Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BI3147

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/1288 en AWB 08/1289
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zie inhoud

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 08/1288 en AWB 08/1289

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[eiser], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: J. Veeren, werkzaam bij De Unie te Culemborg,

tegen

het bestuur van het [gedaagde], verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.A. Duk, advocaat te 's-Gravenhage.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van [datum] heeft het [gedaagde] tegen 30 september 2008 (hierna: Hoofdbedrijfschap) de arbeidsovereenkomst met verzoeker opgezegd.

Tegen deze brief heeft verzoeker bij brief van 21 mei 2008 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 31 oktober 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank [woonplaats].

Bij brief van 31 oktober 2008 heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank [woonplaats].

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 1 december 2008 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [gemachtigde].

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van [werknemer].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Op grond van artikel 1:3 van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge het tweede lid wordt met een besluit gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet belanghebbende is.

In artikel 1 van de Ambtenarenwet is bepaald:

1. Ambtenaar in de zin van deze wet is degene, die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn.

2. Tot den openbaren dienst behooren alle diensten en bedrijven door den Staat en de openbare lichamen beheerd.

3. Niet is ambtenaar in de zin van deze wet degene, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.

4. Tenzij het tegendeel blijkt, zijn in deze wet onder ambtenaren gewezen ambtenaren begrepen.

2.2. Verzoeker is op 1 juli 1980 in dienst getreden van [werkgever]

Bij besluit van 23 januari 2001 is verzoeker benoemd tot secretaris van het Bedrijfschap.

Het Hoofdbedrijfschap is ingesteld bij Koninklijk Besluit van 4 maart 2002. Op hetzelfde moment is het Bedrijfschap opgeheven. Ingevolge artikel 5 van het Koninklijk Besluit heeft verweerder een viertal commissies, waaronder een commissie voor aangelegenheden verband houdend met groenten en fruit ingesteld.

Sinds de overgang van het Bedrijfschap naar het Hoofdbedrijfschap heeft verzoeker bij het Hoofdbedrijfschap de functie van secretaris van de [commissie]

Bij verzoekschrift van 6 januari 2006 heeft het Hoofdbedrijfschap op de voet van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek aan de kantonrechter te [woonplaats] verzocht de arbeidsovereenkomst met verzoeker te ontbinden. De kantonrechter heeft bij beschikking van 2 maart 2006 het verzoek van het Hoofdbedrijfschap afgewezen.

Bij brief van 10 mei 2006 is verzoeker door het Hoofdbedrijfschap tijdelijk geschorst in zijn functie van secretaris van de Commissie.

Op 20 juli 2006 heeft het Hoofdbedrijfschap een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verzoeker bij de kantonrechter te 's-Gravenhage. De kantonrechter heeft dit verzoek bij beschikking van 30 oktober 2006 afgewezen.

In april 2007 heeft verzoeker bij de kantonrechter te 's-Gravenhage een vordering tegen het Hoofdbedrijfschap tot opheffing van de schorsing en wedertewerkstelling ingesteld. Bij vonnis van 15 mei 2007 heeft de kantonrechter het Hoofdbedrijfschap gelast de schorsing van verzoeker op te heffen en hem met ingang van 1 juli 2007 weer te werk te stellen in zijn functie van secretaris van de Commissie.

Bij vonnis van 13 augustus 2008 heeft de kantonrechter in het hem voorgelegde geschil onder meer geoordeeld dat verzoeker als secretaris van de Commissie hiƫrarchisch ondergeschikt is aan [werknemer] als Directeur/Algemeen Secretaris van het Hoofdbedrijfschap, maar dat dit geen afbreuk kan doen aan het belast zijn van verzoeker met de dagelijkse leiding van het secretariaat van de Commissie.

2.3. Verweerder stelt in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het vonnis van de kantonrechter van 13 augustus 2008, primair dat verzoeker met het Hoofdbedrijfschap een arbeidsovereenkomst heeft. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie waardoor het verleende ontslag gerechtvaardigd is. Verweerder wijst er op dat de brief waartegen het bezwaar zich richt geen beslissing bevat ten aanzien van het al dan niet toekennen van een ontslagvergoeding aan verzoeker en evenmin over het al dan niet vergoeden van kosten van rechtsbijstand.

