Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH9351

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
Awb 09/274
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking standplaatsvergunning kaashandel en weigering omzetting van de vergunning op naam van het eenmansbedrijf van verzoeker.

Standplaats sinds 2007 aangevraagd door en verleend aan onderneming waar verzoeker (formeel) niets mee van doen had. Verweerder was niet gehouden de standplaatsvergunning voor 2009 in strijd met zijn wachtlijstbeleid om te zetten op naam van het eenmansbedrijf van verzoeker. Intrekking van de standplaatsvergunning omdat is gebleken dat de onderneming waaraan de vergunning was verleend niet meer bestaat, gaat verzoeker niet aan, nu hij (formeel) niet bij die onderneming is betrokken. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/274

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[xxx], wonende te Wijk en Aalburg, verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem, verweerder,

gemachtigde: mr. S.M. Conijnenberg, advocaat te Gorinchem.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 17 februari 2009, verzonden 18 februari 2009, heeft verweerder de standplaatsvergunning voor de verkoop van kaas en aanverwante artikelen op de locatie Achter de Kerk te Gorinchem voor Kaasnegotie [xxx] / [xxx] ingetrokken en geweigerd deze te zetten op naam van De Kaasnegotie gedreven voor rekening van [xxx].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 26 februari 2009 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 26 februari 2009, ontvangen op 5 maart 2009, heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 17 maart 2009 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van H. Sepers, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen,

alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Op 30 oktober 2008 heeft de raad van de gemeente Gorinchem de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Gorinchem 2008 (hierna: APV) vastgesteld, die vervolgens op 15 november 2008 in werking is getreden.

Artikel 1:4 van de APV bepaalt:

1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Ingevolge artikel 1:5 van de APV is de vergunning is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

Artikel 1:6 van de APV bepaalt dat de vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet worden of zijn nagekomen;

d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

e. de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt.

Ingevolge artikel 5:18, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben (standplaatsvergunning).

2.2. Het bestreden besluit

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de standplaatsvergunning per 1 januari 2009 aangevraagd is door en verleend is aan de onderneming Dalton Europe Ltd, met als handelsnaam Kaasnegotie [xxx], ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder inschrijfnummer 180.53.589. Verweerder is van opvatting dat met de brief van 10 december 2008 waarin wordt meegedeeld dat het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel moet worden gewijzigd in het inschrijfnummer 180.56.107 dat behoort bij de eenmanszaak van [xxx] met als handelsnaam De Kaasnegotie, feitelijk is getracht de standplaatsvergunning over te dragen aan de onderneming van verzoeker. Dit is in strijd met artikel 1:5 van de APV en voorwaarde 13 van de verleende vergunning. Verweerder stelt zich op het standpunt niet aan een dergelijke overdracht te kunnen meewerken, aangezien conform zijn beleid een nieuwe toekenning van een standplaatsvergunning voor de verkoop van kaas en aanverwante artikelen op deze locatie op rangorde van de daarvoor gehanteerde wachtlijst plaatsvindt. Verweerder is voorts van opvatting dat, nu met die brief van 10 december 2008 is gebleken dat de onderneming Dalton Europe Ltd, handelsnaam Kaasnegotie [xxx], inschrijfnummer 180.53.589 bij de Kamer van Koophandel, niets van doen heeft met verzoeker en bovendien deze onderneming is opgehouden te bestaan, de standplaatsvergunning nooit aan deze onderneming had mogen worden verleend, zodat de standplaatsvergunning voor deze onderneming moet worden ingetrokken.

