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte, met toestemming van de politie en onder begeleiding van zijn moeder, zijn excuses wil aanbieden aan de slachtoffers om de angst die zij gevoeld hebben en eventueel nog steeds voelen, weg te nemen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een langere periode, te weten ongeveer 3 maanden, een gezin bestaande uit een moeder en 3 dochters belaagd, door hen regelmatig in de nachtelijke uren lastig te vallen door bij hun woning aan te bellen en vervolgens weg te lopen. Door zijn handelen heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op het gevoel van vrijheid en veiligheid van de slachtoffers, heeft hij gevoelens van angst bij hen opgeroepen en hun levenssfeer en -vreugde ernstig aangetast. Dit gevoel ging zelfs zover dat zij zich niet meer veilig voelden in hun eigen woning, bijna niet meer konden slapen en bang waren om het huis te verlaten.

Het spreekt dan ook voor zich dat een dergelijke vorm van belaging voor de slachtoffers een bijzonder angstige ervaring moet zijn geweest, waar zij (mogelijk) nog langere tijd hinder van kunnen ondervinden. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, - zoals verdachte het zelf heeft genoemd - "klote grapjes" uit te halen.

Uit het door [naam], reclasseringswerker van het BoumanGGZ, over verdachte uitgebrachte rapport van 12 januari 2009 komt naar voren dat de verdachte als gevolg van een eerdere veroordeling onder toezicht staat bij de reclassering. Hij is aangemeld bij De Waag vanwege agressieproblematiek, problematiek met seksualiteit en narcistische gedragskenmerken. Omdat de verdachte nog in de intakefase bij De Waag zit, is nog niet bekend welke behandeling geïndiceerd is. De verdachte erkent echter hulp nodig te hebben en hij komt zijn afspraken na.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte op 07 oktober 2008 door de politierechter te Dordrecht is veroordeeld wegens overtreding van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan een misdrijf vóór de hierboven genoemde datum gepleegd.

Gezien verdachtes proceshouding waarin hij openheid van zaken heeft gegeven, het feit dat hij inziet dat hij hulp nodig heeft en zijn excuses aan wil bieden aan de slachtoffers, heeft de rechtbank de indruk dat er bij verdachte sprake is van oprecht berouw. Dit vindt ondersteuning in het feit dat verdachte zich goed houdt aan de afspraken met de Reclassering en dat hij reeds maatregelen heeft ondernomen voor zijn terugkeer naar het ouderlijk huis dat zich op korte afstand van het huis van de slachtoffers bevindt. Behandeling bij De Waag, zoals die nu reeds plaatsvindt, dient voortgezet te worden. Omdat behandeling nog maar in een pril stadium is, en de Reclassering de tijd moet krijgen goed vat op verdachte te krijgen, stelt de rechtbank de proeftijd vast op een periode van drie jaar. Zo kan verdachte eveneens gedurende de tijd die daarvoor nodig is, hulp en steun krijgen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaren gewenst is. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk. De rechtbank stelt hierbij dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van behandeling bij De Waag.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van behandeling bij De Waag;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen, mr. L.C. van Walree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U.F.B. van Berkel-de Jongh griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 april 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 15 december 2008 te Leerdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ((allen) wonende aan de [adres]), in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2, 3, 4], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (in de nachtelijke uren)(meerdere malen) aangebeld bij haar/hun woning;