Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH2719

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
11-712197-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 55 jarige verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 9 voorwaardelijk met een proeftijd van 4 jaren terzake van het meerdere malen ontucht plegen met twee van zijn nog minderjarige dochters en het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/712197-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 februari 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1953,

wonende te [adres en woonplaats],

raadsvrouw mr. C.G.T. van de Weerd, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 januari 2009, waarbij de officier van justitie mr. J. Koorn en de verdachte en zijn raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij. Het slachtoffers hebben geen gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

ontucht zou hebben gepleegd met zijn minderjarige dochters [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] en een eveneens minderjarig vriendinnetje van één van die dochters, [Slachtoffer 3], door hen onzedelijk te betasten.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft gepleit voor vrijspraak van alle drie ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 8 december 2007 is op het politiebureau Sliedrecht een verklaring afgelegd door [Slachtoffer 1], geboren 12 mei 1992. Zij vertelde dat in 2003 in haar gezin een politieonderzoek heeft gelopen, dat verdachte, haar vader, vervolgens een gevangenisstraf heeft uitgezeten wegens incest en daarna is teruggekomen in het gezin. Dat ging aanvankelijk goed, aldus [Slachtoffer 1], maar geleidelijk aan begon hij over de kleding weer aan haar te zitten. Hij deed dat in de woonkamer, de garage en de keuken. In de garage zat hij regelmatig aan haar borsten en billen. Hij zat ook in de woning aan haar borsten en billen en zei dan bijvoorbeeld: "Wat zit hier nou?" of "Wat een lekkere tieten". Verder betastte hij haar bovenbenen en wreef dan in de richting van haar vagina. Ongeveer 2 maanden voor het afleggen van haar verklaring was zij in de keuken sla op de borden aan het doen toen haar vader achter haar kwam staan. Hij greep met twee handen haar borsten vast en zei: "wat zit hier nou?" [Slachtoffer 1] zegt toen heel boos te zijn geworden, heeft het verteld aan haar vriendje dat in de woonkamer zat en aan haar zus [getuige 1], die dat weer heeft doorverteld aan de maatschappelijk werkster. Deze heeft vervolgens een gesprek met de ouders gevoerd en [Slachtoffer 1] is daarna in een pleeggezin ondergebracht. In haar 19 pagina's lange aangifte op 27 december 2007 voegt [Slachtoffer 1] hieraan toe dat ze zich de eerste keer niet meer kan herinneren, maar wel een keer dat ze op de bank lag. Vader heeft toen aan haar dijbenen gezeten, bijna bij haar vagina, aan haar buik en haar borsten. Ze schat dat vader sinds zijn terugkeer uit de gevangenis zo'n 50 keer aan haar heeft gezeten en dat hij daarbij sexueel getinte opmerkingen maakte als "Lekker wijf" en "tangabillen".

[Slachtoffer 1] zegt te hebben gezien dat vader met zijn handen aan de billen en buik van haar zusje [Slachtoffer 2] zat, dat [Slachtoffer 2] dat niet leuk vond en dan ook vaak wegliep. [Getuige 4], maatschappelijk werker bij het AMK (Meldpunt Kindermishandeling) vertelt in haar verklaring van 3 april 2008 dat zij naar aanleiding van een melding in september 2007 over problemen in het gezin van verdachte met dat gezin aan de slag is gegaan. Onder meer heeft zij een gesprek gehad met [Slachtoffer 2], die haar vertelde dat haar vader niet aan haar borsten had gezeten, maar wel aan haar billen en buik, dat ze het niet fijn vond dat hij dat deed, dat ze hem wegduwde, maar dat hij dat toch bleef doen.

