Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH6212

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
11-500570-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte een 76-jarige man op straat met geweld heeft beroofd. Het beroep van de verdediging op de uitspraak in de zaak Salduz wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/500570-08 [PROMIS]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 maart 2009

in de strafzaak tegen

[naam],

geboren in 1970,

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten, te Dordrecht.

Raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 maart 2009, waarbij de officier van justitie mr. A.L. van Lawick van Pabst-Hoekstra, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een 76-jarige man op straat met geweld heeft beroofd van Eur 1.000.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie

Met betrekking tot de bijstand van de advocaat en de tolk

De raadsman heeft aangevoerd dat door het optreden van de politie en het openbaar ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. De raadsman heeft allereerst gesteld dat verdachte geen bijstand heeft gehad van een advocaat tijdens het (eerste) politieverhoor. De raadsman heeft hiermee een beroep gedaan op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salduz tegen Turkije (EHRM 27 november 2008, nr. 336391/02). Verdachte is daarnaast niet gehoord met bijstand van een tolk in zijn moedertaal, Fula, of in het Engels. Verdachte heeft de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd, met uitzondering van het proces-verbaal van het eerste verhoor, niet willen ondertekenen omdat hij meende dat de politieambtenaren 'dingen hebben opgeschreven die niet klopten.'

Het feit dat er geen bijstand van een advocaat en van een tolk is geweest, betekent volgens de verdediging dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals is bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is geschonden. Deze schending dient te leiden tot de niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak van het EHRM in de zaak Salduz tegen Turkije niet van toepassing is op deze zaak. Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat verdachte vóór zijn tweede verhoor door de politie is bezocht door zijn toenmalige raadsvrouw en dat het eerste verhoor van verdachte weinig inhoud heeft gehad. Voorts is haar niet gebleken dat verdachte onvoldoende Nederlands spreekt. Zij wijst erop dat verdachte zelf tijdens het eerste verhoor op de vraag "[verdachte], begrijp je de Nederlandse taal wel goed?" heeft geantwoord: "Ja hoor, ik ben 10 jaar in Nederland". Ook de rechter-commissaris heeft bij gelegenheid van het verhoor voor de inbewaringstelling opgemerkt dat ook al "is verdachte de Nederlandse taal niet volledig meester, een correct verhoor zeer wel mogelijk is".

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Op 27 november 2008 heeft het EHRM uitspraak gedaan in de zaak Salduz tegen Turkije. In dit arrest is overwogen dat een verdachte "from the First interrogation" recht heeft op "access to a lawyer". Het voor het bewijs bezigen van "incriminating statements" die zijn afgelegd bij de politie terwijl geen toegang tot een raadsman bestond, leidt tot een onherstelbare aantasting van de verdedigingsrechten. Het bewijs dat op die wijze is verkregen, dient derhalve te worden uitgesloten.

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat het beroep op de voormelde uitspraak van het EHRM in deze zaak niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, aangezien uit voormelde overwegingen volgt dat bewijsuitsluiting de aangewezen sanctie is op het ondervragen van een verdachte door de politie zonder toegang tot een raadsman.

Nu verdachte geen belastende verklaring heeft afgelegd in zijn eerste verhoor en zijn toenmalige raadsvrouwe heeft geconsulteerd voorafgaande aan zijn tweede verhoor, is bewijsuitsluiting niet aan de orde. Verdachte is dan ook niet in zijn belangen geschaad.

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de bijstand van een tolk bij de politieverhoren, leidt evenmin tot het oordeel dat artikel 6 van het EVRM is geschonden. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte is vijfmaal door de politie gehoord zonder dat een tolk aanwezig is geweest.

Blijkens de processen-verbaal heeft de verdachte tegenover de politie op één enkele keer na, niet aangegeven dat hij iets niet begreep, dan wel zich niet in staat achtte om een verklaring in de Nederlandse taal af te leggen. Die ene keer dat hij dit wel deed, aan het einde van het derde verhoor, op 1 december 2008, hebben verbalisanten een tolk Fula gebeld. Het betrof slechts één enkele vraag.

