Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH6246

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
Awb 09/61 en 09/45
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK5837, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Civiele procedure over rechtmatigheid beëindiging gebruiksrecht op grond gelegen naast grond waarop besluit tot vrijstelling ziet, geeft geen rechtstreeks belang bij dat vrijstellingsbesluit.

Optierecht op grond gelegen naast grond waarop besluit tot vrijstelling ziet, geeft geen rechtstreeks belang bij dat vrijstellingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 09/61 en AWB 09/45

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

1. [xxx], wonende te Zwijndrecht, hierna: verzoeker 1,

2. [xxx], wonende te Zwijndrecht, hierna: verzoekster 2,

3. [xxx], zetelend te Hendrik-Ido-Ambacht, hierna: verzoekster 3,

verzoekers,

gemachtigde: mr. D.M.C. Schuurmans, advocaat te Voorburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht,

verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam.

Derde partij:

Projectorganisatie De Volgerlanden, onderdeel van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 30 juni 2008, ingekomen bij verweerder op eveneens 30 juni 2008, heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend om verlening van vrijstelling voor het bouwrijp maken, inclusief voorbelasten, van deelgebied A.1 (cluster 7.10) van de Volgerlanden-Oost.

Op 4 september 2008 heeft verweerder zijn voornemen om mee te werken aan het verlenen van vrijstelling bekend gemaakt.

Bij brief van 15 oktober 2008 hebben onder meer verzoekers een zienswijze tegen dit voornemen ingediend.

Bij besluit van 20 november 2008, verzonden op 1 december 2008, heeft verweerder besloten de gevraagde vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen, een en ander overeenkomstig de opzet van het plan zoals weergegeven op de tekening "Oost-0-25" gewijzigde versie 6 november 2008.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 12 januari 2009, ingekomen bij de rechtbank op diezelfde datum, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht, procedurenummer AWB 09/45.

Bij brief van 14 januari 2009 hebben verzoekers een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht, procedurenummer AWB 09/61.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 9 maart 2009 ter zitting behandeld.

Van verzoekers is verzoeker 1 in persoon verschenen. Tevens is verschenen hun gemachtigde.

Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde, tevens gemachtigde voor vergunninghoudster. Namens vergunninghoudster is verder verschenen, [xxx], directeur van de Projectorganisatie De Volgerlanden.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) komen te vervallen.

In artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is bij wijze van overgangsrecht het volgende bepaald:

Het recht zoals dat gold op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

2.1.2. Artikel 19a, vierde lid, van de WRO bepaalde (voor zover hier van belang):

Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: a. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; (...).

2.1.3. Artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt (voor zover hier van belang):

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

(...)

3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 3:10, eerste lid, afdeling 3.4, van de Awb bepaalt:

Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

Artikel 3:15, afdeling 3.4, van de Awb bepaalt (voor zover hier van belang):

1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

2. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen,

alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

2.1.4. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb (voor zover hier van belang) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.2. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.2.1. Op grond van het overgangsrecht is, nu de vrijstellingsaanvraag door verweerder is ontvangen vóór 1 juli 2008, de WRO van toepassing.

2.2.2. Tegen een vrijstellingsbesluit verleend krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO kan alleen beroep worden ingesteld door een belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Geen van de verzoekers kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter als zodanig worden aangemerkt. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.

2.2.2.1. De vrijstelling ziet op het deelgebied A1 van het gebied de Volgerlanden-Oost.

Verzoeker 1 en verzoekster 2 wonen niet binnen of in de nabijheid van het deelgebied A1 en hebben daar evenmin grond in bezit. Verzoekster 3 zetelt en houdt kantoor in de nabijheid van het perceel, maar niet dusdanig nabij dat vanuit die vestigingsplaats zicht bestaat op het deelgebied A1. Evenmin is gebleken dat verzoekster 3 anderszins vanwege haar vestigingsplaats door de verleende vrijstelling in haar belangen wordt geraakt. Ter zitting heeft verzoekster 3 gesteld zich ook niet in vorenbedoelde zin als belanghebbende te beschouwen.

