Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH4285

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
27-02-2009
Zaaknummer
225347 VV EXPL 08-117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is eigenaresse van een caravanpark. Op dit park bevindt zich een kantine. Deze kantine wordt sinds het voorjaar van 2006 verhuurd aan gedaagde. Tussen partijen is geen schriftelijke huurovereenkomst opgesteld. Voorlopig dient te worden beoordeeld hoe de tussen partijen gesloten mondelinge overeenkomst dient te worden gekwalificeerd: ofwel als een overeenkomst tot huur van een bedrijfsruimte (artikel 7:290 BW) ofwel tot huur van ‘overige’ gebouwde onroerende zaken (artikel 7:230a BW). Voorshands wordt geconcludeerd dat de verhuurde kantine dient te worden gekwalificeerd als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 290
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 64
JHV 2009/67 met annotatie van Harry Ferment
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 225347 VV EXPL 08-117

vonnis in kort geding van de kantonrechter te Dordrecht van 29 januari 2009

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Caravanpark Bonaventura B.V.,

gevestigd te Strijen,

eiseres,

gemachtigde mr. A. Quispel;

tegen:

[naam],

wonende te [adres],

gedaagde,

die in persoon procedeert.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Bonaventura’ respectievelijk ‘[gedaagde]’.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 18 december 2008;

2. de conclusie van antwoord;

3. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1 Als gesteld door de ene partij en niet, dan wel onvoldoende, betwist door de andere partij en op grond van de niet weersproken inhoud van de producties wordt uitgegaan van het volgende.

1.2 Bonaventura is eigenaresse van het Caravanpark Bonaventura te Strijen, gevestigd aan de Oud Bonaventurasedijk 76b. Op dit park bevindt zich een kantine. Deze kantine wordt sinds het voorjaar van 2006 verhuurd aan [gedaagde]. De prijs voor de huur van de kantine bedraagt € 2500,-- per seizoen, inclusief BTW. Het seizoen loopt van 1 april van enig jaar tot 30 september van dat jaar. Tussen partijen is geen schriftelijke huurovereenkomst opgesteld. De mondelinge huurovereenkomst die tussen partijen bestaat wordt door hen in de stukken aangeduid als ‘pachtovereenkomst’.

1.3 Bonaventura heeft [gedaagde] bij brief van 22 september 2008 de huur tegen het einde van het seizoen opgezegd. Bonaventura heeft [gedaagde] in de brief een termijn gesteld tot 14 oktober 2008 om de kantine te ontruimen en de sleutel in te leveren.

2. De vordering

2.1 Bonaventura vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om de kantine met alle daarin aanwezige zaken en personen te ontruimen en te verlaten en de sleutels ter beschikking van Bonaventura te stellen en voor het geval [gedaagde] hiertoe niet over gaat, Bonaventura te machtigen hiertoe over te gaan, desnoods met de hulp van de sterke arm van justitie en politie.

2.2 Daarnaast heeft Bonaventura bij inleidende dagvaarding de veroordeling gevorderd van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 2.333,30, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2008 tot de dag van algehele voldoening. Ter zitting heeft Bonaventura dit deel van de vordering echter ingetrokken.

2.3 Tevens vordert Bonaventura veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. 2.4 Bonaventura voert ter onderbouwing van haar vordering –samengevat- het navolgende aan. Tussen Bonaventura en [gedaagde] is overeengekomen, net als met de vorige huurder van de kantine, dat de overeenkomst door beide partijen zonder opgaaf van reden kan worden opgezegd, liefst voor het einde van het seizoen. Bonaventura heeft een schriftelijke verklaring hierover, opgesteld door deze vorige huurder, als productie overgelegd. Bonaventura stelt dat de huur door haar opzegging is geëindigd.

2.5 Bonaventura is van mening dat er sprake is van bedrijfsruimte ex artikel 7:230a BW. Er is namelijk geen sprake van een voor het publiek toegankelijk lokaal, een voorwaarde die artikel 7:290 BW stelt. De kantine is slechts toegankelijk voor de eigenaren van de caravans en hun bezoek. Er geldt een toegangsverbod voor onbevoegden en bezoekers dienen zich te melden.

2.6 Bonaventura heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, nu zij de kantine op korte termijn aan een ander wil verhuren en daarom duidelijkheid wenst.