Blijkens de inhoud van zijn verklaringen was verdachte blijkbaar in staat zijn eigen lezing van de gebeurtenis te geven en daarin nuances aan te brengen en zich, waar nodig te verduidelijken.

Het feit dat verdachte na afloop van ieder verhoor, met uitzondering van het eerste verhoor, weigerde na voorlezing van het proces-verbaal zijn handtekening te zetten, kan - anders dan de raadsman meent - aan deze constatering niet afdoen. Verdachte heeft blijkens deze vier processen-verbaal namelijk steeds een andere reden opgegeven waarom hij niet tot tekenen wenste over te gaan. Zo heeft hij de eerste maal geweigerd "omdat jullie (verbalisanten; Rb.) allemaal dingen neerzetten", de tweede keer heeft verdachte de vraag gesteld "waarom moet ik tekenen", de derde keer wilde hij niet tekenen "omdat hij de politie niet geloofde" en de laatste keer "omdat hij onschuldig vastzat in de gevangenis (...)".

Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 3 december 2008 en de raadkamerzitting van deze rechtbank van 10 december 2008 en de raadkamerzitting van het Gerechtshof 's-Gravenhage van 8 januari 2009 is verdachte niet bijgestaan door een tolk. Ook op die momenten heeft verdachte niet kenbaar gemaakt dat hij iets niet begreep.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen reden waarom de verhorende ambtenaren ambtshalve tot bijstand van een tolk hadden moeten besluiten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met betrekking tot de verhoren van verdachte bij de politie geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het wetboek van Strafvordering, die tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zoals door de raadsman gesteld, zou moeten leiden.

Met betrekking tot het proces-verbaal van aanhouding

De raadsman heeft vervolgens aangevoerd dat verdachte is aangehouden op grond van een signalement waaraan hij niet voldeed. In dit verband heeft de raadsman erop gewezen dat blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 30 november 2008 van agent van politie H. de Zanger de Gemeenschappelijke Meld Centrale Zuid-Holland-Zuid (GMC) na de beroving, omstreeks 17.11 uur, het signalement heeft uitgegeven dat de verdachte een 'donker manspersoon zou zijn met een leren jas en kort haar of een kaal hoofd die te voet vanaf de Westwagenstraat richting het station te Gorinchem zou zijn gelopen'. De agent heeft vervolgens in hetzelfde proces-verbaal opgenomen dat hij 'omstreeks 17.45 uur rijdende over de Westwagenstraat te Gorinchem een manspersoon zag die volledig voldeed aan het opgegeven signalement'. Hij zag dat het 'een donker manspersoon betrof met een kaal hoofd en geheel in het donker gekleed'. Nu uit het dossier is gebleken dat verdachte niet 'geheel in het donker was gekleed', en evenmin een leren jas droeg, maar een stoffen groene jas en een beige/bruine broek, zoals de betrokken verbalisant in een (aanvullend) proces-verbaal d.d. 18 december 2008 ook heeft vermeld, is verdachte staande gehouden en vervolgens aangehouden terwijl niet uit hem betreffende feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan de beroving voortvloeide. Verdachte voldeed immers niet aan het opgegeven signalement. Door deze informatie uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de aanhoudende politieambtenaar onjuiste informatie in het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het staande houden en aanhouden van verdachte heeft opgenomen, waardoor de rechter-commissaris bij de voorgeleiding van verdachte eveneens onjuist is geïnformeerd en de rechtmatigheidtoetsing op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden. De raadsman stelt dat door het optreden van de politie en het openbaar ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan waardoor de officier van justitie geen recht meer heeft op vervolging en niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

De officier van justitie heeft op dit punt aangevoerd dat de politieambtenaar mogelijk de kleding van verdachte niet goed heeft gezien omdat het op het bewuste tijdstip al donker was, maar dat deze vergissing geen vergaande gevolgen heeft gehad. De politieambtenaar heeft verdachte naar zijn personalia gevraagd en heeft verdachte pas aangehouden toen bleek dat hij dezelfde identiteit had als de eigenaar van de auto die voor het café stond geparkeerd en die door getuigen was aangewezen als de auto van de mogelijke verdachte.