2.3. Standpunt verzoeker

Verzoeker wijst erop dat ingevolge artikel 1:5 van de APV de standplaatsvergunning persoonsgebonden is. Daaruit volgt volgens verzoeker dat de standplaatsvergunning niet anders kan worden aangevraagd en verleend dan aan een natuurlijke persoon. Verzoeker betoogt dat de standplaatsvergunning vanaf 2001 steeds door hem in persoon is aangevraagd en door verweerder steeds aan hem in persoon is verleend. Dit blijkt onder meer uit het in de aanvragen vermelde inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel van zijn eenmansbedrijf, zij het dat dat inschrijfnummer per abuis wordt genoemd bij het inschrijfnummer van het Centraal Registratie Kantoor, en uit stukken over de standplaatsvergunning voor 2005. Er is dan ook geen sprake geweest van overdracht. Het had op de weg van verweerder gelegen navraag te doen als hem niet duidelijk was wie de aanvrager was. Verzoeker meent dat hij met zijn brief van 10 december 2008 slechts heeft getracht zijn verschrijving te corrigeren en dat verweerder in redelijkheid hierin geen aanleiding had om te besluiten de standplaatsvergunning in te trekken.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Bij de beoordeling van het geschil gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten. Daarbij wordt aangenomen dat KvK verwijst naar het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel en crk naar het inschrijfnummer bij het Centraal Registratie Kantoor van het Hoofdbedrijfsschap Detailhandel.

2.4.1.1. Op 3 december 2008 heeft verweerder een aanvraag tot verlenging van de standplaatsvergunning voor de verkoop van kaas en aanverwante artikelen per 1 januari 2009 ontvangen van Kaasnegotie [xxx] / [xxx], postbus 75 te Wijk en Aalburg, KvK 180.53.589, crk 180.56.107. De aanvraag is ondertekend zonder naamsvermelding, met daaronder "directeur". Voor 2007 en 2008 is de aanvraag en verlening op dezelfde wijze geschied. Blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel Den Haag betreft nummer 180.53.589 een buitenlandse vennootschap met de naam Dalton Europe Ltd, handelsnaam: Kaasnegotie [xxx], gevestigd te Delft, met als enige bestuurder, tevens enige volledige gevolmachtigde: [xxx]. Op 1 maart 2007 is blijkens het uittreksel geregistreerd dat deze onderneming per 1 februari 2007 is opgeheven.

Op 16 november 2005 heeft verweerder een aanvraag tot verlenging van de standplaatsvergunning voor de verkoop van kaas en aanverwante artikelen voor het jaar 2006 ontvangen van Kaasnegotie [xxx], postbus 75 te Wijk en Aalburg, KvK 180.56.107, crk 928.559. De aanvraag is ondertekend door [xxx], directeur.

Blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel Oost-Nederland

betreft nummer 180.56.107 een eenmanszaak, gedreven voor rekening van [xxx] met als handelsnaam: De Kaasnegotie, gevestigd te Apeldoorn.

Op 8 december 2003 heeft verweerder een overkomst tot huur van een standplaats voor 2004 gesloten met [xxx] Kaashandel B.V. te Wijk en Aalburg, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel Waalwijk onder nummer 181.14.789, voor [xxx] Kaasnegotie B.V.

2.4.1.2. Met het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2008 is de veroordeling van Dalton Europe Ltd. door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch tot onder meer het stilleggen van haar onderneming voor de duur van 6 maanden waarbij is bevolen alle ten behoeve van haar onderneming verstrekte marktplaatsvergunningen in te leveren, onherroepelijk geworden. Dit arrest is op 2 december 2008 aan [xxx] betekend, waarbij het Openbaar Ministerie van het ressortsparket 's-Hertogenbosch hem erop heeft gewezen dat hij alle marktvergunningen op naam van Dalton Europ Ltd, handelsnaam: Kaasnegotie [xxx], binnen 2 werkdagen en daarmee vóór 5 december 2008 bij haar dient in te leveren.

2.4.1.3. Bij besluit van 3 december 2008 heeft verweerder onder verwijzing naar de aanvraag van 28 november 2008 een standplaatsvergunning verleend per 1 januari 2009 voor onbepaalde tijd aan Kaasnegotie [xxx] / [xxx], de heer [xxx], postbus 75 te Wijk en Aalburg voor de verkoop van kaas en aanverwante artikelen op de locatie Achter de Kerk te Gorinchem. Voorwaarde 13 van deze vergunning luidt: deze vergunning is niet overdraagbaar.

