Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BI2466

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
AWB-07/353 AWB-07/687 tm AWB 07/699
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

eiser heeft over de periode 18 oktober 2006 tot en met 11 november 2006 een 14-tal naheffingsaanslagen parkeerbelasting ontvangen. Eisers auto stond tegenover het gerechtsgebouw geparkeerd op een plaats waar parkeerbelasting verschuldigd was. Na de zitting op 16 oktober 2006 is eiser overgebracht naar een huis van bewaring waar hij tot 12 november 2006 heeft verbleven. Niet is in geschil dat eiser de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan. Eisers bezwaarschrift richt zich tegen de genoemde aanslagen. Niet gesteld of gebleken is dat de aanslagen zijn bekendgemaakt vóór de dag van dagtekening, zodat de termijn voor het maken van bezwaar in het onderhavige geval steeds is aangevangen met ingang van de datum na die waarop de desbetreffende aanslag op de auto is aangebracht, laatstelijk op 11 november 2006. Dat eiser later per post duplicaataanslagen en acceptgiro’s heeft ontvangen doet de termijn in beginsel niet opnieuw aanvangen. Niet is gebleken dat eiser niet reeds op 12 november 2006 van de naheffingsaanslagen kennis had kunnen nemen. De termijnen voor het indienen van bezwaar liepen af op data variërend van 29 november 2006 tot en met op 27 december 2006. Het bezwaarschrift tegen de aanslagen is op 29 december 2006 door verweerder ontvangen. Niet is gebleken dat eiser het bezwaarschrift voor het einde van de laatste termijn ter post heeft bezorgd. De door eiser overgelegde (medische) verklaringen bieden geen aanknopingspunten om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0964
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector bestuursrecht

meervoudige belastingkamer

procedurenummers: AWB 07/353 en AWB 07/687 tot en met 07/699

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[XXX], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigden: R. Maat en L. Souljé.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser gedurende de periode 16 oktober 2006 tot 12 november 2006 de volgende naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd:

Aanslagnummer/debiteurennummer dagtekening (AWB-nummer:)

1. 181006.1733.0107/177333 18 oktober 2006 (07/693);

2. 211006.1141.0108/177333 21 oktober 2006 (07/690);

3. 241006.1737.6090/177333 24 oktober 2006 (07/699);

4. 251006.1242.5810/177333 25 oktober 2006 (07/698);

5. 271006.1152.5825/177333 27 oktober 2006 (07/697);

6. 311006.1540.4985/177333 31 oktober 2006 (07/696);

7. 031106.1555.6090/177333 3 november 2006 (07/694);

8. 041106.0933.0108/177333 4 november 2006 (07/695);

9. 061106.1022.0107/177333 6 november 2006 (07/687);

10. 071106.1435.0113/177333 7 november 2006 (07/353);

11. 081106.1223.5810/177333 8 november 2006 (07/691);

12. 091106.2047.5825/177333 9 november 2006 (07/692);

13. 101106.1519.6090/177333 10 november 2006 (07/688);

14. 111106.1040.0111/177333 11 november 2006 (07/689).

Eiser heeft tegen deze aanslagen bij brief van 11 december 2006, door verweerder ontvangen op 29 december 2006, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken van 30 maart 2007 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard en de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 9 april 2007, ingekomen op 11 april 2007, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Dit beroep is geregistreerd onder de AWB-nummers 07/353 en 07/687 tot en met 07/699.

In deze zaken is ter zitting van een enkelvoudige kamer op 13 november 2007 een inlichtingencomparitie gehouden. Het proces-verbaal van het tijdens deze zitting verhandelde is aan partijen toegezonden.

De zaken zijn vervolgens op 14 mei 2008 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is niet verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.1.2. Ingevolge artikel 225, eerste lid, aanhef en - voor zover hier van belang - onder a, van de Gemeentewet kan in het kader van de parkeerregulering belasting worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt de belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

Ingevolge artikel 234, achtste lid, van de Gemeentewet kan, in afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, indien het niet mogelijk is het aanslagbiljet terstond aan de belastingschuldige uit te reiken, worden volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken van het voertuig. Bij gebreke van een kenteken vermeldt het aanslagbiljet een of meer gegevens die kenmerkend zijn voor het geparkeerde voertuig.

2.2. Verweerder stelt zich in de bestreden uitspraken op het standpunt dat het bezwaar tegen de aanslagen niet-ontvankelijk is, nu het bezwaarschrift eerst op 29 december 2006 door verweerder is ontvangen en daarmee niet binnen de daarvoor vastgestelde termijn is ingekomen. Voorts betoogt verweerder dat het betreffende voertuig, een Opel, type Calibra C2.One.U9, (geregistreerde) kleur zwart, met kenteken [nummer], op de data als vermeld in de naheffingsaanslagen geparkeerd stond op de locatie Steegoversloot, zonder dat er een geldig betaalbewijs zichtbaar aanwezig was in het voertuig. Verweerder is om die reden van mening dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd, waarbij hij erop wijst dat de verordening Parkeerbelastingen geen vrijstelling kent voor de situatie als door eiser aangevoerd.