De rechtbank verwerpt het verweer. Naar haar oordeel betekent een vergissing van de politieambtenaar op het punt van de kleding van de verdachte, terwijl hij voor het overige wel voldeed aan het signalement, niet dat verdachte niet kon worden staande gehouden. Niet is gebleken dat hiermee onjuiste informatie in het proces-verbaal is opgenomen, op zodanige wijze dat moet worden geoordeeld dat doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Mr. A.L. van Lawick van Pabst-Hoekstra acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit op de tenlastelegging heeft gepleegd.

Het staat voor haar vast dat de man, die volgens twee getuigenverklaringen, tegelijk met het slachtoffer het café heeft verlaten, de beroving heeft gepleegd. Tijdens de beroving heeft het slachtoffer hem herkend als de donkere man die hij in het café heeft gezien. Op grond van verschillende getuigenverklaringen staat ook vast dat op het tijdstip kort voor de beroving verdachte de enige - onbekende - donkere man was in het café. Een andere cafébezoeker met een getinte huidskleur is geïdentificeerd als een vriend van het slachtoffer. Bij een spiegelconfrontatie heeft het slachtoffer verklaard dat hij verdachte voor 75% herkende. Een getuige die de dader op straat bij het slachtoffer heeft gezien, heeft de foto van verdachte uit een serie van 12 foto's gehaald. Weliswaar was de getuige niet helemaal zeker van de herkenning, maar de fotoherkenning is niet het enige bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij het feit en de verklaring van verdachte zelf is ongeloofwaardig.

Zo had verdachte bij zijn aanhouding precies het gestolen bedrag op zak en geeft hij steeds andere verklaringen voor de herkomst van dit geldsbedrag. Ook over het tijdstip van zijn vertrek heeft verdachte niet naar waarheid gesproken. Verdachte heeft gezegd dat hij tussen 15.00 en 16.00 uur uit het café is vertrokken, maar uit het technisch onderzoek naar zijn mobiele telefoon blijkt dat hij om 16.40 uur in het café nog een foto heeft genomen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het feit kan komen en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken.

De raadsman wijst erop dat verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. Getuige [getuige 1] aarzelt zodanig bij het aanwijzen van de foto van verdachte dat niet kan worden gesproken van een positieve herkenning. Het resultaat van de fotoconfrontatie is daarom geen deugdelijk bewijsmiddel.

De spiegelconfrontatie tussen verdachte en het slachtoffer van de beroving kan evenmin bijdragen tot het bewijs. Van een enkele confrontatie met een verdachte die gedetineerd is, gaat immers altijd een zekere suggestie uit dat 'hij het wel geweest zal zijn'. Aangever zegt hem wel voor 75% te herkennen, maar hij twijfelt aan zijn lengte.

Volgens getuige [getuige 2] zou de lengte van de donkere cafébezoeker die van de beroving wordt verdacht, tussen de 1.75 en 1.80 m. moeten zijn geweest. Verdachte is echter 1.73 m. en zijn lengte komt dus niet overeen met het opgegeven signalement.

De raadsman wijst voorts op een tegenstrijdigheid in de verklaringen van getuige [getuige 2] en [getuige 3]. Deze laatste verklaart dat er geen andere donkere bezoekers waren in het café dan verdachte. Getuige [getuige 2] stelt dat er nog wel een andere gekleurde man aanwezig was. Er is geen aanleiding om aan de verklaring van [getuige 3] meer geloof te hechten dan die van getuige [getuige 2] en die van verdachte.

Verdachte heeft door het overleggen van bankafschriften aangetoond dat hij geld heeft teruggekregen van de belastingdienst en ook dat hij vaker kasgeld heeft. Op een van de afschriften staat een kasstorting.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op zondagmiddag 30 november 2008 omstreeks 15.00 uur het café De Canse Poort te Gorinchem bezocht. Hij had zijn auto, met het kenteken [kenteken] naast het café geparkeerd. In het café heeft verdachte bier en jenever gedronken. Getuige [getuige 4] en getuige [getuige 3] hebben verklaard dat zij hebben gezien dat een donkere man tegelijk met aangever [slachtoffer] uit het café vertrokken, waarbij hij de deur voor aangever openhield.

