Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH9296

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
11-510371-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 34-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden. De man heeft gedurende een periode van vier jaar, samen met zijn broer, cocaïne gedeald. Daarnaast heeft de rechtbank het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie bewezen geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510371-08 [PROMIS]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 maart 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1974,

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Rijnmond - HvB De IJssel, te Krimpen aan den IJssel.

Raadsman mr. J.M. Walls, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 maart 2009, waarbij de officier van justitie mr. J. Spaans, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: gedurende een periode van vier jaar, samen met een ander, cocaïne heeft gedeald

Feit 2: een vuurwapen (Walther, kaliber 7.65 mm) en munitie ( 7 patronen, kaliber 7.65 mm en 48 patronen, kaliber .22) voorhanden heeft gehad

Feit 3: munitie (50 patronen Sellier & Bellot, kaliber 7.65 mm) voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. Als redengevend voor het bewijs dat verdachte samen met zijn broer [medeverdachte 1] gedurende een periode van vier jaar in cocaïne heeft gehandeld wijst hij op de diverse verklaringen met die strekking van een aantal afnemers/medegebruikers in samenhang met een aantal afgeluisterde telefoongesprekken en het aantreffen van goederen bij verdachte en zijn broer, die duiden op de handel in verdovende middelen. Voor het bewijs van het voorhanden hebben van een wapen en munitie verwijst de officier van justitie onder meer naar de daarover door verdachte afgelegde (bekennende) verklaring.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte erkent dat hij gebruiker is van cocaïne maar dat hij niet betrokken is bij de handel. De verklaringen met die strekking van afnemers/medegebruikers wijzen enerzijds vooral in de richting van de broer van verdachte en zijn anderzijds erg wisselend dan wel volstrekt ongeloofwaardig. Het is voorts logisch dat verdachte cocaïnegerelateerde goederen in zijn huis had omdat hij gebruiker is. De omstandigheid dat broer [medeverdachte 1] dealt en verdachte gebruikt heeft geleid tot een 'Bert en Ernie-effect' waarbij getuigen, geconfronteerd met de combinatie van de broers, ook zodanig zijn gaan verklaren. Naar het oordeel van de raadsman kan er geen sprake zijn van overtuiging dat verdachte betrokken is bij het onder 1 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 2 en feit 3 is geen verweer gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Op 2 december 2008 wordt verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 2 onder B en C van de Opiumwet, kort gezegd het dealen en aanwezig hebben van harddrugs. In de woning van verdachte aan de [adres] Dordrecht en in de woning van zijn moeder aan de [adres] te Dordrecht vindt een doorzoeking plaats waarbij onder meer verpakkingsmateriaal 'ponypacks', boterhamzakje met wit poeder (9 gram), weegschaaltjes en 7 ponypacks in beslag genomen. De in beslaggenomen goederen zijn onderzocht waarbij er een positieve uitslag was op cocaïne en manitol (zijnde een versnijdingsmiddel).

Verdachte's broer, [medeverdachte 1], heeft bij de politie verklaard dat hij ongeveer een jaar bezig is met de handel in cocaïne. In de dagen na de aanhouding van verdachte en zijn broer [medeverdachte 1] (medeverdachte) zijn een aantal personen als verdachte gehoord waarvan, uit een tegen verdachte en zijn broer ingesteld onderzoek telecommunicatie, was gebleken dat zij regelmatig afspraken voor ontmoetingen met medeverdachte [medeverdachte 1] maakten.

[medeverdachte 2] verklaart dat hij sinds vier jaar bij [medeverdachte 1] en [verdachte] cocaïne koopt en dat hij met allebei evenveel contact heeft. [medeverdachte 2] verklaart voorts dat hij gemiddeld één keer per week een halve gram koopt voor € 20,- en dat de koop dan vaak plaatsvindt bij café Bagatelle. [medeverdachte 3] verklaart dat zij 2 á 3 jaar geleden voor het eerst heeft gezien dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in de Bagatelle drugs verkochten. Ze verklaart dat ze 12 jaar geleden voor het eerst in de Bagatelle kwam en [medeverdachte 1] en [verdachte] toen ook al korte ontmoetingen hadden in de wc en dat zij vermoedt dat het om drugshandel ging. [medeverdachte 3] verklaart voorts dat [medeverdachte 1] de pakjes, waarvan zij denkt dat er cocaïne in zit, sinds januari 2008 bij haar thuis brengt voor haar vriend en dat dat sinds augustus/september 2008 wel vier of vijf keer per week gebeurde. [medeverdachte 4] (de partner van [medeverdachte 3]) verklaart dat hij voorheen 2 á 3 keer per week in de Bagatelle cocaïne kocht van de broers [medeverdachte 1] en [verdachte] maar dat [medeverdachte 3] dit nu sinds een jaar voor hem doet en dat hij nu vijf pakjes per week koopt á € 20 voor een halve gram. [medeverdachte 5] verklaart onder meer dat hij sinds 12 jaar coke gebruikt en dat hij [medeverdachte 1] en [verdachte] al 10 jaar kent. Hij verklaart sinds zes jaar bij [medeverdachte 1] te kopen en sinds vier jaar bij [verdachte]. [medeverdachte 5] verklaart verder dat hij twee keer met [medeverdachte 1] naar Rotterdam is geweest om de cocaïne te halen en dat hij het dan meenam naar het huis van [verdachte] om het samen met deze klaar te maken (mengen met manitol, pakjes vouwen, afwegen). Het dossier bevat verder verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] die beide verklaren dat zij sinds een jaar bij [medeverdachte 1] en [verdachte], in de Bagatelle, cocaïne kopen voor € 20,- per halve gram. [medeverdachte 8] verklaart dat zij 4 á 5 keer een pakje coke van [medeverdachte 1] heeft gekregen.