2.2.2.2. Verzoeker 1 en verzoekster 3 zijn van opvatting dat zij een rechtstreeks belang hebben bij het door hen bestreden besluit vanwege een gebruiksrecht dat zij hadden van de gemeente op een stuk grond dat door partijen wordt aangeduid als "de Schapenwei". Verzoekster 3 heeft daartoe onweersproken gesteld in alle rechten en verplichtingen van [xxx]. en [xxx]. te zijn getreden.

Over de Schapenwei en het daarop rustende gebruiksrecht is het volgende gebleken.

In 2001 heeft de gemeente aan [xxx]. een gebruiksrecht om niet gegeven op de Schapenwei met een opzegtermijn van 3 maanden. Verzoeker 1 heeft vervolgens de Schapenwei in gebruik genomen ten behoeve van het hobbymatig houden van vee. De Schapenwei is gelegen binnen deelgebied A2 van het gebied de Volgerlanden-Oost, dat is gelegen naast deelgebied A1 waarop de verleende vrijstelling ziet, op enige afstand van deelgebied A1. Bij brief van 17 september 2007 heeft de gemeente dit gebruiksrecht opgezegd met ingang van 2 januari 2008. Bij vonnis van deze rechtbank van 16 april 2008, voor zover hier van belang, zijn verzoekster 3 en verzoeker 1 veroordeeld tot ontruiming van de Schapenwei. Bij arrest van 2 september 2008 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage de vordering van verzoekster 3 en verzoeker 1 tot schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis afgewezen, mede gelet op de bereidheid van de gemeente verdergaand gebruik van de Schapenwei door verzoekster 3 en verzoeker 1 te gedogen tot 1 januari 2009. Inmiddels is de Schapenwei op last van de gemeente ontruimd.

Naar het oordeel van de rechtbank staat het pretense recht van verzoeker 1 en verzoekster 3 op gebruik van de Schapenwei in een zodanig ver verwijderd verband met het bestreden besluit, dat zij reeds om die reden geen rechtstreeks belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Dit recht betreft het enkele gebruik van de Schapenwei om niet met een opzegtermijn van drie maanden, welk gebruik feitelijk is geëindigd. Het geldend maken door verzoeker 1 en verzoekster 3 van hun vordering tot heringebruikneming van de Schapenwei jegens de gemeente betreft een onzekere gebeurtenis op een onzekere termijn, mede gezien op de gerechtelijke oordelen over die vordering tot dusver. Onder die omstandigheden is het belang van verzoeker 1 en verzoekster 3 niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit.

2.2.2.3. Verzoeker 2 is van opvatting dat zij een rechtstreeks belang heeft bij het door haar bestreden besluit vanwege een eerste recht van koop heeft op een stuk grond dat grenst aan deelgebied A1 en dat thans eigendom is van haar voormalige echtgenoot, de heer [xxx]. Zij wijst erop dat zij voornemens is een vordering van haar op de heer [xxx] te verhalen door het leggen van een executoriaal beslag op dit stuk grond. Zij verwacht zodoende op korte termijn dit stuk grond te zullen kunnen aankopen.

Het bestaan van een overeengekomen optierecht als zodanig geeft geen rechtstreeks belang bij een besluit over de planologische gebruiksmogelijkheden van de grond waarop dat optierecht betrekking heeft, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juli 2006, Gst. 2006, 168, en dus ook niet bij een besluit over planologische gebruiksmogelijkheden van naastgelegen grond, zoals hier het geval is. Dat verzoekster 2 in de nabije toekomst mogelijk gebruik zal kunnen maken van haar optierecht en aldus de eigendom van een naast het deelgebied A1 gelegen stuk grond zal verkrijgen, is een onzekere gebeurtenis, dat een onvoldoende concreet en actueel belang bij het door haar bestreden besluit geeft.

2.2.4. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 8:86 van de Awb om onmiddellijk uitspraak te doen op het beroep van verzoekers.

Het beroep van verzoekers is niet-ontvankelijk.

Gelet op de beslissing in de hoofdzaak, is er geen grond om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.2.5. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 13 maart 2009

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarin op het beroep is beslist, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.