Door de verdediging is onder meer aangevoerd dat de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] niet betrouwbaar zijn. De verklaringen zouden onjuistheden bevatten ten aanzien van het tijdstip van vertrek uit het café van verdachte. Getuige [getuige 3] verklaart dat dit rond 17.00 uur is geweest. Verdachte stelt dat hij al veel eerder uit het café is vertrokken, namelijk tussen 15.00 en 16.00 uur. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt niet aannemelijk. Uit het technisch onderzoek naar de mobiele telefoon van verdachte blijkt namelijk dat verdachte op 30 november 2008 om 16.40 uur met dit toestel een foto heeft gemaakt en dat de datum en tijdtip van het toestel op het moment van het technisch onderzoek, 2 december 2008, overeenkomen met de werkelijke datum en tijdstip. Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij de hem getoonde foto van een hondje in het café heeft gemaakt. Nu vaststaat dat verdachte het café niet heeft verlaten op het door hem genoemde tijdstip, gaat de rechtbank uit van de verklaringen die [getuige 3] en [getuige 4] op dit punt hebben afgelegd.

De verdediging heeft voorts gesteld dat verdachte die middag niet de enige donkere cafébezoeker was. Het zou dus zeer wel een andere donkere man dan verdachte geweest kunnen zijn die tegelijk met aangever het café heeft verlaten. De raadsman heeft in dit verband gewezen op de tegenstrijdigheid in de verklaring van getuige [getuige 3] ten opzichte van de verklaring van getuige [getuige 2]. Deze laatste verklaart dat er nog een andere donkere man in het café was, terwijl [getuige 3] juist verklaart dat er verder geen mensen met een donkere huidskleur in het café aanwezig waren.

De rechtbank verwerpt dit verweer en wijst erop dat getuige [getuige 2] een tweede verklaring heeft afgelegd waarin hij meedeelt dat de andere donkere man een Marokkaans uitziende man betreft die bevriend is met het slachtoffer en elke zondag kaart met hem speelt. Van een tegenstrijdigheid tussen deze beide getuigenverklaringen is dan ook geen sprake, terwijl daarnaast ook getuige [getuige 5] heeft verklaard dat de haar onbekende donkere man die middag de enig donkergekleurde persoon in het café was.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte de man betreft met de donkere huidskleur waarover de verschillende getuigen hebben verklaard en waarvan is gezien dat hij zijn auto voor het bezoek aan het café voor het raam had geparkeerd en die tegelijk met aangever het café heeft verlaten.

Aangever heeft verklaard dat hij die dag naar genoemd café is gegaan om te kaarten. Na het kaartspel is hij aan de bar gaan zitten. Hij heeft gezien dat naast hem een man aan de bar zat met een lichtbruine huidskleur en een rond kaal hoofd. Rond 17.00 uur heeft hij afgerekend. Hij heeft betaald met een bankbiljet, dat hij afhaalde van een stapeltje van 21 bankbiljetten van 50 euro. De overgebleven 50 biljetten heeft hij in zijn rechterachterzak van zijn broek gedaan. De getinte man naast hem zou dat gezien kunnen hebben. Hij is vervolgens vertrokken en even buiten het café, in de Westwagenstraat, werd hij van achteren aangevallen. Hij kreeg een klap of een harde duw en viel daardoor voorover op straat. Toen hij op de grond lag, voelde hij een hand in de rechterachterzak van zijn broek. Hij keek omhoog en zag dat dezelfde man uit het café met dat lichtbruine gezicht en dat ronde hoofd, over hem stond gebogen. Hij voelde dat het geld werd gepakt en zag dat de man daarna snel wegliep. Hij is beroofd van een geldbedrag van 1.000 euro .

Op het moment van de beroving reden getuigen [getuige 1] en [getuige 6] door de straat. Getuige/bestuurster [getuige 6] zag omstreeks 17.15 uur een oude man liggen, half op de stoep, half op de weg. Zij zag dat een donkergekleurde/negroïde man aan de jas van de oudere man aan het trekken was. De getuige schrok en bedacht dat het mogelijk om een beroving ging. Zij heeft de auto geparkeerd en is naar de oudere man toegelopen. De man zei tegen haar dat hij even daarvoor samen met de negroïde man in het café had gezeten op de hoek van de straat.

