Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH3864

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
216118 CV EXPL 08-820
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigen ontslagname tijdens arbeidsongeschiktheid. Werkgever heeft ontslagname terecht als zodanig opgevat. Ook de eisen van de goede trouw staan er niet aan in de weg werknemer aan zijn opzegging te houden i.c. Geen arbeidsovereenkomst op grond van rechtsvermoeden 7:610a BW, geen overeenkomst van opdracht, wel vennootschapsovereenkomst waar werknemer in persoon en voormalig werkgever aan gebonden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Gorinchem

kenmerk: 216118 CV EXPL 08-820

vonnis van de kantonrechter te Gorinchem van 23 februari 2009

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.A.I.M. Zandhuis

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijheid

Optima Hypotheekplan Nederland B.V.,

gevestigd te 3371 EP Hardinxveld-Giessendam, Kade 40-42,

gedaagde,

gemachtigde mr. J.A.A. van de Westelaken.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] respectievelijk Optima.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 27 mei 2008;

2. de conclusie van antwoord;

3. het tussenvonnis van 28 juli 2008 waarin een comparitie van partijen is gelast;

4. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 23 september 2008;

5. de conclusie van repliek, tevens houdende akte wijziging van eis;

6. de conclusie van dupliek, tevens houdende antwoordakte wijziging van eis;

7. de akte houdende uitlating producties aan de zijde van [eiser];

8. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1. [Eiser] is op 1 juni 2004 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Optima als Financieel Adviseur. Met ingang van 1 juni 2005 is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verlengd. Per 1 januari 2006 is [eiser] benoemd tot Senior Financieel Adviseur.

1.2. Op de arbeidsovereenkomst was de regeling ‘Provisievoorwaarden en rekening-courant accountmanager Optima Hypotheekplan-Nederland B.V.’ van toepassing. Artikel 10 van deze regeling luidt als volgt:

“Bij beëindiging van het dienstverband blijft het saldo van de rekening-courant en de reserverekening gedurende 5 jaar na uitdiensttredingsdatum geblokkeerd teneinde de eventuele royementen en overige door de werkgever opeisbare bedragen te verrekenen. Na verloop van die 5 jaar zal het eventueel nog resterende bedrag aan de adviseur worden uitgekeerd.”

1.3. [Eiser] verrichtte zijn werkzaamheden vanuit zijn woonplaats Veenendaal. De werkzaamheden bestonden met name uit het afsluiten van hypotheken en levensverzekeringen. Optima maakte dagelijks de afspraken met (potentiële) klanten. [eiser] bezocht de (potentiële) klanten thuis en fungeerde als vaste contactpersoon. [eiser] beschikte over een leaseauto.

1.4. [Eiser] en Optima hebben overleg gehad over verzelfstandiging van [eiser] via de Optima Franchise Formule.

1.5. Op 5 en 10 juni 2006 is [eiser] getroffen door herseninfarcten en dientengevolge arbeidsongeschikt geraakt. Vanaf medio augustus 2006 heeft [eiser] gedurende een aantal weken op arbeidstherapeutische basis parttime binnendienstwerkzaamheden verricht op het kantoor van Optima. Teneinde deze werkzaamheden te kunnen verrichten moest [eiser] door een collega, die in [plaats] woonde, worden opgehaald en naar Hardinxveld-Giessendam worden gebracht.

1.6. [Eiser] is op 22 augustus 2006 op het spreekuur van de arboarts geweest. De arboarts heeft geoordeeld dat [eiser] ongeschikt was voor zijn eigen werk, maar geschikt voor het aangepaste werk dat hij op dat moment verrichtte, mits daarbij geen werkdruk/tempodruk aanwezig zou zijn.

1.7. In september 2006 heeft [eiser] Optima medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden als Senior Financieel Adviseur weer wilde gaan oppakken. Optima is hiermee niet akkoord gegaan vanwege het feit dat zowel de huisarts als de arboarts [eiser] hadden geadviseerd geen auto te rijden.