2.4.1.4. Op 10 december 2008 heeft verweerder een ongedateerde brief ontvangen van Kaasnegotie [xxx] / [xxx], postbus 75 te Wijk en Aalburg, KvK 180.56.107, crk 928.559. De brief is ondertekend zonder naamsvermelding, met daaronder "directeur". In de brief wordt meegedeeld dat bij de aanvraag om verlenging van de standplaatsvergunning een fout is geslopen in het inschrijfnummer van de Kamer van Koophandel en dat het inschrijfnummer waarop de aanvraag betrekking heeft, KvK 180.56.107, crk 928.559 betreft.

2.4.1.5. Ter zitting heeft verzoeker onweersproken verklaard niets van doen te hebben met de ondernemingen Dalton Europe Ltd. dan wel [xxx]. Ter zitting heeft verzoeker voorts onweersproken verklaard dat hij degene is die de aanvragen 2007, 2008 en 2009 heeft voorzien van een handtekening bij de aanduiding "directeur".

2.4.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat vóór 1 januari 2009 verweerder per jaar een standplaatsvergunning verleende, zodat het hierbij, anders dan de aanduiding "verlenging" doet vermoeden, telkens om een vergunningverlening per jaar betrof. Met ingang van 1 januari 2009 is verweerder ertoe overgegaan de standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen.

Vaststaat dat volgens door verweerder gevoerd beleid de houder van de standplaatsvergunning in het voorgaande jaar het eerst in aanmerking komt voor toekenning van de standplaatsvergunning voor het daarop volgende jaar. Ingeval die aanvraag achterwege wordt gelaten, dan wordt de standplaatsvergunning volgens dat beleid toegekend aan de eerst wachtende op de wachtlijst.

2.4.3. Blijkens de toelichting op artikel 1:5 van de APV ziet het begrip "persoonsgebonden" op zowel natuurlijke als op rechtspersonen. Zodra sprake is van strikt gebonden persoonsgebonden eisen, is het noodzakelijk dit via voorschriften weer te koppelen aan een natuurlijke persoon binnen de rechtspersoon, aldus die toelichting. Anders dan verzoeker meent, is het dus ingevolge de APV niet uitgesloten dat een standplaatsvergunning aan een rechtspersoon wordt verleend.

2.4.4. Bij de vraag wie als de aanvrager van een standplaatsvergunning heeft te gelden, komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de door de aanvrager verstrekte gegevens en met name aan het voor de aanvrager vermelde inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel. Uit het voorgaande volgt dat als de aldus geïdentificeerde aanvrager een rechtspersoon blijkt te zijn, artikel 1:5 van de APV er niet aan in de weg staat deze rechtspersoon als aanvrager aan te merken. De voorzieningenrechter zijn op voorhand geen persoonsgebonden eisen in de standplaatsvergunning gebleken die maken dat een aanvraag van een rechtspersoon om die reden dient te worden aangemerkt als te zijn ingediend door een natuurlijke persoon. Voor zover dat het geval zou zijn, dient dat blijkens artikel 1:5 van de APV een natuurlijke persoon binnen die rechtspersoon te zijn.

Het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel dat op de aanvraag om een standplaatsvergunning per 1 januari 2009 is vermeld, betreft de buitenlandse rechtspersoon Dalton Europe Ltd. met de handelsnaam: Kaasnegotie [xxx]. De handelsnaam van die onderneming is als afzender in de aanvraag vermeld. Verweerder mocht derhalve deze onderneming als aanvrager aanmerken. Verder is niet gebleken van omstandigheden die maken dat verweerder heeft bedoeld de verleende vergunning in afwijking van de aanvraag te verlenen, zodat moet worden vastgesteld dat de standplaatsvergunning per 1 januari 2009 aan Dalton Europe Ltd. is verleend. Ditzelfde geldt voor de aanvragen en verleende standplaatsvergunningen voor de jaren 2007 en 2008.

Het betoog van verzoeker dat in de aanvraag om een standplaatsvergunning per 2009 (en dus kennelijk eveneens in de aanvragen voor 2007 en 2008) een kennelijke fout is geslopen doordat daarin een inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel is vermeld dat niet bij de aanvragende onderneming behoorde, kan niet slagen. De aard van de vermeende fout is in dit geval dusdanig dat deze voor rekening en risico van de maker moet worden gelaten. Verweerder was om die reden niet gehouden de aanvraag per 2009 alsnog als ingediend door verzoekers eenmansbedrijf De Kaasnegotie te beschouwen.