[Slachtoffer 3] verklaart op 18 januari 2008 dat ze [Slachtoffer 1] vier jaar daarvoor bij het zwemmen had leren kennen en met haar bevriend was geworden. Tegenwoordig ziet ze haar niet veel meer, omdat ze niet zo goed overweg kan met [Slachtoffer 1]'s vriendje. [Slachtoffer 3] kwam bij [Slachtoffer 1] thuis over de vloer en verklaart dat verdachte op een dag aan het frituren was, toen met zijn hand naar voren kwam en haar borsten aanraakte. Hij deed dat zo lang dat het haar opviel. Haar drie vriendinnen, waaronder [Slachtoffer 1], stonden daar bij, aldus getuige, en die heeft ze het ook gelijk verteld toen ze wegging, omdat ze het niet prettig vond en ook geschokt was. Getuige heeft de aanraking van verdachte voorgedaan door handpalm en vingers op de rechterborst te leggen, maakte een beetje een knijpbeweging en drukte de rechterborst iets omhoog. [Slachtoffer 3] vertelt verder dat ze er later nog een keer met [Slachtoffer 1] over heeft gesproken en dat dat voor [Slachtoffer 1] weer aanleiding was om haar te vertellen over wat vader bij haar gedaan had toen ze op de bank lag. [Slachtoffer 1] bevestigt dat relaas grotendeels in een telefoongesprek met de politie op 27 oktober 2008. Het betrof volgens haar 30 augustus 2007, de verjaardag van verdachte. [Slachtoffer 1] beschrijft verdachte die dag als aangeschoten, hard pratend en "handtastelijk" naar [Slachtoffer 3] en haar tweelingzus [getuige 2], die daar kennelijk op bezoek waren. Een van de twee heeft vader ook nog op schoot getrokken. Dat vader de borsten van [Slachtoffer 3] betast heeft, heeft zij niet gezien, maar [Slachtoffer 3] heeft daar later wel tweemaal met haar over gesproken. Dat komt overeen met [Slachtoffer ] verklaring. Ook zij noemt twee keren.

Verdachte wijst erop dat hij [Slachtoffer 1] een caravan had gegeven om in te kunnen studeren. Ze zat er ook veel met haar vriendinnen. Omdat ze die caravan niet goed opruimde heeft hij gedreigd er een stuk uit te zagen en dat uiteindelijk - volgens hem in juni 2007 - ook gedaan. [Slachtoffer 1] heeft toen op een boze manier gezegd dat ze wraak zou nemen, aldus verdachte. [getuige 1], [Slachtoffer 1]'s oudere zus, heeft daar zo haar twijfels over. Volgens haar heeft verdachte veel moeite gedaan [Slachtoffer 1]'s beschuldiging te ondermijnen. Hij heeft haar heel lief gevraagd of ze het niet gedroomd had, omdat dromen ook heel echt kunnen lijken. Vader zou ook gezegd hebben dat [Slachtoffer 1] die uitspraken had gedaan uit wraak, omdat hij de caravan van [Slachtoffer 1] in tweeën had gezaagd. Zij had die caravan namelijk een keer niet goed opgeruimd. Het was voor [Slachtoffer 1] een plekje om zich terug te trekken er er met haar vriendinnen te verblijven. Dat was heel belangrijk voor haar. Ze was heel boos over het in tweeën zagen. Maar als ze wraak had willen nemen, dan had ze dat toch wel gelijk gedaan, aldus [getuige 1].

Opvallend is wat [Slachtoffer 1] zelf verklaart over haar betrouwbaarheid. Als in haar verhoor het geloof ter sprake komt, de schuldbelijdenis van vader in de kerk voor de eerdere feiten waarvoor hij gevangen had gezeten zegt ze: "Mijn vader gaat alleen maar met het geloof om als het hem goed uitkomt. Aan de ene kant gaat hij naar de kerk en bidt hij voor mensen die het slecht hebben en aan de andere kant doet hij die dingen zoals sexueel misbruik. Dat snap ik niet. Dat rijmt voor mij niet....Nu we het over het geloof hebben, mijn vader heeft onlangs ook nog gezegd, nadat ik kenbaar had gemaakt dat mijn vader weer aan mij had gezeten, dat God erbij was geweest en dat God weet dat ik heb gelogen. Maar dat is niet zo, ik blijf bij mijn standpunt. Het is wel gebeurd."

