Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2009:BH2174

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
05-02-2009
Datum publicatie
06-02-2009
Zaaknummer
220930 CV EXPL 08-6362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurzaak.

Ontbinding huurovereenkomst gevorderd wegens overlast door dochter van huurder. Op artikelen 3 en 8 EVRM gegrond verweer verworpen. Volgt ontbinding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 219
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2009/58 met annotatie van Cor Goudriaan/Anne Maren Langeloo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 220930 CV EXPL 08-6362

vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 5 februari 2009

in de zaak van:

de stichting

Stichting Interstede,

gevestigd te Zwijndrecht,

eiseres,

gemachtigde mr. P.H. ter Mors

tegen:

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

gemachtigde aanvankelijk mr. H.C.Ch. Kneuvels, daarna mr. S. Kandemir.

Partijen worden hierna aangeduid als Interstede respectievelijk [gedaagde].

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 19 augustus 2008;

2. de conclusie van antwoord;

3. het tussenvonnis van 9 oktober 2008 waarin een comparitie van partijen is gelast;

3. de aantekeningen van de griffier van de op 12 november 2008 gehouden comparitie van partijen;

4. de pleitnota van Interstede;

5. de conclusie van repliek;

6. de conclusie van dupliek;

7. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1. [gedaagde] huurt vanaf 21 april 2000 van Interstede de woning aan de [adres] te Dordrecht. In het op de huurovereenkomst van toepassing zijnde huurreglement is opgenomen dat de huurder ervoor zorg dient te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich met toestemming van huurder in het gehuurde bevinden.

1.2. Mevrouw E. [dochter van gedaagde], hierna te noemen [dochter van gedaagde], is een dochter van [gedaagde]. [gedaagde] heeft [dochter van gedaagde] en haar echtgenoot in de woning opgevangen. De rechtbank heeft bij beschikkingen van 4 en 25 februari 2008 geoordeeld dat bij [dochter van gedaagde] sprake is van een stoornis van de geestvermogens (schizofrenie) die onmiddellijk dreigend gevaar doet veroorzaken. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit gevaar onder meer bestaat uit het risico dat [dochter van gedaagde] zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen en dat zij door haar hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen. In 2007 en in 2008 is [dochter van gedaagde] enige tijd opgenomen geweest in een psychiatrische inrichting.

1.3. In 2002, 2003, 2007 en 2008 heeft een aantal omwonenden van [gedaagde] geklaagd bij Interstede over overlast, veroorzaakt door [dochter van gedaagde]. De gemelde overlast bestond uit schreeuwen, met de deuren slaan, geluiden van stukgooien van spullen, politieoptreden, gehuil en geruzie. In 2007 en 2008 zijn bij de politie Zuid-Holland-Zuid diverse meldingen van omwonenden van [gedaagde] binnengekomen met betrekking tot overlast vanuit het gehuurde.

1.4. Bij vonnis van 12 juni 2008 heeft de Voorzieningenrechter te Dordrecht gelast dat [gedaagde] ervoor dient te zorgen dat [dochter van gedaagde] de woning zal verlaten totdat in een bodemprocedure zal zijn beslist.

2. De vordering

2.1. Interstede vordert in deze procedure ontbinding van de huurovereenkomst met nevenvorderingen. Interstede voert hiervoor aan dat [gedaagde] toerekenbaar tekortschiet in haar verplichting om zich te gedragen als een goed huurder door geen maatregelen te nemen om de overlast van [dochter van gedaagde] te beëindigen. Interstede stelt dat deze toerekenbare tekortkoming dermate ernstig is dat deze ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

3. Het verweer

3.1. [gedaagde] heeft betwist dat in 2007 en 2008 sprake was van een dagelijkse zeer ernstige, heftige geluidsoverlast, aangezien [dochter van gedaagde] in 2008 langdurig opgenomen was. Bovendien zijn de klachten slechts van met name twee omwonenden afkomstig.

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat haar recht op onbelemmerde uitoefening van haar familieleven met [dochter van gedaagde] en het recht op ongestoord woongenot van [dochter van gedaagde], ex artikel 8 EVRM, zwaarder dienen te wegen dan het belang van Interstede bij beëindiging van de huurovereenkomst. Tot slot heeft [gedaagde] aangevoerd dat het, gezien de afhankelijkheid van [dochter van gedaagde], in strijd is met artikel 3 EVRM is om [gedaagde] te verbieden haar familieleven uit te oefenen door middel van het opvangen van haar dochter in de woning, aangezien dit het risico op een onmenselijke behandeling voor [dochter van gedaagde] met zich meebrengt.

Beoordeling van het geschil

4. Interstede is bij repliek niet alleen ingegaan op het verweer van [gedaagde] met betrekking tot het EVRM, zoals tijdens de comparitie van partijen is bepaald, maar heeft tevens gereageerd op hetgeen [gedaagde] in haar conclusie van antwoord heeft aangevoerd en heeft een e-mail overgelegd van haar wijkbeheerder ter onderbouwing van haar stelling dat er nog steeds sprake is van overlast. Aangezien dit relevant is voor de beoordeling of er sprake is van voortdurende overlast die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt en aangezien [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren, wordt geen aanleiding gezien de stellingen en de productie van Interstede op dit punt buiten beschouwing te laten.