1.8. [Eiser] heeft vervolgens een gesprek gehad met de heer [werknemer] en mevrouw [werkneemster] van Optima met betrekking tot de verzelfstandiging van [eiser] via de Optima Franchise Formule.

1.9. Bij brief van 1 november 2006 heeft [eiser] met terugwerkende kracht tot 25 september 2006 zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. Tevens is op deze datum een overeenkomst van vennootschap onder firma gesloten tussen Optima enerzijds en [eiser] als directeur van de nog op te richten besloten vennootschap van [eiser], [B.V.i.o.] anderzijds. Vervolgens bleek dat [B.V.i.o.] niet kon worden opgericht vanwege een aantekening bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel. [Eiser] heeft Optima in februari 2007 gevraagd of terugkeer in loondienst van Optima mogelijk was. Optima heeft hier afwijzend op gereageerd.

1.10. [Eiser] heeft na 25 september 2006 (nagenoeg) dezelfde werkzaamheden verricht als de werkzaamheden die hij als Senior Financieel Adviseur verrichtte en heeft zijn leaseauto behouden. [Eiser] zou voor zijn werkzaamheden maandelijks een voorschot van € 2.000,- ontvangen en heeft deze vergoeding een aantal keer betaald gekregen.

1.11. Op 1 februari 2007 heeft Optima de samenwerking met [eiser] met onmiddellijke ingang opgezegd.

1.12. [Eiser] is van 1 maart 2007 tot 1 februari 2008 elders werkzaam geweest.

2. De vordering

2.1. [Eiser] vordert in deze procedure -na wijziging van eis- primair:

a. een verklaring voor recht dat vanaf 25 september 2006 sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Optima;

b. een verklaring voor recht dat deze arbeidsovereenkomst door Optima niet rechtsgeldig is beëindigd;

c. Optima te veroordelen tot betaling van het overeengekomen loon van € 1.850,- per maand, te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag, vanaf 25 september 2006 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, althans Optima te veroordelen tot een in goede justitie te bepalen bedrag;

d. afgifte door Optima van de salarisspecificaties vanaf 25 september 2006;

e. afgifte door Optima van de provisieoverzichten als bedoeld in de provisievoorwaarden en rekening courant betreffende de gerealiseerde omzet door [eiser]s inspanningen in de periode 25 september 2006 tot 1 februari 2007;

f. Optima te veroordelen tot betaling van de overeengekomen provisie;

g. Optima te veroordelen tot betaling van de bonus over het jaar 2006 van € 1.667,73 bruto;

h. de wettelijke verhoging over sub c, f en g;

i. de wettelijke rente over sub c, f, g en h.

2.2. Subsidiair vordert [eiser]:

j. een verklaring voor recht dat tussen Optima en [eiser] in de periode 25 september 2006 tot 1 februari 2007 een overeenkomst van opdracht heeft bestaan;

k. een bedrag van € 20.682,25 inzake provisie over de periode 25 september 2006 tot 1 februari 2007, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

l. afgifte van een deugdelijke specificatie ten aanzien van het aan [eiser] over de periode 25 september 2006 tot 1 februari 2007 toekomende provisiebedrag;

m. afgifte van een deugdelijk gespecificeerde eindafrekening betreffende de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 24 september 2006;

n. betaling van de vakantiebijslag ad € 864,40 bruto over de periode 1 mei 2006 tot 24 september 2006;

o. Optima te veroordelen tot betaling van de bonus over het jaar 2006 van € 1.667,73 bruto;

p. uitbetaling van de tegenwaarde van 34,6 niet genoten vakantiedagen over de periode 1 juni 2005 tot en met 24 september 2006, ten bedrage van € 2.946,66 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

q. de wettelijke rente over sub k, n, o en p.