3. Het verweer

3.1 [gedaagde] betwist de vordering van Bonaventura en voert daartoe -zakelijk weergegeven- het volgende aan.

3.2 Tijdens de besprekingen over het overnemen van de kantine is de duur van de overeenkomst nooit aan de orde geweest. [gedaagde] heeft ter ondersteuning van deze stelling eveneens een schriftelijke verklaring van de vorige huurder overgelegd. [gedaagde] is van mening dat de overeenkomst voor de duur van vijf jaar is aangegaan. Op de overeenkomst is naar de mening van [gedaagde] artikel 7:290 BW van toepassing. De kantine is een voor het publiek toegankelijk lokaal, nu ook fietsers en voorbijgangers en bijvoorbeeld een bridgeclub met leden die niet op het caravanpark een sta-plaats hebben, toegang hebben.

3.3 [gedaagde] huurt de kantine met veel plezier en ook de klanten zijn tevreden.

3.4 [gedaagde] vordert veroordeling van Bonaventura in de kosten van de procedure en om Bonaventura een boete op te leggen voor iedere keer dat de beheerder van het caravanpark haar zal hinderen bij het uitvoeren van de werkzaamheden. Zij ondervindt thans hinder van Bonaventura.

Beoordeling van het geschil

4. Uit de stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, is het spoedeisend belang aan de zijde van Bonaventura in voldoende mate gebleken.

5. Voorlopig dient te worden beoordeeld hoe de tussen partijen gesloten mondelinge overeenkomst dient te worden gekwalificeerd: ofwel als een overeenkomst tot huur van een bedrijfsruimte (artikel 7:290 BW) ofwel tot huur van ‘overige’ gebouwde onroerende zaken (artikel 7:230a BW). Partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunt ieder een verklaring van de vorige huurder van de kantine overgelegd. Nu de verklaringen niet eenduidig zijn en deels zelfs tegenstrijdig, zullen zij verder buiten beschouwing worden gelaten.

6. Uit de stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen is naar het oordeel van de kantonrechter voorshands aannemelijk dat de kantine een gebouwde onroerende zaak is die bestemd is voor de uitoefening van een cafébedrijf. Dit sluit aan bij hetgeen is bepaald in artikel 7:290 BW.

7. Daarnaast bepaalt artikel 7:290 BW dat er sprake dient te zijn van een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken. Uit hetgeen door partijen is aangevoerd kan niet worden aangenomen dat er sprake is van een zodanig gesloten karakter dat de kantine niet als een dergelijk lokaal kan worden gekwalificeerd. Immers, onweersproken is dat het caravanpark voor het publiek toegankelijk is, de gasten (sta-plaats gebruikers) bezoekers kunnen ontvangen en dat al deze personen gebruik kunnen maken van de kantine, terwijl ook voorbijgangers en bijvoorbeeld een bridgeclub, worden toegelaten. Daarbij wordt ook nog overwogen dat het bedrijf de rechtsvorm van een besloten vennootschap heeft en dus een commercieel geëxploiteerde onderneming is. Het is derhalve geen stichting of vereniging die een eigen clubhuis exploiteert.

8. Er is geen reden te bedenken om [gedaagde] niet die bescherming te geven die andere huurders van voor het publiek toegankelijke ruimten op grond van de wet, vooral vanwege hun gedane investeringen, die in meerdere jaren moeten worden terugverdiend, toekomt.

9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen wordt voorshands geconcludeerd dat de verhuurde kantine dient te worden gekwalificeerd als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaren en eerst na afloop van het seizoen 2010, danwel vóór aanvang van het seizoen 2011, kan eindigen. De gevorderde voorlopige voorziening, betreffende de ontruiming van de kantine, wordt daarom afgewezen, met veroordeling van Bonaventura in de kosten van dit geding.

10. De door [gedaagde] gevraagde boete die aan Bonaventura zou dienen te worden opgelegd, nog daargelaten dat die niet in reconventie is gevorderd, wordt gepasseerd, omdat die vordering op geen enkele wijze is onderbouwd. Het spreekt al voor zich dat [gedaagde] niet door Bonaventura op welke wijze dan ook in de (voortzetting) van haar huurgenot mag worden gestoord.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de door Bonaventura gevraagde voorziening af;

veroordeelt Bonaventura in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] bepaald op nihil;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2009, in aanwezigheid van de griffier.