De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de voornoemde afnemers en ziet daarin evenmin aanleiding om te veronderstellen - zoals door de raadsman is betoogd - dat [medeverdachte 1] degene was die handelde en [verdachte] 'per ongeluk' in de verklaringen is genoemd. De rechtbank is op grond van het voorstaande van oordeel dat voldoende vast staat dat verdachte in de periode van vier jaar voor zijn aanhouding, in nauwe en bewuste samenwerking met zijn broer [medeverdachte 1], gebruikershoeveelheden cocaïne heeft verkocht aan een niet onaanzienlijke klantenkring en dat hij de cocaïne voorts heeft bewerkt en verstrekt.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het voorhanden hebben van een vuurwapen categorie III en munitie categorie III (feit 2) wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- het proces-verbaal van technisch onderzoek van het aangetroffen vuurwapen en de munitie.

- het aanvullend proces-verbaal van bevindingen.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht het voorhanden hebben van munitie categorie III (feit 3) wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- het proces-verbaal van technisch onderzoek van aangetroffen munitie.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 1 december 2008 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander , meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en bewerkt een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 2 december 2008 te Dordrecht (in een kluis in een berging) een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, zijnde een pistool (Walther, kaliber 7.65mm), en munitie van categorie III, te weten 7 patronen (kaliber 7.65mm) en 48 patronen (kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

3.

op 2 december 2008 te Dordrecht (in een woning aan de [adres]) voorhanden heeft gehad 50 patronen (Sellier & Bellot, kaliber 7.65mm), in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit/de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

FEIT 1:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

FEIT 2 EN 3, telkens:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij een aan verdachte op te leggen straf rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte een baan heeft en in die zin bezig is zich in de maatschappij te handhaven.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van vier jaar, samen met zijn broer [medeverdachte 1], bezig gehouden met de verkoop van (gebruikershoeveelheden) cocaïne. Verdachte en zijn broer verkochten met name in en rond het café Bagatelle maar er werden ook telefonisch afspraken op andere locaties gemaakt en zelfs werden de dagelijkse porties cocaïne bij de klanten aan huis bezorgd. Waar de ene klant wat vaker [medeverdachte 1] als verstrekker van de cocaïne aanwijst en een ander weer een voorkeur leek te hebben voor [verdachte] lijkt de rol van beide broers inwisselbaar. Verdachte en zijn broer zijn daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag naast motieven gelegen in het voorzien in zijn eigen verslaving.

Daarnaast heeft verdachte in zijn woning en de daarbij behorende berging (in een kluis) een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad.

Over verdachte is geen voorlichtingsrapportage opgemaakt. Uit hetgeen ter terechtzitting omtrent de persoonlijke omstandigheden is besproken blijkt niet van een hulpvraag bij verdachte.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte tweemaal eerder is veroordeeld voor het aanwezig hebben van een stof op lijst I van de Opiumwet.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank ziet in hetgeen door de raadsman ter terechtzitting omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren is gebracht geen aanleiding deze straf te matigen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen geldbedrag aan verdachte, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

- gelast de teruggave aan verdachte van een in beslaggenomen geldbedrag (proces-verbaal van doorzoeking en inbeslagneming PL1810/08-129558, nr. 9) te weten € 400.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema, voorzitter, mr. drs. E. van Schouten en

mr. J.S. van Duurling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 maart 2009.

mr. J.S. van Duurling is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 1 december 2008 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 2 december 2008 te Dordrecht (in een kluis in een berging) een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, zijnde een pistool (Walther, kaliber 7.65mm), en/of munitie van categorie III, te weten 7 patronen (kaliber 7.65mm) en/of 48 patronen (kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;(bijlage 2.6.17)

3.

hij op of omstreeks 2 december 2008 te Dordrecht (in een woning aan de [adres]) voorhanden heeft gehad 50 patronen (Sellier & Bellot, kaliber 7.65mm), in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III; (bijlage 2.6.3)

Parketnummer: 11/510371-08

Vonnis d.d. 31 maart 2009