2.3. Zowel primair als subsidiair vordert [eiser] de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

2.4. Ten aanzien van zijn primaire vordering heeft [eiser] het volgende gesteld.

[Eiser] heeft gedwaald ten aanzien van de opzegging op 1 november 2006, althans hij was onvoldoende in staat zijn wil te bepalen en de consequenties van zijn handelen te overzien. [Eiser] heeft bovendien na 24 september 2006 langer dan drie maanden op exact dezelfde wijze als voorheen zijn werkzaamheden verricht zodat sprake is van een arbeidsovereenkomst op grond van het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW. Noch de mondelinge mededeling van Optima van 1 februari 2007 noch de schriftelijke mededeling namens Optima Franchise B.V. is een rechtsgeldige beëindiging van de arbeids¬overeenkomst, aangezien Optima niet beschikte over een ontslagvergunning. De brief van [eiser] van 5 februari 2007 moet worden aangemerkt als het inroepen van de nietigheid van het ontslag.

2.5. Ten aanzien van zijn subsidiaire vordering heeft [eiser] gesteld dat vanaf 25 september 2006 tenminste een (samenwerkings)overeenkomst van opdracht heeft bestaan, op grond waarvan [eiser] aanspraak maakt op een bedrag van € 20.682,25 aan honorarium.

3. Het verweer

3.1. Optima heeft verzocht de eiswijziging van [eiser] buiten beschouwing te laten, omdat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Voorts stelt Optima dat de inhoud van de conclusie van repliek buiten beschouwing dient te worden gelaten, aangezien deze te laat is ingediend. Voor zover geoordeeld wordt dat de conclusie wel tijdig is genomen stelt Optima dat deze geweigerd dient te worden aangezien deze niet is ondertekend door de gemachtigde van [eiser].

3.2. Optima betwist dat zij [eiser] onder druk heeft gezet om de reeds eerder besproken franchise optie te benutten en de arbeidsovereenkomst op te zeggen. De arbeids¬overeenkomst is met ingang van 25 september 2006 rechtsgeldig geëindigd en aan [eiser] is een eindafrekening verstrekt. Voor zover geoordeeld wordt dat na 24 september 2006 althans na 1 november 2006 op grond van artikel 7:610a BW een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, voert Optima aan dat de nietigheid van de opzegging te laat is ingeroepen.

Optima betwist voorts dat [eiser] vanaf 25 september 2006 zijn werkzaamheden als Senior Financieel Adviseur heeft opgepakt. [eiser] heeft met ingang van 25 september 2006 voor eigen rekening en risico werkzaamheden verricht ten behoeve van [B.V. i.o.]. [Eiser] heeft geen werkzaamheden in opdracht van Optima verricht vanaf 25 september 2006.

Ten aanzien van de gevorderde provisie heeft Optima aangevoerd dat op grond van artikel 10 van de provisievoorwaarden het saldo van de rekening-courant en de reserverekening gedurende vijf jaar na uitdiensttreding geblokkeerd blijft. Optima wenst het bedrag van

€ 1.589,- ter zake een negatief saldo rekening courant, een door haar aan [eiser] verstrekte lening van € 16.224,95 alsmede € 150,- aan herstelkosten met betrekking tot de laptop te verrekenen met het aan [eiser] toekomende deel van het positieve saldo rekening courant over de periode na 25 september 2006 ten bedrage van € 21.060,-, zodat [eiser] per saldo nog een bedrag van € 1.115,44 aan Optima dient te voldoen.

Beoordeling van het geschil

4. Wat betreft de eiswijziging betreft, wordt opgemerkt dat dit wellicht duidelijker en vollediger had gekund maar dat dit niet tot gevolg heeft dat de eiswijziging onbegrijpelijk is en daarmee in strijd met een goede procesorde. [Eiser] heeft volstaan met het aanhalen van het begin en het einde van het oorspronkelijk onder c gevorderde, in plaats van deze zin volledig te herhalen en heeft deze zin vervolgens aangevuld met de zinsnede ‘althans Optima Hypotheekplan Nederland B.V. te veroordelen tot een zodanig bedrag als U E.A. in goede justitie zal bepalen’. De inhoud van de eiswijziging moest ook voor (de gemachtigde van) Optima duidelijk zijn geweest.