Getuige [getuige 1], bijrijder van [getuige 6], zag eveneens een man op straat liggen. Hij zag naast hem een andere negroïde manspersoon bij hem staan en dacht aanvankelijk dat die zich over de liggende man ontfermde. Hij zag die staande negroïde man echter ineens hard wegrennen en vond dit zo raar dat hij is uitgestapt en naar de liggende man is gelopen. Hij hoorde toen dat die zojuist was overvallen.

Op 4 december 2008 is getuige [getuige 1] op het bureau van politie te Gorinchem geconfronteerd met een fotoselectie van twaalf foto's. De getuige wijst foto 7 aan en zegt dat dit de dader zou kunnen zijn. In de selectie had de foto van verdachte de selectieplaats 7 ingenomen. De verdediging heeft er in dit verband op gewezen dat de getuige zodanig heeft geaarzeld bij het aanwijzen van de foto dat niet gesproken kan worden van een positieve herkenning.

De rechtbank overweegt dat de fotoherkenning bijdraagt tot de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gedaan ondanks de mededeling van de getuige dat hij 'het niet met zekerheid durft te zeggen', nu deze herkenning de overige bewijsmiddelen ondersteunt.

Een politieambtenaar stelde in het café een onderzoek in en vernam van getuige [getuige 4] dat naast het café en auto stond geparkeerd, een Nissan Sunny voorzien van het kenteken [kenteken], die vermoedelijk eigendom was van de negroïde man die het café had bezocht. Het voertuig bleek op naam te staan van verdachte.

Omstreeks 17.45 uur werd verdachte door politieambtenaar H. de Zanger aangetroffen op de Westwagenstraat te Gorinchem. Bij het onderzoek aan de kleding van de verdachte werd in de linkerbinnenzak van de jas 20 biljetten van 50 euro aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat het bij hem aangetroffen geldbedrag van 1.000 euro hem toebehoort en dat hij dit op rechtmatige wijze heeft verkregen. De rechtbank acht deze stelling van verdachte niet aannemelijk om de navolgende redenen. Op de eerste plaats heeft verdachte steeds andere verklaringen gegeven met betrekking tot de grootte en de herkomst van het geldbedrag. Zo zou hij die dag met 2.000 euro op zak zijn vertrokken naar Amsterdam. Daar zou hij 300 euro hebben uitgegeven. Hij zou meer dan 1.500 euro bij zich hebben gehad toen hij naar Gorinchem ging. In een latere verklaring stelt hij dat hij een maand geleden 1.200 euro heeft opgenomen na een belastingteruggaaf. Verdachte heeft deze bewering niet met stukken kunnen onderbouwen. Weliswaar heeft verdachte ter zitting een tweetal bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat sprake is geweest van een belastingteruggaaf, maar uit deze afschriften blijkt voorts dat de teruggaaf slechts het negatieve banksaldo heeft aangezuiverd. In het bijzonder blijkt niet van een geldopname. De op een van de bankafschriften voorkomende geldstorting is gedateerd 26 september 2008 en kan het bezit van het geldbedrag dat bij de aanhouding van verdachte is aangetroffen, ook niet verklaren. Ter zitting heeft de verdachte weer een andere verklaring gegeven met betrekking tot de herkomst van dit geldbedrag. Volgens verdachte heeft hij dit verdiend met handel in diamanten. Een nadere onderbouwing van deze bewering heeft hij niet gegeven.

