Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH8887

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
30-03-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
79668 / HA RK 09-2010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking Vreemdelingenkamer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DORDRECHT

wrakingskamer

zaaknummer / rolnummer: 79668 / HA RK 09-2010

Beschikking van 30 maart 2009

beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak van

1. [wraker1],

wonende te Dronten

2. [wraker2],

wonende te Geeuwenbrug,

verzoekers,

gemachtigde mr. U. Koopmans te Haarlem,

Het verzoek strekt tot wraking van [gewraakte rechter], rechter in de sector bestuursrecht,Vreemdelingenkamer, van deze rechtbank.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 23 februari 2009,

- het verweerschrift, ingekomen ter griffie 25 februari,

- de mondelinge behandeling op 23 maart 2009.

1.2. Ter zitting zijn verschenen:

-mr. U. Koopmans,

-[gewraakte rechter],

-mr. J.A.C. Verbeek, namens de Staatssecretaris van Justitie.

Mr. U. Koopmans heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

1.3. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank meegedeeld dat

de uitspraak zal plaatsvinden op de openbare terechtzitting van 30 maart 2009 om 13.15 uur.

2. Het verzoek

Verzoekers verzoeken [gewraakte rechter], rechter in de sector bestuursrecht, Vreemdelingenkamer, van deze rechtbank (hierna: de gewraakte rechter), te wraken. Zij stellen daartoe als volgt. Verzoekers zijn asielzoekers. Verzoekers zijn in beroep gekomen bij de Vreemdelingenkamer tegen de twee besluiten van de Staatssecretaris van Justitie op hun asielaanvraag. Dit beroep is door de gewraakte rechter behandeld ter zitting van 2 februari 2009. Ter zitting hebben verzoekers een getuige voorgebracht. Na de zitting heeft de Staatssecretaris van Justitie twee inhoudelijk identieke faxberichten de dato 3 februari 2009 naar de Vreemdelingenkamer gestuurd. Daarin wordt niet alleen verzocht om afgifte van het proces-verbaal van de zitting, maar worden tevens mededelingen gedaan over de persoon van de getuige. Strekking daarvan is dat de getuige volgens de Staatssecretaris van Justitie onbetrouwbaar is. Dit is informatie waarover verzoekers niet de beschikking hadden in de beroepsprocedure. De eerste fax is bovendien niet ondertekend door mr. J. den Haan, die de gemachtigde van de Staatssecretaris van Justitie is in de beroepsprocedure van verzoekers. Het is ondertekend door een andere medewerker van de Staatssecretaris van Justitie, [mr. X namens de IND], die de gewraakte rechter persoonlijk kent. [mr. X namens de IND] had tot dat moment geen enkele zichtbare bemoeienis met de procedure van verzoekers. Verzoekers vermoeden dat de eerste fax van 3 februari 2009 door [mr. X namens de IND] is ondertekend in de veronderstelling dat de rechter, die hem persoonlijk kent, eerder dan anders genegen zal zijn het verzoek in te willigen en meer dan anders de mededelingen over de getuige ter harte zal willen nemen. De rechter had zich dan ook dienen te verschonen. Door zich niet alsnog te verschonen wordt een inbreuk gemaakt op de rechterlijke onpartijdigheid en in ieder geval de schijn van partijdigheid gewekt.

3. Het verweer

3.1. De gewraakte rechter berust niet in het wrakingsverzoek. Hij voert primair aan dat het wrakingsverzoek niet tijdig is gedaan. Inhoudelijk voert de gewraakte rechter aan dat hij de twee faxen van de IND niet beschouwt als een poging om zijn beoordeling te beïnvloeden. De gewraakte rechter heeft bemerkt dat het eerste faxverzoek van de IND om afgifte van een proces-verbaal was ingediend door [mr. X namens de IND], zijnde iemand die hij kent uit zijn vorige werkkring en met wie hij summiere sociale contacten onderhoudt. Daarop heeft de gewraakte rechter de griffier opdracht gegeven telefonisch aan de IND mede te delen dat hij zich onvoldoende vrij voelde het verzoek in behandeling te nemen omdat hij de ondertekenaar persoonlijk kent. Toen is het faxverzoek nogmaals ingediend door de IND, ditmaal ondertekend door een andere medewerker. Bij brief van 6 februari 2009 heeft de griffier van de Vreemdelingenkamer aan verzoekers volledige openheid gegeven over deze gang van zaken. Daarbij is tevens medegedeeld het voornemen om de beslissing op het verzoek van de IND om afgifte van een proces-verbaal aan te houden tot na het verstrijken van de beroepstermijn, waarbij partijen in de gelegenheid werden gesteld binnen twee weken eventuele bezwaren tegen dit voornemen kenbaar te maken. Volgens de gewraakte rechter lijken verzoekers vooral te vallen over de handelwijze van de IND na de zitting.