5. Het is juist dat op de conclusie van repliek die aan Optima is verzonden door de griffie van de rechtbank het dagstempel 11 november 2008 is geplaatst. Dit betrof de door [eiser] per post aan de griffie toegezonden conclusie. Het oorspronkelijke exemplaar is echter op 10 november 2008 per fax door de rechtbank ontvangen. De vrees van (de gemachtigde van) Optima dat de conclusie niet tijdig zou zijn genomen, is dan ook niet bewaarheid.

6. Dan heeft (de gemachtigde van) Optima nog onderzoek gedaan naar de handtekening die op de conclusie van repliek is geplaatst. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de conclusie van repliek is ondertekend door mr. Zandhuis. In de dagvaarding is vermeld dat mr. Zandhuis in deze procedure optreedt als advocaat van [eiser]. Nu de onderhavige procedure een kantonzaak betreft, wordt mr. Zandhuis aangemerkt als gemachtigde van [eiser]. Optima heeft dit ook als zodanig opgevat, blijkens haar conclusie van antwoord. Dat [eiser] tevens gebruik heeft gemaakt van een deurwaarder als rolgemachtigde, doet er niet aan af dat mr. Zandhuis terecht de conclusie van repliek heeft ondertekend, als gemachtigde van [eiser]. Ook aan het bezwaar van Optima op dit punt wordt derhalve voorbijgegaan, zodat nu aan de inhoud van de zaak kan worden toegekomen.

Opzegging 1 november 2006

7. Vast staat dat [eiser] de arbeidsovereenkomst op 1 november 2006 schriftelijk heeft opgezegd. De eerste vraag die dan rijst is of Optima deze opzegging ook als zodanig heeft mogen beschouwen. Een ontslagname moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn gericht op de wilsuiting de arbeidsovereenkomst op te zeggen, waarbij de nadelige gevolgen door de werknemer zijn onderkend. Optima heeft gesteld dat zij, bij monde van zowel de heer werknemer 1]als de heer [werknemer 2], [eiser] heeft geïnformeerd over de risico’s van eigen ondernemerschap en de consequenties, onder andere ten aanzien van een WW-uitkering en arbeidsongeschikheid. [Eiser] heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Gelet hierop wordt geoordeeld dat Optima er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eiser] het dienstverband wenste te beëindigen.

8. Gelet op de ernstige gevolgen die een eenzijdige ontslagneming in beginsel voor een werknemer heeft, kunnen de eisen van de goede trouw meebrengen dat een werkgever, hoezeer hij de betreffende uitingen als een ontslagneming heeft opgevat en mocht opvatten, zich ervan moet vergewissen of de werknemer werkelijk onvoorwaardelijk ontslag wilde nemen.

9. [Eiser] heeft zijn stelling dat hij door Optima onder grote druk is gezet om zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen niet met feiten onderbouwd. Optima’s beslissing om [eiser] zijn werkzaamheden als Senior Financieel Adviseur (vooralsnog) niet te laten hervatten is begrijpelijk, gelet op het medisch advies aan [eiser] om geen auto te rijden. Dat er voor [eiser] geen andere passende werkzaamheden beschikbaar waren of dat er geen vervoersmogelijkheden voor [eiser] meer waren nadat de heer [collega] hem niet langer kon halen en brengen, is onvoldoende onderbouwd.