Daarnaast wijkt de verklaring van verdachte ook af van de verklaring van getuige [getuige 3] ten aanzien van het afrekenen van de consumpties door verdachte in het café. Volgens getuige [getuige 3] heeft verdachte drie flesjes bier en een jonge jenever gedronken. De flesjes bier heeft hij afgerekend met twee euro muntstukken en de jenever met een briefje van vijf euro. Naar dat briefje had hij lange tijd moeten zoeken waarbij hij in al zijn zakken had gegraaid. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn eerste bier heeft afgerekend met een briefje van 50 euro en van het wisselgeld steeds de andere consumpties. Het overgebleven wisselgeld, 42 euro, had hij kort voor zijn aanhouding uitgegeven aan twee telefoonkaarten. Gelet op de gedetailleerde verklaring van [getuige 3] en het feit dat verdachte tijdens de politieverhoren de aanschaf van telefoonkaarten niet heeft vermeld hoewel hem wel is gevraagd of hij nog iets in de stad had gekocht, wordt ook op dit punt aan de verklaring van [getuige 3] wel geloof gehecht en die van verdachte niet. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor het feit dat bij hem hetzelfde geldbedrag in dezelfde coupures is aangetroffen als het bedrag en de coupures waarvan aangever is beroofd.

De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat verdachte op 30 november 2008 te Gorinchem aangever op straat met geweld heeft beroofd van 1.000 euro.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hij op 30 november 2008 te Gorinchem aan de openbare weg (te weten de Westwagenstraat) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld ( 1000 euro) toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij die [slachtoffer] van achteren is genaderd en/ (vervolgens) die [slachtoffer] een (harde) duw of klap heeft gegeven (waardoor die [slachtoffer] voorover op de grond is gevallen).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN OF GEMAKKELIJK TE MAKEN.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte geen strafblad heeft. Hij verzoekt de rechtbank bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest van verdachte, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft een 76-jarige man beroofd, waarmee hij kort daarvoor in een café heeft gezeten. Bij het afrekenen had verdachte gezien dat de man over een groot geldbedrag beschikte. Hij heeft berekenend zijn kans gegrepen om snel aan geld te komen en is de man naar buiten gevolgd. Op straat is hij de man van achteren genaderd en heeft hem onverhoeds naar de grond gewerkt. Dat de man, die heeft verklaard slecht ter been te zijn, daarbij geen letsel heeft opgelopen, acht de rechtbank een toevallige omstandigheid die niet zonder meer in het voordeel van verdachte moet worden uitgelegd.

Een dergelijke beroving wordt door degene die het overkomt als buitengewoon bedreigend ervaren en te verwachten valt dat het slachtoffer nog geruime tijd zal lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen de verdachte hem heeft aangedaan. Daarnaast brengen zulke feiten ook angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid bij burgers teweeg. Tijdens de behandeling ter zitting is de rechtbank, door de ontkennende houding van de verdachte, niet gebleken dat verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn daad. Deze omstandigheid en de ernst van het bewezenverklaarde feit maken dat de rechtbank minder gewicht toekent aan het tot nog toe blanco strafblad van verdachte. De verzoeken van de raadsman tot het opleggen van een straf gelijk aan het voorarrest, althans een taakstraf, zullen om die reden worden gepasseerd. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan, zal de rechtbank bepalen dat een gedeelte van de vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Voor wat betreft de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft zij acht geslagen op de mededelingen die verdachte hierover heeft gedaan op de terechtzitting.

8 Het beslag

8.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan aangever van het geldbedrag van Eur 1.000 dat in beslag is genomen, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van Eur 1.000 voor het ten laste gelegde feit. Nu de rechtbank de teruggave zal gelasten van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van Eur 1.000 zal de vordering worden afgewezen.

10 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 312 van het Wetboek van strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een GEVANGENISSTRAF van NEGEN (9) MAANDEN, waarvan DRIE (3) MAANDEN VOORWAARDELIJK met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de teruggave aan [slachtoffer] van het in beslag genomen geldbedrag van Eur 1.000;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Duinhof voorzitter, mr. J.A.M.J. Janssen, mr. H.M. Dunsbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Dooren griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 maart 2009.

Mr. H.M. Dunsbergen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 30 november 2008 te Gorinchem aan de openbare weg (te weten de Westwagenstraat) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (ongeveer 1000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij die [slachtoffer] van achteren is genaderd en/of (vervolgens) die [slachtoffer] een (harde) duw en/of klap heeft gegeven (waardoor die [slachtoffer] voorover op de grond is gevallen);

Parketnummer: 11/500570-08

Vonnis d.d. 17 maart 2009