Ook bevindt zich in het dossier een proces-verbaal waarin melding wordt gemaakt van een telefoongesprek tussen [Slachtoffer 1] en een rechercheur van de zedenpolitie op 4 januari 2008. [Slachtoffer 1] komt daarin ongevraagd terug op het feit dat ze in haar aangifte gezegd heeft nooit drugs te hebben gebruikt. Dat was niet waar, zegt ze, ze had een paar keer wiet gerookt maar durfde dat bij de aangifte niet toe te geven omdat haar pleegmoeder erbij zat. Uit zichzelf vertelt [Slachtoffer 1] verder dat ze het belangrijk vindt dat de politie dit weet, anders zou het tijdens het politieonderzoek misschien toch wel uitkomen en dan zou de politie misschien concluderen dat ze niet eerlijk was geweest. Tot slot is er de verklaring van maatschappelijk werker [getuige 3]. Zij vertelt dat ze op 25 september 2007 een SMS kreeg van [getuige 1] dat er iets was met [Slachtoffer 1]. Op 26 september 2007 heeft ze er met [Slachtoffer 1] over gesproken. [Slachtoffer 1] was, aldus [getuige 3], in eerste instantie nog boos op [getuige 1] omdat ze zich voor het blok gezet voelde om erover te praten. De vorige keer in 2003 was ze ook al de klokkenluider geweest en ze vond het heel erg dat nu weer te zijn. Ze was ook bang voor de consequenties die het zou hebben als ze het aan haar zou vertellen. Ze was in eerste instantie ook boos dat [getuige 3] er melding van zou gaan maken. [getuige 1], [Slachtoffer 1]'s zus, bevestigt dit in haar verklaring in het politieverhoor van 16 februari 2008. Volgens haar vertelde [Slachtoffer 1] onder etenstijd aan haar dat verdachte weer aan haar borsten had gezeten. Ze zei dat ik het aan niemand mocht doorvertellen, aldus [getuige 1], omdat ze heel bang was voor de reactie van haar ouders. Ik bemerkte dat [Slachtoffer 1] niet wist wat ze ermee aanmoest. Ik heb het aan mijn moeder verteld. Daar was ze in eerste instantie heel boos over. Daarna heb ik [getuige 3] in kennis gesteld, aldus [getuige 1].

[Slachtoffer ] is begin dit jaar door de rechter-commissaris gehoord. In die verklaring herhaalt zij wat ze eerder al bij de politie heeft gezegd, dat er niets gebeurd is en dat haar vader nooit op een sexueel getinte manier aan haar heeft gezeten. Op de vraag waar de hulpverleners dan de informatie vandaan hebben dat zij eerder iets anders heeft verklaard zegt [Slachtoffer ]: dat zal wel van mijn zus [Slachtoffer 1] komen (RC getuigenverhoor 8 januari 2009). Over de ervaringen van [Slachtoffer 2] verklaart de maatschappelijk werkster [getuige 3] die vanuit de RST (Reformatorische Stichting Thuiszorg) het gezin van verdachte vanaf september 2005 begeleidde dat zij in het verslag van het AMK (Meldpunt Kindermishandeling) gelezen heeft dat vader tijdens het stoeien ook aan [Slachtoffer 2] haar buik en billen heeft gezeten, dat ze daar op 14 december 2007 met [Slachtoffer 2] over heeft gepraat. [Slachtoffer 2] heeft haar toen verteld dat ze er met haar vader over had gesproken en dat die had gezegd dat hij niet aan haar heeft gezeten. "En dan is het echt iets voor [Slachtoffer 2] om die gebeurtenissen in twijfel te gaan trekken omdat vader gezegd heeft dat het niet gebeurd is." [Slachtoffer 2] is een meisje dat zich heel makkelijk laat beïnvloeden, aldus de getuige. [getuige 4], raadsonderzoeker civiel bij de Raad voor de Kinderbescherming, sinds 2003 bij het gezin van verdachte betrokken, verklaart in een politieverhoor op 10 april 2008 dat [Slachtoffer 2] ook gezegd heeft dat vader haar heeft aangeraakt bij de borsten, billen en buik, maar dat ze dat dan gelijk weer afzwakt door te zeggen dat het tijdens het stoeien gebeurde en "waar moet hij me anders aanraken?" ze vond [Slachtoffer 2] angstig en teruggetrokken en ze begreep dat [Slachtoffer 2] in een periode zat waarin haar ouders haar probeerden te beïnvloeden. Eerst zou haar beugel niet betaald worden en nu weer wel. Ze zou een mooi kamertje krijgen voor zichzelf alleen. Ze zou geld krijgen voor andere dingen. Dat maakte dat ze [Slachtoffer 2] wel hoorde vertellen over aanraken, slaan en alcoholgebruik, maar dat ze de ernst ervan ook weer afzwakte, dat het allemaal niet zo erg was.

Ook [Slachtoffer 3] is begin dit jaar door de rechter-commissaris gehoord. In die verklaring blijft ze bij wat zij eerder heeft gezegd, maar tegelijkertijd nuanceert ze die eerdere verklaring. "Het duurde naar mijn idee best wel lang dat hij zijn hand op mijn borst had", zegt ze, "maar dat kan ook gekomen zijn omdat het best wel intiem is zoiets. Dan lijkt het ook lang." Verder zegt ze dat ze het idee had dat hij het bewust deed, maar dat hij aan het frituren was in de schuur en dat hij haar misschien alleen maar aan de kant wilde duwen. "Duwde hij je dan ook echt aan de kant?" (vroeg de rechter-commissaris kennelijk nog) waarop [Slachtoffer 3] antwoordde: "Nee zo hard was dat niet maar het zou wel kunnen."