10. Hier tegenover staat dat [eiser] en Optima reeds voordat [eiser] getroffen werd door de herseninfarcten, plannen hadden over verzelfstandiging van [eiser]. Dit zou in 2007 plaats gaan vinden, blijkens de brief van de echtgenote van [eiser] van 12 februari 2007. Het plan van Optima en [eiser] in het najaar van 2006 kwam derhalve niet uit de lucht vallen, maar werd door de omstandigheden slechts vervroegd. Dat [eiser] op dat moment geestelijk niet in staat zou zijn dergelijke beslissingen te nemen als gevolg van de herseninfarcten, is door hem niet nader onderbouwd. Blijkens de brief van de arboarts van 29 september 2006 is [eiser] de afspraak om contact op te nemen met de arboarts niet nagekomen, zodat het aan hemzelf te wijten is dat er op dat moment geen beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden.

11. Optima en [eiser] hebben vervolgens stappen ondernomen om tot een samenwerking op franchisebasis te geraken. Op enig moment zijn deze plannen echter doorkruist door de BKR-registratie. Deze omstandigheid aan de zijde van [eiser] staat los van de herseninfarcten.

12. Gelet op bovenstaande omstandigheden, alsmede op het feit dat [eiser] pas in februari 2007, derhalve drie maanden na de schriftelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst, heeft geïnformeerd of er een vacature bij Optima was, wordt geoordeeld dat Optima [eiser] aan zijn ontslagname mocht houden. De arbeidsovereenkomst tussen Optima en [eiser] is derhalve door de opzegging op 1 november 2006 geëindigd.

13. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat Optima heeft nagelaten de vakantietoeslag uit te betalen alsmede de tegenwaarde van 34,6 niet genoten vakantiedagen, maar heeft deze bedragen niet gevorderd, zodat aan het hieromtrent gestelde wordt voorbijgegaan. Hetzelfde geldt voor het saldo van de rekening courant dat gedurende het dienstverband is ontstaan.

Arbeidsovereenkomst op grond van rechtsvermoeden ex artikel 7:610a BW?

14. [Eiser] heeft vervolgens gesteld dat er ook na 24 september 2006 een arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bestaan, op grond van het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW.

15. Niet betwist is dat [eiser] na 24 september 2006 gedurende ten minste drie maanden (nagenoeg) dezelfde werkzaamheden verrichtte als gedurende de periode daarvoor. [Eiser] ontving hiervoor een beloning, te weten een maandelijks voorschot van € 2.000,-. Gelet op het bepaalde in artikel 7:610a BW wordt [eiser] dan ook vermoed deze werkzaamheden krachtens arbeids¬overeenkomst te hebben verricht.

16. Dit betekent dat het aan Optima is om dit rechtsvermoeden te weerleggen. Bij de beantwoording van de vraag hoe de contractuele relatie van partijen aangemerkt komt het aan op vaststelling van hetgeen partijen bij het aangaan van deze relatie hebben beoogd alsmede hoe partijen feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven. De volgende feiten en omstandigheden zijn hierbij van belang.

17. Blijkens de overeenkomst van vennootschap onder firma van 1 november 2006 stond partijen voor ogen dat [eiser], althans [B.V. i.o.] en Optima samen gingen werken volgens de ‘Optima Formule’. [eiser] heeft voor dit doel getracht [B.V. i.o.] op te richten en heeft werkzaamheden verricht uit naam van [B.V. i.o.]. Partijen zijn een verdeling van de winst overeengekomen en [eiser] heeft namens [B.V. i.o.] aanspraak gemaakt op betaling van provisie. Blijkens door hem verstuurde brieven aan Optima beschouwde [eiser] zich vanaf 25 september 2006 niet als werknemer van Optima maar als zelfstandige. [Eiser] mocht gebruik maken van bepaalde faciliteiten van Optima maar niet gebleken is dat Optima de bevoegdheid had [eiser] instructies omtrent het uitvoeren van de werkzaamheden te geven.

18. Gelet op al deze feiten en omstandigheden wordt geoordeeld dat de relatie tussen partijen na 25 september 2006 niet kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Het primair gevorderde wordt dientengevolge afgewezen.

