Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH7581

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
215081 CV EXPL 08-677
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU2798, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. 7:658 BW. Werkneemster heeft voldoende aangetoond dat zij lijdt aan burn-outklachten die zijn ontstaan in de uitoefening van haar werkzaamheden bij werkgeefster. Werkgeefster heeft voldoende aangetoond dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht, ondanks enkele schoonheidsfoutjes in het re-integratietraject.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/97
AR-Updates.nl 2009-0232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Gorinchem

kenmerk: 215081 CV EXPL 08-677

vonnis van de kantonrechter te Gorinchem van 23 maart 2009

in de zaak van:

[werkneemster],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. S. Meeuwsen te Gorinchem

tegen:

de stichting

Stichting Rivas Zorggroep,

gevestigd te 4204 AA Gorinchem, Banneweg 57,

gedaagde,

gemachtigde mr. J.H. Plantenga te Utrecht.

Partijen worden hierna aangeduid als [werkneemster] respectievelijk Rivas.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 23 april 2008;

2. het herstelexploot van 6 mei 2008;

3. de conclusie van antwoord;

4. het tussenvonnis van 14 juli 2008 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

5. de op 14 oktober 2008 gehouden comparitie van partijen;

6. de conclusie van repliek;

7. de conclusie van dupliek;

8. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1. [werkneemster], geboren op 24 juni 1953, is sinds 1 oktober 1989 als verpleegkundige bij Rivas in dienst. Tot medio november 2005 heeft [werkneemster] gewerkt op de afdeling spoedeisende hulp (hierna: de SEH).

1.2. In augustus 2004 is door de verzekeraar van Rivas, Medirisk, een risk management audit uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan is een rapport opgesteld dat betrekking heeft op meerdere afdelingen van het ziekenhuis. Onderdelen van dit rapport zijn als aandachtspunten in de Risico-Inventarisatie en Evaluatie 2005 en het plan van aanpak opgenomen. In het rapport wordt onder meer geconstateerd dat de formatie van de SEH in beginsel toereikend is, maar dat door zwangerschap/ziekte en vakantie de nachtdienst op dat moment door één verpleegkundige wordt verricht en dat men administratieve ondersteuning mist.

1.3. In september 2004 is [werkneemster] tijdens haar werkzaamheden flauwgevallen in verband met een daling van haar bloeddruk. De huisarts van [werkneemster] heeft geconstateerd dat zij door de hoge werkdruk was ingestort.

1.4. Naar aanleiding van het flauwvallen heeft [werkneemster] een klacht ingediend bij de Arbeidsinspectie over de structurele onderbezetting op de SEH. De Arbeidsinspectie heeft op 20 oktober 2004 een onderzoek ingesteld en heeft twee overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet geconstateerd, te weten het onvoldoende aandacht besteden aan het voorkomen/opheffen van de mogelijk aanwezige werkdruk en het niet aanwezig zijn van een plan van aanpak over 2004 behorende bij de schriftelijke risico-inventarisatie en –evaluatie. Rivas heeft de geconstateerde overtredingen opgeheven binnen de termijn die de Arbeidsinspectie hiervoor heeft gesteld.

1.5. In september/oktober 2004 heeft de toenmalige bedrijfsarts in een notitie melding gemaakt van burn-outklachten bij [werkneemster] en heeft hij een burn-outprogramma bij expertisebureau HSK Groep geopperd. Hieraan is geen gevolg gegeven door Rivas. Op 11 november 2004 heeft de arbodienst van Rivas de eerste probleemanalyse opgesteld. Hierin staat vermeld dat de hoofdoorzaak van het verzuim is gelegen in de arbeidsomstandigheden. In 2005 heeft Rivas maatregelen genomen ter verlaging van de werkdruk.

1.6. Per 1 februari 2005 heeft [werkneemster] haar werkzaamheden op de SEH hervat.

1.7. In november 2005 is [werkneemster] wederom arbeidsongeschikt geraakt. Rivas heeft een casemanager benoemd, de heer [leidinggevende], leidinggevende van de SEH. Voorts is de bedrijfsarts ingeschakeld en is er een probleemanalyse en een plan van aanpak opgesteld. Het interne mobiliteitsbureau Moving is ingeschakeld om te zoeken naar mogelijkheden binnen Rivas.

1.8. [werkneemster] heeft in een aantal functies buiten de SEH op re-integratiebasis gewerkt. In maart 2006 is zij ingewerkt als avond- en nachthoofd in het verpleegtehuis van Rivas. Deze functie is voor [werkneemster] niet geschikt gebleken. In een verslag van de bedrijfsarts van 28 maart 2006 staat vermeld dat de leidinggevende van [werkneemster] het idee heeft dat ze overspannen is. De leidinggevenden van de SEH en het hoofd van het verpleegtehuis hebben [werkneemster] een brief gestuurd met daarin klachten over haar functioneren.