Ten aanzien van feit 1 ([Slachtoffer 1]) lijkt de rechtbank verdachtes suggestie, dat zij wraak wilde nemen vanwege de doorgezaagde caravan, niet aannemelijk, vanwege het tijdverloop. Er zijn enkele maanden voorbijgegaan tussen het doorzagen en het moment waarop [Slachtoffer 1] begon te praten. Bovendien kregen hadden zowel haar zus als de maatschappelijk werkster beiden de indruk dat ze een en ander liever binnenskamers wilde houden en niet blij was met hun actie het naar buiten te brengen. Tenslotte overtuigt dat [Slachtoffer 1] bij haar relaas volhardt ondanks Gods alziendheid, die haar vader haar voorhield en dat [Slachtoffer 1] zelf uit eigen beweging nader bij de politie heeft verklaard over haar drugsgebruik. Of [Slachtoffer 1] ongeveer 50 keer is betast kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen. Wel zal dat meer keren aan de orde zijn geweest dan alleen het incident op de bank en in de keuken.

Ten aanzien van feit 2 ([Slachtoffer 2]) ontbreekt een aangifte en [Slachtoffer 2] ontkent dat bij haar iets verkeerds zou zijn voorgevallen. De rechtbank is er echter van overtuigd dat dat wel het geval is geweest. Zoals hiervoor uiteengezet heeft maatschappelijk werkster [getuige 5]kort nadat [Slachtoffer 1] de zaak had aangekaart [Slachtoffer 2] horen vertellen - en heeft [Slachtoffer 1] voorts zelf gezien - dat vader ook aan [Slachtoffer 2] had gezeten en dat ze dat niet leuk vond. De verklaring over het betasten van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 4] van de Raad voor de Kinderbescherming. [Slachtoffer 2] zelf benoemt de aanrakingen van vader ook, maar bestempelt ze als "stoeien" en dat doet ze pas lange tijd nadat de zaak aan het rollen is gebracht en die duiding gaat niet samen met eerder genoemde constatering dat ze het niet leuk vond en/of wegliep en/of dat vader dan toch niet ophield. De rechtbank acht om die reden ook ten aanzien van dit feit wettig en overtuigend bewijs aanwezig.

Ten aanzien van feit 3 [Slachtoffer 3 ] valt op dat aangeefster haar aanvankelijke verklaring vervolgens bij de rechter-commissaris nuanceert. Het zou kunnen, zegt zij, dat verdachte haar alleen maar wilde wegduwen. Die nuancering is, gelet op het tijdverloop in deze zaak en de belangen die voor verdachte en zijn familie op het spel staan, begrijpelijk, maar past niet bij het feit dat zij aanvankelijk duidelijk aangeeft het niet normaal te hebben gevonden hoe en hoe lang verdachte aan haar borst zat en dat ze er om die reden ook met haar vriendinnen en later nog een keer met [Slachtoffer 1] apart over gesproken heeft. Bij de rechter-commissaris heeft [Slachtoffer 3] de handeling beschreven en als 'intiem' betiteld. De rechtbank acht, alles bijeen genomen, om die reden ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op meerdere tijdstippen in de periode van 01 januari 2006 tot en met 06 september 2007 te Alblasserdam meermalen ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [Slachtoffer 1], geboren in 1992, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, meermalen,

- de/het borsten) en/of bil(len) en/of dijbe(e)n(en) en/of lies/zen en/of

buik heeft gestreeld en/of betast en/of

- (daarbij) heeft gezegd: "Lekker, wat zit hier nou? en "Lekker wijf"

en "Lekkere kont/tangabillen";

2.

op meerdere tijstippen in de periode van 01 januari 2006 tot en met 06 september 2007 te Alblasserdam meermalen ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [Slachtoffer 2], geboren in 1994, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, meermalen, bil(len) en/of (dij)be(e)n(en) en/of buik heeft betast;

3.

op 30 augustus 2007 te Alblasserdam, met [Slachtoffer 3] (1991), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de borst van [slachtoffer 3].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 en 2 (telkens)

ONTUCHT PLEGEN MET ZIJN MINDERJARIG KIND, MEERMALEN GEPLEEGD.