Overeenkomst van opdracht?

19. Aangezien geoordeeld is dat vanaf 25 september 2006 geen arbeidsovereenkomst tussen partijen meer bestond, dient de vraag beantwoord te worden of vanaf deze datum tot 1 februari 2007 een overeenkomst van opdracht tussen partijen heeft bestaan.

20. Geoordeeld wordt dat de relatie tussen Optima en [eiser] vanaf 25 september 2006 evenmin is aan te merken als een overeenkomst van opdracht. Partijen zijn een vennootschap onder firma aangegaan op grond waarvan [eiser], althans [B.V. i.o.], op franchisebasis werkzaamheden zou gaan verrichten. [eiser] heeft na 25 september 2006 als zelfstandige werkzaamheden verricht, maar niet gebleken is dat Optima hiervoor opdracht heeft gegeven of dat [eiser] op grond van een overeenkomst tussen partijen gehouden was bepaalde werkzaamheden voor Optima te verrichten.

21. Nu [B.V. i.o.] uiteindelijk niet is opgericht, is [eiser] persoonlijk aan de vennootschaps¬overeenkomst gebonden en heeft deze overeenkomst te gelden tussen [eiser] en Optima vanaf 25 september 2006.

22. Op grond van artikel 9 van de vennootschapsovereenkomst dient de winst die door de vennootschap wordt behaald tussen de vennoten te worden verdeeld. Vast staat dat [eiser] in de periode van 25 september 2006 tot 1 februari 2007 een positief saldo op de rekening-courant heeft opgebouwd ten bedrage van € 21.060,-. Niet betwist door [eiser] is dat hem op grond van de bepalingen van de vennootschapsovereenkomst hiervan een bedrag van € 16.848,52 toekwam.

23. Optima heeft zich beroepen op verrekening van dit bedrag met een aantal bedragen die zij nog van [eiser] stelt te vorderen te hebben.

24. Optima heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen een periodeoverzicht over 2006 overgelegd met een berekening van de provisie waarop [eiser] recht had. Uit deze berekening volgt dat [eiser] over het jaar 2006 een bedrag van € 1.589,- te veel aan provisie heeft ontvangen. [Eiser] heeft hierover slechts opgemerkt dat de schuld niet is onderbouwd. Nu [eiser] heeft nagelaten specifiek aan te geven op welk punt/welke punten het overzicht dan wel de berekening van Optima niet correct is, wordt het verweer van [eiser] ten aanzien van de tegenvordering van Optima als onvoldoende onderbouwd verworpen.

25. [Eiser] heeft voorts erkend dat Optima kosten heeft voorgeschoten ten aanzien van lease van de auto en brandstof. Optima heeft gespecificeerd en met bescheiden onderbouwd gesteld welke kosten zij voor [eiser] heeft gemaakt. Ook deze kosten, van in totaal € 7.724,95, heeft [eiser] niet gespecificeerd betwist.

26. [Eiser] heeft vervolgens niet betwist dat hij de door Optima vanaf 25 september 2006 betaalde voorschotten van in totaal € 8.500,- heeft ontvangen. Zoals reeds is geoordeeld waren partijen vanaf 25 september 2006 aan de vennootschapsovereenkomst gebonden waren, zodat deze voorschotten dienen te worden verrekend met de opbrengsten die door de vennootschap zijn gerealiseerd.

27. De kosten met betrekking tot de laptop heeft [eiser] in het geheel niet betwist, zodat ook dit bedrag ad € 150,- vaststaat.

28. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep van Optima op verrekening slaagt. Aangezien de tegenvordering van Optima de vordering van [eiser] overtreft, worden ook de subsidiaire vorderingen van [eiser] afgewezen.

29. [Eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Optima bepaald op:

aan salaris gemachtigde € 1.800,00

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. Vink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2009, in aanwezigheid van de griffier.