2.4. Verzoeker meent dat zijn aanstelling met ingang van 1 juli 1980 als secretariaatsmedewerker bij het Bedrijfschap een ambtelijke aanstelling betreft die steunt op artikel 1, eerste en tweede lid, van de Ambtenarenwet. Verzoeker stelt dat hij verantwoordelijk is voor de aansturing van het secretariaat en bereid is het gezag van [directie] te accepteren. Verweerder heeft naar de mening van verzoeker ten onrechte de door de Ontslagcommissie geadviseerde ontslagvergoeding in de bezwarenprocedure buiten beschouwing gelaten.

2.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet over de status van ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet beschikt. De voorzieningenrechter onderschrijft hiertoe, evenals verweerder, het vonnis van de kantonrechter van 13 augustus 2008 waarin wordt overwogen als volgt: "Met HBAG is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] in zijn betoog uitgaat van een onjuiste betekenis van 6:165 BW, waarin bepaald wordt dat de bepalingen van titel 10 van boek 7 BW (kortweg: het civiele arbeidsrecht) niet van toepassing zijn ten aanzien van personen in dienst van de overheid of publiekrechtelijke lichamen, zoals bedrijfslichamen als bedoeld in artikel 66 Wbo waartoe ook HBAG behoort. Anders dan [eiser] kennelijk meent, is het niet zo dat personen in dienst van de overheid of een publiekrechtelijk lichaam, op wie het civiele arbeidsrecht niet van toepassing is verklaard, dus ambtenaar zijn in de zin van de Ambtenarenwet. In artikel 2, lid 1, aanhef en negende gedachtestreepje, van de Ambtenarenwet is immers met zoveel woorden bepaald dat titel III van die wet (de bepalingen van materieel recht) niet van toepassing is op (onder meer) personeel in dienst van (hoofd)bedrijfschappen. Voorts is in artikel 86 lid 2 Wbo bepaald dat de secretarissen van de bedrijfslichamen in dienst genomen worden door het bestuur, terwijl in lid 3 bepaald is dat het bestuur bij verordening regels stelt omtrent indienstneming, ontslag, het loon en de andere arbeidsvoorwaarden van het personeel. In de aanstellingsbrief van [eiser] bij het Bedrijfschap d.d. 17 juni 1980, wordt dan ook verwezen naar de op dat moment bij het Bedrijfschap geldende salarisverordening en verordening arbeidsvoorwaarden. Deze aanstellingsbrief heeft - naar het HBAG terecht betoogt - ook niet de vorm van een ambtelijk aanstellingsbesluit, maar die van een aanstellingsbrief ter bevestiging van de gesloten arbeidsovereenkomst, welke door [eiser] voor akkoord is ondertekend. Ten tijde van de overgang van [eiser] van het Bedrijfschap naar HBAG gold de Verordening Arbeidsvoorwaarden Personeel 1988. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en HBAG niet berust op een ambtelijke aanstelling in de zin van de Ambtenarenwet, maar op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, met dien verstande dat de inhoud daarvan niet bepaald wordt door het civiele arbeidsrecht, maar door de bij HBAG geldende verordening waarin de arbeidsvoorwaarden van het personeel geregeld zijn. De aanstellingbrief van 17 juni 1980 bevat immers geen bepaling waarin het civiele arbeidsrecht van toepassing is verklaard. De latere brieven met betrekking tot de rechtspositie van [eiser] bij het Bedrijfschap c.q. HBAG bevatten evenmin een dergelijke bepaling. Een en ander brengt mee dat de kantonrechter bevoegd is van de onderhavige vorderingen van HBAG kennis te nemen. Het onbevoegdheidsverweer van [eiser] wordt bijgevolg verworpen."

De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de mededeling van het Hoofdbedrijfschap dat de arbeidsovereenkomst met verzoeker wordt opgezegd geen publiekrechtelijke rechtshandeling behelst. De brief van [datum] kan derhalve niet aangemerkt worden als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Dit brengt mee, zo stelt de voorzieningenrechter met het oog op artikel 8:71 van de Awb vast, dat terzake van dit geschil uitsluitend een vordering bij de kantonrechter kan worden ingesteld.

Verweerder heeft het bezwaarschrift dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. In dit kader merkt de voorzieningenrechter nog op dat de mededeling van verweerder in het bestreden besluit dat tegen het besluit beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank [woonplaats] dit niet anders maakt. Verzoeker heeft er immers zelf voor gekozen om tegen de brief van [datum] bezwaar te maken.

Nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak ziet de voorzieningenrechter aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Het beroep is aldus ongegrond.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank [woonplaats],

-verklaart het beroep ongegrond;

-wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. C. Willemsen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 12 december 2008

Afschrift verzonden op: 12 december 2008