Feit 3

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAREN BUITEN ECHT ONTUCHTIGE HANDELINGEN PLEGEN.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 4 jaar.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit en subsidiair een werkstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, met referte voor wat betreft de geëiste proeftijd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Na veroordeeld te zijn tot een lange gevangenisstraf vanwege incest en aansluitend dadertherapie te hebben gevolgd heeft verdachte weer grenzen overschreden. Daarbij zijn, naast een vriendinnetje, weer twee dochters slachtoffer, waarvan er een ook slachtoffer was bij eerdergenoemde veroordeling. Met name deze dochter raakt dit extra, ook omdat zij om reden van deze gebeurtenissen het ouderlijk huis heeft verlaten, thans leeft in gebrokenheid met haar familie en afgezien van haar oudere zus verder niet echt een klankbord heeft om haar gevoelens en ervaringen te delen en te verwerken.

De rechtbank heeft niet het gevoel dat dit haar ouders veel uitmaakt. Verdachte ontkent in alle toonaarden, vindt het geen probleem vermeende karakterfouten van zijn dochter breed uit te meten en wil niet zien waar hij fout is gegaan. Dit terwijl, gezien de gevolgde dadertherapie, toch mag worden aangenomen dat hij dat inmiddels haarfijn moet kunnen benoemen. Die omstandigheid rekent de rechtbank de verdachte ernstig aan.

Nu sprake is van een eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten, bij de bewezen feiten meerdere meisjes slachtoffer zijn en deze feiten zich in elk geval bij de dochters niet slechts incidenteel, maar over langere tijd hebben voorgedaan acht de rechtbank (wederom) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en wel voor de duur van 18 maanden, in beginsel het juiste uitgangspunt. Evenwel zal ook rekening worden gehouden met het gevolg dat deze straf heeft voor verdachtes gezin, met name de jongere kinderen die daarvan deel uitmaken. Dat gevolg is onmiskenbaar, ook in materieel opzicht. Voor de beide betrokken dochters geldt bovendien waarschijnlijk dat de gebeurtenissen hen in een gevoelsconflict hebben gebracht tussen enerzijds afkeer van het gedrag van hun vader, anderzijds ook een bepaalde loyaliteit jegens met name moeder. Een hoge gevangenisstraf maakt dat gevoelsconflict waarschijnlijk scherper en pijnlijker.

De rechtbank maakt zich zorgen om de jongste dochter, die kennelijk thuis nog wel over de vloer komt en die, zeker nu vaders gedrag daar wordt gebagatelliseerd, risico's loopt. Niet alleen loopt zij die risico's, maar ook de jongere zoons lopen een risico. De rechtbank zal, ook om deze reden, een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen als flinke stok achter de deur. Hierbij zal een proeftijd worden bepaald, die zo lang is dat zij nog voorbij het moment gaat, waarop de jongste dochter de meerderjarigheid bereikt, zulks in de hoop dat daarmee de kans op herhaling zoveel mogelijk wordt beperkt.

Een en ander afwegend komt de rechtbank tot een strafoplegging als hierna in de beslissing nader vermeld.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van Eur 5.250,-.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van Eur 2.500,-, ter zake van immateriële schade, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering, bij wijze van voorschot, tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 4 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte van Eur 2.500,- ter zake van immateriële schade tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1]; vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 6 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1], Eur 2.500,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Hameete voorzitter, mr. E. van Schouten en mr. H.M. Dunsbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.C. Schroeijers griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 februari 2009.

Mr. H.M. Dunsbergen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 06 september 2007 te Alblasserdam meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [Slachtoffer 1], geboren in 1992, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal,

- de/het borst(en) en/of bil(len) en/of dijbe(e)n(en) en/of lies/zen en/of

buik heeft gestreeld en/of betast en/of

- (daarbij) heeft gezegd: "Lekker, wat zit hier nou? en/of "Lekker wijf"

en/of "Lekkere kont/tangabillen", althans woorden van gelijke aard en/of

strekking;

2.

hij op een of meerdere tijstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 06 september 2007 te Alblasserdam meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [Slachtoffer 2], geboren in 1994, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, de/het borst(en) en/of bil(len) en/of (dij)be(e)n(en) en/of buik heeft gestreeld en/of betast;

3.

hij op of omstreeks 30 augustus 2007 te Alblasserdam, met [Slachtoffer 3] (1991), die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de borst(en) van [slachtoffer 3];

Parketnummer: 11/712197-08

Vonnis d.d. 12 februari 2009