1.9. Het bureau Moving heeft [werkneemster] vervolgens voorgedragen voor de vacature longverpleegkundige, maar voor deze functie is zij niet aangenomen vanwege haar klachten en vanwege het feit dat zij vanwege haar klachten geen nachtdiensten kon vervullen. In september 2006 heeft [werkneemster] gewerkt op de afdeling neurologie, vervolgens op de afdeling polikliniek/hartfunctie en in november 2006 op de polikliniek chirurgie en de functieafdeling. Deze functies zijn evenmin geschikt gebleken voor [werkneemster].

1.10. Op 21 september 2006 is de begeleiding van de bedrijfsarts beëindigd, ondanks een verzoek van [werkneemster] om haar klachten te bespreken. Eind 2006 is de bedrijfsarts weer ingeschakeld. Vanaf december 2006 hebben tevens gesprekken plaatsgevonden tussen [werkneemster] en de nieuwe casemanager, mevrouw [casemanager].

1.11. In december 2006 is besloten expertisebureau HSK Groep in te schakelen. Psychiater de heer dr. S.W. Hofman en psycholoog mevrouw drs. P.D. Jansen zijn een onderzoek gestart. Door de onderzoekers is geconcludeerd dat bij [werkneemster] sprake is van een burn-out en dat de klachten vanaf augustus 2004 in wisselende mate aanwezig zijn geweest. De onderzoekers hebben voorts geconcludeerd dat het ontstaan van de klachten samenhangt met factoren in de werksituatie, te weten de hoge werkdruk op de SEH. De onderzoekers hebben geen familiale omstandigheden vastgesteld die relevant zijn voor het onderzoek.

1.12. [werkneemster] is naar aanleiding van de rapportage van HSK Groep bij dit bureau in behandeling gegaan. De behandeling heeft de klachten van [werkneemster] niet verminderd.

1.13. In juni 2007 heeft Rivas een deskundigenoordeel gevraagd bij het UWV naar aanleiding van klachten van [werkneemster] dat Rivas niet voldeed aan haar re-integratieverplichtingen. Het UWV heeft geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van Rivas onvoldoende zijn geweest aangezien er niet van arbo-arts was gewisseld, hetgeen door [werkneemster] was verzocht, en omdat de arbo-arts te veel buiten het re-integratietraject werd gehouden. Naar aanleiding van dit oordeel heeft Rivas in juli 2007 besloten om een andere arbo-arts in te zetten.

1.14. In augustus 2007 hebben partijen een WIA-aanvraag ingediend. Vanwege het ontbreken van een aantal administratieve gegevens heeft het UWV in eerste instantie besloten dat Rivas niet aan haar re-integratieverplichtingen zou hebben voldaan en heeft het UWV Rivas een loonsanctie opgelegd. Nadat Rivas de benodigde gegevens alsnog heeft overgelegd, is de opgelegde sanctie ongedaan gemaakt. Vanaf 18 november 2007 ontvangt [werkneemster] een loongerelateerde WIA-uitkering.

2. De vordering

2.1. [werkneemster] vordert dat bepaald wordt dat Rivas tekort is geschoten in de zorgplicht jegens [werkneemster]. Voor zover Rivas aansprakelijkheid betwist vordert [werkneemster] dat Rivas bij tussenvonnis wordt veroordeeld tot afgifte van de rapportage van Medirisk van augustus 2004, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag. Voorts vordert [werkneemster] dat Rivas wordt veroordeeld tot betaling van de materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente. [werkneemster] vordert tevens betaling van een bedrag van € 27.000,- bij wege van voorlopige voorziening als voorschot op de totale schade. Tot slot vordert [werkneemster] de proceskosten.

2.2. [werkneemster] voert hiervoor aan dat zij door het aanwezig zijn van een te hoge werkdruk op de SEH een burn-out heeft gekregen en arbeidsongeschikt is geraakt. Door het te laat onderkennen van haar klachten is de psychische schade vervolgens nog extra toegenomen. Rivas heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door zich onvoldoende in te spannen om overbelasting van [werkneemster] te voorkomen en vervolgens door zich onvoldoende in te spannen voor de re-integratie. Doordat Rivas haar zorgplicht heeft geschonden, heeft [werkneemster] materiële en immateriële schade geleden. Het gevorderde voorschot van € 27.000,- is gebaseerd op de geschatte inkomstenderving over 2008 en 2009, verhoogd met de kosten van rechtsbijstand.