2.4.5. Verzoekers betoog dat hij vanaf 2001 de aanvragen om een standplaatsvergunning steeds voor zichzelf als natuurlijke persoon heeft gedaan, mist feitelijke grondslag. Verzoeker heeft om hem moverende redenen zonder zijn naam te noemen namens Dalton Europe Ltd. de aanvragen voor 2007, 2008 en 2009 als directeur ondertekend, terwijl hij de bevoegdheid daartoe, gelet op het geen hij daarover ter zitting heeft verklaard en hetgeen het uittreksel van de Kamer van Koophandel Den Haag daarover vermeldt, miste. De aanvraag voor 2006 werd, gelet op het daarin vermelde inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel, voor het eenmansbedrijf De Kaasnegotie gedaan door verzoeker in zijn hoedanigheid als directeur van dat bedrijf, nu wel onder vermelding van zijn naam, waarbij verzoeker verwarrend genoeg niet de handelsnaam van dat eenmansbedrijf maar die van Dalton Europe Ltd, namelijk Kaasnegotie [xxx], gebruikte. Verdere gegevens over aanvragen ontbreken in het dossier en zijn ook door verzoeker niet overgelegd.

Verzoekers betoog dat verweerder steeds de verleende vergunningen aan hem in persoon heeft gericht zodat deze aan hem moeten worden geacht te zijn verleend, mist eveneens feitelijke grondslag. Verweerder heeft blijkens de aanbiedingsbrief de standplaatsvergunning per 2009 verleend aan Kaasnegotie [xxx], de handelsnaam van de onderneming van Dalton Europe Ltd. Daarbij heeft verweerder de natuurlijke persoon [xxx] aangemerkt als aanspreekpunt binnen die onderneming, kennelijk op grond van de eerder verstrekte informatie in de aanvraag voor 2006. De overeenkomst met de gemeente Gorinchem tot huur van een standplaats voor 2004 werd aangegaan met de onderneming [xxx] Kaasnegotie B.V. zonder verwijzing naar verzoeker maar wel gelieerd aan diens huisadres met weer een ander inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel.

Gelet op het bovenstaande, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat, aangezien de aanvragen dan wel verleningen van de standplaatsvergunningen vanaf 2001 steeds verzoeker in persoon zouden betreffen, ook de aanvraag en vergunning voor 2009 redelijkerwijs moesten worden geacht betrekking te hebben op verzoeker in persoon.

2.4.5. Voornoemde betogen van verzoeker strekken er naar de voorzieningenrechter begrijpt mede toe dat verweerder er nooit een probleem van heeft gemaakt dat verzoeker in de loop der jaren telkens een nieuwe standplaatsvergunning vroeg namens een andere onderneming. Verweerder heeft daarover ter zitting verklaard dat hij er steeds op vertrouwde dat de door verzoeker verstrekte gegevens juist waren en de aanvragen een bedrijf betroffen dat aan verzoeker was geliëerd. Door handhavingsacties van de Voedsel- en Warenautoriteit in het kader van het bevel van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch om alle ten behoeve van Dalton Europe Ltd. verstrekte marktplaatsvergunningen in te leveren, is verweerder gebleken dat voor 2007, 2008 en 2008 een standplaatsvergunning aan die onderneming werd verleend. Tevens is gebleken dat verzoeker met die onderneming niet verbonden was. Verweerder heeft daaruit geconcludeerd dat in 2007 feitelijk overdracht van de standplaatsvergunning had plaatsgevonden van een aan verzoeker gelieerde onderneming naar een niet aan hem gelieerde onderneming. Een dergelijke overdracht is volgens verweerder in strijd is de persoonsgebondenheid die artikel 1:5 van de APV eist en het verbod tot overdracht volgens voorwaarde 13 van de verleende standplaatsvergunning. Voorts is een dergelijke overdracht strijdig met het toekennen van de standplaatsvergunning volgens het wachtlijstbeleid. Het weer terug overdragen van Dalton Europe Ltd. naar een onderneming van verzoeker zou daarmee eveneens in strijd zijn, aldus verweerder.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, nu het verlenen van een standplaatsvergunning steeds een toekenning per jaar betrof, met het indienen van een aanvraag ten behoeve van een andere onderneming dan de houder van de standplaatsvergunning voor het daaraan voorgaande jaar geen sprake kan zijn van overdracht als bedoeld in artikel 1:5 van de APV dan wel voorwaarde 13 van de verleende standplaatsvergunningen. Overdracht is alleen aan de orde tijdens de looptijd van de standplaatsvergunning.