5. Uit de door Interstede overgelegde klachten en overlastagenda’s uit 2007 en 2008, de correspondentie tussen Interstede en [gedaagde] uit 2007, de politierapporten van 22 januari 2008 en 1 juni 2008, de brief van een aantal omwonenden van [gedaagde] van 11 januari 2008 en de e-mailcorrespondentie tussen Interstede en de politie uit 2007, is af te leiden dat [dochter van gedaagde] in 2007 en eerste helft van 2008 diverse malen overlast aan omwonenden heeft veroorzaakt vanuit het gehuurde. Dat de meeste meldingen afkomstig zijn van twee buren doet niet af aan de ernst en de mate van de overlast. Bovendien blijkt uit het schrijven van 11 januari 2008 dat ook andere omwonenden hinder ondervinden van het gedrag van de bewoners van het gehuurde. Het feit dat [dochter van gedaagde] enige tijd opgenomen is geweest, doet er niet aan af dat uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid dat zij in 2007 en 2008 wel regelmatig in het gehuurde verbleef en op die momenten regelmatig overlast veroorzaakte.

De door de omwonenden geuite angst voorts, dat door het gedrag van [dochter van gedaagde] ernstige ongelukken kunnen ontstaan, is blijkens de beschikking van de rechtbank van 25 februari 2008 niet denkbeeldig.

6. Uit de bij de comparitie van partijen overgelegde stukken en de e-mail van 1 december 2008 is af te leiden dat de klachten van omwonenden over overlast door [dochter van gedaagde] ook na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2008 niet zijn gestopt. Gelet hierop wordt geoordeeld dat sprake is van een nog steeds voortdurende overlast door [dochter van gedaagde]. De stelling van [gedaagde] dat het woongenot van de omwonenden thans door de medicatie van [dochter van gedaagde] is gegarandeerd, wordt door deze klachten niet gestaafd.

7. [gedaagde] is als huurder verantwoordelijk voor de gedragingen van diegenen die zij tot de woning toelaat, derhalve ook voor de overlast die [dochter van gedaagde] veroorzaakt. Aangezien sprake is van een voortdurende overlast door [dochter van gedaagde] wordt geoordeeld dat [gedaagde] op een dermate ernstige wijze tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, dat dit in beginsel ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

8. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat ontbinding van de huurovereenkomst in strijd is met de artikelen 3 en 8 EVRM.

Artikel 8 EVRM bepaalt onder meer dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven en zijn woning en dat inmenging van openbaar gezag slechts is toegestaan als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, onder meer in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 januari 1987 (AB 1987, 231) is af te leiden dat de normen uit artikel 8 EVRM ook kunnen worden toegepast in verhoudingen tussen burgers. Dit betekent in het onderhavige geval dat aan [gedaagde] in beginsel niet het recht kan worden ontzegd om haar dochter, van wie niet is betwist dat zij vanwege haar stoornis afhankelijk is van haar moeder, in haar woning op te nemen.

Tegenover dit recht van [gedaagde] staat het recht van de omwonenden van het gehuurde op rustig woongenot. Interstede is contractueel gehouden haar andere huurders ongestoord woongenot te verschaffen. Dit recht van de omwonenden wordt, zoals reeds is geoordeeld, ernstig geschonden door de gedragingen van [dochter van gedaagde]. Uit de door Interstede overgelegde correspondentie is af te leiden dat Interstede diverse malen heeft getracht om door middel van overleg met [gedaagde] een einde te maken aan de overlast, maar dat deze pogingen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Gelet op deze omstandigheden wordt geoordeeld dat het recht van de omwonenden op ongestoord woongenot in dit geval zwaarder dient te wegen dan het recht van [gedaagde] op ongestoord familie- en gezinsleven.

9. Afgezien van de vraag of ook artikel 3 EVRM horizontale werking heeft, wordt geoordeeld dat Interstede bij de afweging van de verschillende belangen rekening dient te houden met de gevolgen die een ontbinding van de huurovereenkomst voor een psychiatrische patiënte zal hebben. Dat toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming het risico op een onmenselijke behandeling van [dochter van gedaagde] met zich meebrengt, wordt echter als onvoldoende onderbouwd verworpen. Niet gezegd is immers dat [dochter van gedaagde], al dan niet samen met [gedaagde] en/of haar echtgenoot, niet elders een woning kan betrekken. In de brief van Interstede van 16 maart 2007 staat dat [dochter van gedaagde] en haar echtgenoot op dat moment reeds enige tijd staan ingeschreven bij woningbouwvereniging Woonkeus. In de brief van Interstede van 6 november 2007 vermeldt Interstede vervolgens dat [dochter van gedaagde], ondanks aandringen, niet meer heeft gereageerd op woningen die vrij komen. Hieruit kan worden afgeleid dat het voor [dochter van gedaagde] mogelijk moet zijn om andere woonruimte te vinden, die wellicht beter aansluit bij haar specifieke omstandigheden.

10. Nu vaststaat dat er sprake is van een ernstige toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en een afweging van de belangen van [gedaagde] en [dochter van gedaagde] tegen die van de omwonenden in het voordeel van deze laatsten uitpakt, wordt de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst met nevenvorderingen toegewezen.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en bepaalt dat [gedaagde] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de gehuurde woning moet hebben verlaten met medeneming van al het hare en al de haren en bepaalt dat Interstede, indien [gedaagde] aan het vonnis geen gehoor geeft, gerechtigd zal zijn om middels executie van het vonnis en desnoods met behulp van politie en justitie, de woning binnen te gaan en deze te ontruimen

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Interstede bepaald op:

aan explootkosten € 85,44

aan griffierecht € 288,00

aan salaris gemachtigde € 450,00

totale kosten € 823,44;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. Vink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 februari 2009, in aanwezigheid van de griffier.