2.3. [werkneemster] heeft voorts aangevoerd dat zij, aangezien Rivas haar verweer baseert op het rapport van Medirisk, inzage wenst te hebben in de gehele rapportage. [werkneemster] vordert afgifte van de rapportage op grond van artikel 843a Rv.

3. Het verweer

3.1. Rivas heeft betwist dat [werkneemster] er een verband bestaat tussen de werkzaamheden van [werkneemster] en de gestelde schade. De door [werkneemster] overgelegde medische gegevens houden geen objectieve medische rapportage in over de vraag of de gestelde klachten zijn opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden.

3.2. Voor zover vast zou komen te staan dat [werkneemster] de gestelde klachten wel heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden, betwist Rivas dat zij is tekort geschoten in de nakoming van haar zorgplicht, zoals bedoeld in artikel 7:658 BW.

3.3. Indien geoordeeld wordt dat er grond is voor toewijzing van een bedrag aan schadevergoeding, dan heeft Rivas betwist dat er reden is om bij wege van voorlopige voorziening een bedrag van € 27.000,- toe te wijzen.

3.4. Rivas heeft aangevoerd dat [werkneemster] geen beroep toekomt op artikel 843a Rv met betrekking tot het rapport van Medirisk, aangezien [werkneemster] hier geen partij bij is. Daar Rivas reeds de passages uit het rapport heeft overgelegd die betrekking hebben op de SEH, is Rivas van mening dat [werkneemster] geen rechtmatig belang meer heeft bij overlegging van de rest van de rapportage.

Beoordeling van het geschil

Rapport Medirisk

4. Op grond van artikel 843a Rv. kan diegene die daarbij rechtmatig belang heeft, inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Het rapport waarvan [werkneemster] een afschrift heeft gevorderd, betreft een stuk dat is opgesteld door Medirisk ten behoeve van Rivas op grond van de verzekeringsovereenkomst die tussen die twee partijen geldt. [werkneemster] is geen partij bij deze overeenkomst zodat de vordering reeds hierom dient te worden afgewezen. Bovendien heeft Rivas reeds onderdelen van dit rapport die betrekking hebben op de SEH in het geding gebracht en zijn de aandachtspunten ten aanzien van de SEH opgenomen in de Risico-Inventarisatie en Evaluatie 2005 en het plan van aanpak. Geoordeeld wordt dan ook dat Rivas in deze procedure voldoende informatie met betrekking tot het rapport heeft verschaft.

Schade in de uitoefening van de werkzaamheden?

5. Niet betwist is dat [werkneemster] leidt aan burn-outklachten. Voor beantwoording van de vraag of Rivas aansprakelijk is voor de schade die [werkneemster] door deze klachten leidt, is allereerst van belang of vastgesteld kan worden of de schade is ontstaan in de uitoefening van haar werkzaamheden. Uit lid 1 van artikel 7:658 BW volgt dat het aan de werknemer is om dit te stellen en zonodig te bewijzen.

6. [werkneemster] heeft voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld kan worden dat er op de SEH regelmatig sprake was van een hoge werkdruk. Hiertegenover heeft Rivas geen privéomstandigheden aangevoerd die de burn-outklachten bij [werkneemster] teweeggebracht kunnen hebben. Evenmin zijn uit de overgelegde probleemanalyses, artsennotities en het uitvoerige rapport van HSK Groep niet-arbeidsgebonden factoren te destilleren die de klachten zouden kunnen hebben veroorzaakt. Gelet op deze omstandigheden wordt geoordeeld dat [werkneemster] genoegzaam heeft aangetoond dat de klachten die zij ondervindt, zijn ontstaan in de uitoefening van haar werkzaamheden.

Zorgplicht Rivas

7. Nu is vastgesteld dat [werkneemster] medische klachten heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden, is Rivas aansprakelijk voor de schade die [werkneemster] hierdoor lijdt, tenzij Rivas aantoont dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW.

Uit de stellingen van [werkneemster] is op te maken dat zij van mening is dat Rivas op twee punten tekort is geschoten in haar zorgplicht. In de eerste plaats heeft [werkneemster] gesteld dat Rivas zich onvoldoende heeft ingespannen om overbelasting van [werkneemster] te voorkomen. Voorts heeft [werkneemster] gesteld dat Rivas zich onvoldoende heeft ingespannen voor de re-integratie.