De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van verweerder dat, nu van een band van verzoeker met de onderneming van Dalton Europe Ltd, in weerwil van de door die onderneming gevoerde handelsnaam en in weerwil van de onbevoegde ondertekening van de aanvraag namens die onderneming door verzoeker, toekenning van de standplaatsvergunning in 2007 in feite heeft plaatsgevonden aan een andere onderneming dan de houder van de standplaatsvergunning in het voorgaande jaar. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder gehouden was verzoeker als houder van de standplaatsvergunning te blijven aanmerken over de jaren 2007, 2008 en 2009 op grond van zijn onbevoegde vertegenwoordiging van Dalton Europe Ltd.

De voorzieningenrechter onderschrijft voorts het standpunt van verweerder dat het wijzigingsverzoek aan verweerder, nu het ertoe strekt het in de aanvraag vermelde inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel van Dalton Europe Ltd. te wijzigen in het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel van verzoekers onderneming nadat de standplaatsvergunning al aan Dalton Europe Ltd. was verleend, in feite een verzoek aan verweerder was om een wijziging van de tenaamstelling van de verleende standplaatsvergunning door te voeren en daarmee om toekenning aan (wederom) een andere onderneming dan de houder van de standplaatsvergunning in het voorgaande jaar. Door aan dat verzoek gevolg te geven zou verweerder dus eveneens in afwijking van het door hem gevoerde wachtlijstbeleid hebben gehandeld. Aan het voorgaande doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af dat Dalton Europe Ltd. per 1 februari 2007 is opgehouden te bestaan en aldus achteraf bezien geen aanvrager van een standplaatsvergunning voor 2009 kon zijn. Overigens is niet uitgesloten dat Dalton Europe Ltd. na 1 februari 2007 op enigerlei wijze is voortgezet, nu de bestuurder daarvan is gelast vóór 5 december 2008 alle marktplaatsvergunningen op naam van die onderneming in te leveren.

2.4.6. Uit het voorgaande volgt dat voor 2007, 2008 en per 2009 de standplaatsvergunning is verleend aan Dalton Europe Ltd, handelsnaam [xxx], en dat verzoeker met die onderneming niet verbonden is en daarmee ook niet verbonden behoefde te worden geacht. Verzoeker is daarom geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden besluit, voor zover inhoudende de intrekking van de standplaatsvergunning voor Dalton Europe Ltd. per 1 januari 2009. Verweerder zal het bezwaar is in zoverre niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

2.4.7. Het door verzoeker bestreden besluit behelst tevens een afwijzing van de aanvraag van Dalton Europe Ltd. om de verleende standplaatsvergunning 2009 over te zetten op naam van de onderneming van verzoeker en daarmee aan die onderneming toe te kennen. In zoverre is verzoeker belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij dat besluit en is diens bezwaar ontvankelijk.

Uit het voorgaande volgt dat verzoeker in 2007 de voorrangspositie voor zijn onderneming volgens het wachtlijstbeleid bij toekenning van een standplaatsvergunning heeft opgegeven door voor dat jaar geen standplaatsvergunning ten behoeve van die onderneming aan te vragen. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid in dit geval onder de gegeven omstandigheden niet aan toekenning van de standplaatsvergunning volgens zijn wachtlijstbeleid had mogen vasthouden. Verweerder mocht dan ook in redelijkheid weigeren de aanvraag en daarmee de verleende standplaatsvergunning per 2009 op naam van verzoekers onderneming over te zetten. Naar verwachting zal het bestreden besluit in zoverre dan ook in bezwaar in stand kunnen blijven.

2.4.8. Gelet op het voorgaande, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.4.9. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 31 maart 2009

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.