4. De beoordeling

4.1. Ingevolge art. 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge art. 8:16 lid 1 Awb wordt het wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

4.2. Aanleiding voor verzoekers om het wrakingsverzoek in te dienen was de brief van de griffier van de Vreemdelingkamer van 6 februari 2009 waarin openheid van zaken wordt gegeven. Het wrakingsverzoek is gedateerd op 20 februari 2009 en ter griffie ontvangen op 23 februari 2009. Anders dan verzoekers is de wrakingskamer van oordeel dat de in de brief van 6 februari 2009 gegeven termijn van twee weken om te reageren niet van toepassing is op het indienen van een wrakingsverzoek. Dit neemt niet weg dat niet kan worden gesteld dat de periode tussen het indienen van het verzoek tot wraking en de datum waarop de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aan verzoekers bekend waren zodanig lang is dat de wrakingskamer zou moeten oordelen dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de feiten en omstandigheden die aanleiding vormen voor het verzoek, niet ter terechtzitting bekend zijn geworden, maar later bij brief en in de betrekkelijk korte periode tussen de ontvangst van de brief en het verzoek geen proceshandelingen hebben plaatsgevonden.

4.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

4.4 Uit het onderhavige dossier noch uit hetgeen bij de behandeling van het wrakingsverzoek naar voren is gebracht is de wrakingskamer enige gedraging van de gewraakte rechter gebleken op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan zijn onpartijdigheid en integriteit. Integendeel, de gewraakte rechter heeft in de door de griffier ondertekende brief van 6 februari 2009 juist blijk gegeven van een grote zorgvuldigheid door volledige openheid van zaken gegeven aan verzoekers over de gang van zaken. Verzoekers, die tot dan toe niet op de hoogte waren van de respectieve verzoeken van de IND, laat staan van de persoonlijke bekendheid van de gewraakte rechter met de ondertekenaar van het eerste schriftelijke verzoek, zijn door de rechter daarvan op de hoogte gebracht in een brief aan beide partijen, waarin beide partijen vervolgens de gelegenheid werd geboden hun eventuele bezwaren tegen het voornemen van de rechter om na het verstrijken van de beroepstermijn te beslissen op het verzoek, kenbaar te maken.

4.5 Niettemin ziet de wrakingskamer aanleiding het wrakingsverzoek te honoreren. Immers, alle zorgvuldigheid van de gewraakte rechter ten spijt, hij is door de IND om een proces-verbaal van de zitting verzocht om reden dat de IND het “opportuun (achtte) om nader onderzoek te verrichten naar de achtergrond van deze getuige.” Uit deze formulering zou kunnen worden afgeleid dat de IND twijfels had over de betrouwbaarheid van de getuige, gelijk verzoekers die formulering hebben opgevat. Dit terwijl het verzoek om afgifte van het proces-verbaal is gedaan op een moment dat het onderzoek in de beroepsprocedure van verzoekers al was gesloten maar de gewraakte rechter mogelijk nog moest oordelen over de betrouwbaarheid van deze getuige. Daarbij komt dat het eerste faxverzoek met de aangehaalde formulering ondertekend was door [mr. X namens de IND] die de gewraakte rechter kent uit zijn vorige werkkring en met wie hij, zij het op beperkte schaal, sociale contacten onderhoudt. Welke persoonlijke bekendheid, naar het oordeel van de gewraakte rechter zelf, (aanvankelijk) aan een behandeling van het verzoek in de weg stond. In het licht van deze omstandigheden kan naar het oordeel van de wrakingskamer bij verzoekers een schijn van vooringenomenheid van de gewraakte rechter zijn gerezen die objectief bezien voldoende gerechtvaardigd is. De gewraakte rechter heeft weliswaar zelf volledige openheid van zaken gegeven in een situatie waarin hij zich door de handelwijze van de gemachtigde van de Staatssecretaris van Justitie voor voldongen feiten geplaatst zag, maar dit is niet voldoende om deze schijn van vooringenomenheid weg te nemen.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek toe;

verstaat dat een andere rechter dan de gewraakte rechter de beroepsprocedure van verzoekers verder zal behandelen.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema, mr. A.P. Hameete en mr. M.G.L. de Vette en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2009.?