8. Gelet op de inhoud van het rapport van de Arbeidsinspectie, het rapport van Medirisk voor zover van toepassing op de SEH en de Risico-Inventarisatie en Evaluatie 2005 kan geoordeeld worden dat er in beginsel voldoende formatie was op de SEH, maar dat er sprake was van een verhoogde werkdruk gedurende de zomer van 2004, met name door ziekte, zwangerschapsverlof en vakanties. Dat er voorafgaand aan deze periode ook al sprake was van werkdrukproblemen, is niet gebleken. Uit met medewerkers van de SEH gehouden interviews, waarvan de uitkomsten zijn opgenomen in de Risico-Inventarisatie en Evaluatie 2005, is af te leiden dat de medewerkers regelmatig kampen met pieken in de hoeveelheid werk, maar dat de werkdruk niet als te hoog wordt ervaren. De pieken in het werk op de SEH zijn voorts inherent aan de specifieke zorgverlening op de SEH.

9. Rivas heeft naar aanleiding van de geconstateerde aandachtspunten de personele bezetting verbeterd door het inzetten van uitzendkrachten en uitbreiding in de nacht. In een schrijven van een toenmalig leidinggevende van de SEH, [leidinggevende], van december 2005 staat vermeld dat ook [werkneemster] heeft erkend dat de werksituatie is verbeterd.

10. Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat er voorafgaand aan het uitvallen van [werkneemster] in september 2004 weliswaar sprake was van een tijdelijk verhoogde werkdruk, maar dat de omstandigheden waaronder [werkneemster] diende te werken niet abnormaal en excessief waren. Bovendien heeft Rivas naar aanleiding van de geconstateerde aandachtspunten adequate maatregelen genomen om de werkdruk te verminderen. Dit leidt tot de conclusie dat Rivas haar zorgplicht ten aanzien van de omstandigheden waaronder [werkneemster] haar werkzaamheden diende te verrichten niet heeft geschonden.

11. Resteert het punt van de re-integratie-inspanningen die Rivas heeft verricht.

Rivas heeft direct na de uitval van [werkneemster] de arboarts ingeschakeld. Ook zijn er probleemanalyses en plannen van aanpak opgesteld. Voorts heeft Rivas casemanagers aangesteld als eerste aanspreekpunt voor [werkneemster] die veelvuldig gesprekken met [werkneemster] hebben gevoerd.

Rivas heeft diverse functies aan [werkneemster] aangeboden in het kader van het re-integratietraject. Het verwijt van [werkneemster] dat Rivas haar functies heeft aangeboden die niet aansloten bij de voor [werkneemster] geconstateerde beperkingen wordt verworpen. Zo is uit de re-integratie-intake bij Moving van 10 januari 2006 bijvoorbeeld op te maken dat [werkneemster] zelf heeft aangegeven geïnteresseerd te zijn in de functie van nachthoofd in het verpleegtehuis. Het voorstellen van functies die wellicht niet geheel aansluiten bij de medische beperkingen wordt niet onzorgvuldig of in strijd met goed werkgeverschap geacht. Niet betwist is immers dat de proefplaatsingen in de diverse functies in overleg met [werkneemster] hebben plaatsgevonden.

Ook uit het oordeel van het UWV omtrent de re-integratie-inspanningen van Rivas is niet op te maken dat het UWV uiteindelijk van mening is dat Rivas niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. Weliswaar is een aantal zaken niet vlekkeloos verlopen, zoals het tijdelijk beëindigen van de begeleiding door de arboarts in september 2006, het niet wisselen van arboarts op verzoek van [werkneemster] en het niet tijdig aanleveren van alle administratieve gegevens in het kader van de WIA-aanvraag, doch gezien de inspanningen die Rivas wél heeft verricht, worden deze feiten van minder belang geacht.

12. Door HSK Groep is uiteindelijk vastgesteld dat [werkneemster] reeds gedurende een lange tijd aan burn-outklachten leed en dat er nog geen adequate behandeling had plaatsgevonden. Gelet op de re-integratie-inspanningen die Rivas in de periode voorafgaand aan het onderzoek door HSK Groep heeft geleverd, wordt geoordeeld dat het Rivas niet verweten kan worden dat HSK Groep niet eerder is ingeschakeld en dat achteraf is gebleken dat niet tijdig de juiste behandeling van de klachten van [werkneemster] heeft plaatsgevonden. Alhoewel dit laatste zeer spijtig is voor [werkneemster], gelet op de lange periode waarin zij met de burn-outklachten te kampen heeft, wordt geoordeeld dat Rivas wel aan haar zorgplicht ex artikel 7:658 BW lid 1 heeft voldaan en derhalve niet aansprakelijk is voor de schade die [werkneemster] lijdt.

13. De vordering wordt gelet op het voorgaande afgewezen en [werkneemster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [werkneemster] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Rivas bepaald op:

aan salaris gemachtigde € 1.200,00 .

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2009, in aanwezigheid van de griffier.