2.3. Eiser kan zich met de bestreden uitspraken niet verenigen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 16 oktober 2006 heeft eiser zijn voertuig, een Opel Calibra als voornoemd, voor de rechtbank geparkeerd omdat hij op die datum voor de politierechter moest verschijnen. Bij het verlaten van de zittingszaal is eiser aangehouden door de parketpolitie en overgebracht naar een politiebureau. Van 16 oktober 2006 tot en met 12 november 2006 heeft eiser in een Huis van Bewaring verbleven in verband met een nog uit te zitten straf. Eiser heeft ten overstaan van de politiebeambten aangegeven dat zijn voertuig nog stond geparkeerd op een plek waar parkeerbelasting dient te worden betaald. Met deze mededeling is niets gedaan. Eerst na zijn thuiskomst heeft eiser de naheffingsaanslagen ontvangen. Voor zover hij niet binnen de gestelde termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen is eiser van mening dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, vanwege zijn psychische problemen. Eiser leidt aan een post-traumatische stressstoornis en brengt veel tijd in bed door, zodat hij het niet eerder dan op 28 december 2006 heeft kunnen opbrengen om een bezwaarschrift op te stellen en aan verweerder te doen toekomen. Eiser wijst in dit verband op de door hem overgelegde verklaringen van zijn huisarts, C. Ouwehand te Papendrecht, van 2 april 2007 en 15 oktober 2007, alsmede de verklaring van een onafhankelijke huisarts, A.M.B.A. Schellekens te Papendrecht, van 28 november 2007.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank ziet zich in deze procedure allereerst voor de vraag gesteld of verweerder terecht heeft beslist eiser niet in zijn bezwaren te ontvangen omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 16 oktober 2006 heeft eiser zijn voertuig, een Opel Calibra, type C2.One.U9, (geregistreerde) kleur zwart, met kenteken [nummer] (hierna: de auto), geparkeerd aan de Steegoversloot te Dordrecht, tegenover het gerechtsgebouw, waar hij in verband met een zitting diende te verschijnen. Na afloop van de zitting is eiser door de parketpolitie aangehouden en overgebracht naar een Huis van Bewaring waar hij van 16 oktober 2006 tot 12 november 2006, zijnde de periode in geding, heeft verbleven. Niet is in geschil dat eiser de auto gedurende deze periode niet heeft verplaatst. De controleurs hebben op de hiervoor onder 'Ontstaan en loop van het geding' genoemde data geconstateerd dat de auto geparkeerd stond zonder dat een geldig betaalbewijs zichtbaar in de auto lag. Om die reden hebben zij eiser naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd en de desbetreffende aanslagbiljetten steeds op de auto aangebracht.

Eiser heeft niet betwist dat hij de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan. Eisers bezwaarschrift richt zich tegen de genoemde aanslagen.

Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 234, achtste lid, van de Gemeentewet kan, indien het niet mogelijk is het aanslagbiljet terstond aan de belastingplichtige uit te reiken, het aanbrengen van het biljet op of aan het voertuig worden gezien als een bekendmaking op juiste wijze. Niet gesteld of gebleken is dat de aanslagen zijn bekendgemaakt vóór de dag van dagtekening, zodat de termijn voor het maken van bezwaar in het onderhavige geval steeds is aangevangen met ingang van de datum na die waarop de desbetreffende aanslag op de auto is aangebracht, laatstelijk op 11 november 2006. Dat eiser later per post duplicaataanslagen en acceptgiro's heeft ontvangen doet de termijn in beginsel niet opnieuw aanvangen. De rechtbank volgt hierin de jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals het arrest van 1 maart 2000 (LJN: AA4987), waarin is geoordeeld dat in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de veronderstelling dat bedoeld is in afwijking van de tekst van de wet de termijn voor het instellen van bezwaar eerst te doen ingaan na de dagtekening of bekendmaking van de bedoelde aanmaning met duplicaat. De rechtbank acht in dit verband voorts van belang dat niet is gebleken dat eiser, na zijn heenzending uit het Huis van Bewaring op 12 november 2006, niet aanstonds van de naheffingsaanslagen kennis heeft kunnen nemen.

Op grond van het voorgaande, en met inachtneming van de bepalingen in de Algemene Termijnenwet, stelt de rechtbank vast dat de termijnen voor het indienen van bezwaar afliepen op data variërend van 29 november 2006 tot en met op 27 december 2006. Het bezwaarschrift tegen de aanslagen is op 29 december 2006 door verweerder ontvangen. Niet is gebleken dat eiser het bezwaarschrift voor het einde van de laatste termijn ter post heeft bezorgd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser in zijn beroepschrift van 9 april 2007 heeft verklaard dat hij eerst op 28 december 2006 in staat was bezwaar te maken tegen de hem opgelegde aanslagen. Hieruit volgt dat eiser het bezwaarschrift tegen alle naheffingsaanslagen niet binnen de hem daartoe gestelde termijn heeft ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De door eiser overgelegde verklaringen van de huisarts C. Ouwehand en de onafhankelijke huisarts A.M.B.A. Schellekens bieden geen aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat het voor eiser absoluut onmogelijk was om tijdig bezwaar in te dienen tegen de hem opgelegde naheffingsaanslagen. Evenmin is gebleken dat eiser in een situatie verkeerde waarin hij niet de hulp van derden kon inroepen bij het maken van bezwaar. Ook overigens acht de rechtbank niet gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bezwaar van eiser terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het beroep is derhalve ongegrond.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

Mitsdien beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. M.A.C. Prins en O.B. Onnes, leden, en door de voorzitter en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.