Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BG5824

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
02-12-2008
Zaaknummer
11-801679-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens roekeloos rijgedrag tot een maximale werkstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren. Verdachte heeft een ongeval veroorzaakt waarbij een ambulancebroeder zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank komt met deze straf uit onder de eis van de officier van justitie. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat het de ondergrens van roekeloos rijgedrag betreft, dat het feit een jaar geleden heeft plaatsgevonden, dat verdachte niet in voorlopige hechtenis heeft gezeten en dat het rijbewijs niet ingehouden is geweest door de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/801679-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 december 2008

in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren in 1976,

wonende te [adres en woonplaats].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 07 december 2007 te Dordrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Rijksweg A 16, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, immers

heeft verdachte onder invloed van alcoholhoudende drank een/zijn motorrijtuig (personenauto) bestuurd en/of

heeft verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) gereden op een rijstrook waarboven door middel van een (rood) kruis in een matrixbord was aangegeven dat het verboden was deze rijstrook te gebruiken

en/of

heeft verdachte zijn motorrijtuig (personenauto) bestuurd met een aanzienlijk hogere snelheid dan de 70 kilometer (per uur) die op de zich boven de weg bevindende matrixborden als de maximum toegestane snelheid stond/was aangegeven

en/of

is verdachte (door de noodzaak van het verkeer) met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) gaan remmen, waarbij en/of waardoor hij de controle over het voertuig verloor

en/of

is verdachte (vervolgens) met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), tegen een (aldaar in verband met een eerder ongeval stilstaand) motorrijtuig (te weten een als zodanig herkenbaar politievoertuig) gereden en/of gebotst

en/of

is verdachte (daarna) met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), tegen een (aldaar in verband met een eerder ongeval stilstaand) motorvoertuig (te weten een ambulance) gereden en/of gebotst

tengevolge waarvan (aan) een medewerker van genoemde ambulance te weten:

[slachtoffer] (die in de ambulance het slachtoffer van het ongeval, dat eerder had plaatsgevonden, onderzocht), zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere (af)gescheurde banden in/van de (linker)schouder en/of het (linker)sleutelbeen en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 december 2007 te Dordrecht als bestuurder van een voertuig (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 585 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

en/of

hij op of omstreeks 07 december 2007 te Dordrecht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A 16, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar en/of hinder voor het overige verkeer op die weg werd veroorzaakt althans kon worden veroorzaakt, immers

heeft verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) gereden op een rijstrook waarboven door middel van een (rood) kruis in een matrixbord was aangegeven dat het verboden was deze rijstrook te gebruiken

en/of

heeft verdachte zijn motorrijtuig (personenauto) bestuurd met een aanzienlijk hogere snelheid dan de 70 kilometer (per uur) die op de zich boven de weg bevindende matrixborden als de maximum toegestane snelheid stond/was aangegeven

en/of

is verdachte (door de noodzaak van het verkeer) met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) gaan remmen, waarbij en/of waardoor hij de controle over het voertuig verloor

en/of

is verdachte (vervolgens) met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), tegen een (aldaar in verband met een eerder ongeval stilstaand) motorrijtuig (te weten een als zodanig herkenbaar politievoertuig) gereden en/of gebotst

en/of

is verdachte (daarna) met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), tegen een (aldaar in verband met een eerder ongeval stilstaand) motorvoertuig (te weten een ambulance) gereden en/of gebotst

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd voor de duur van vier jaren. .

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 07 december 2007 te Dordrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Rijksweg A 16, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, te rijden, immers

heeft verdachte onder invloed van alcoholhoudende drank een motorrijtuig (personenauto) bestuurd en

heeft verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) gereden op een rijstrook waarboven door middel van een (rood) kruis in een matrixbord was aangegeven dat het verboden was deze rijstrook te gebruiken

en

heeft verdachte zijn motorrijtuig (personenauto) bestuurd met een aanzienlijk hogere snelheid dan de 70 kilometer per uur die op de zich boven de weg bevindende matrixborden als de maximum toegestane snelheid stond aangegeven

en

is verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) gaan remmen, waarbij hij de controle over het voertuig verloor

en

is verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), tegen een aldaar in verband met een eerder ongeval stilstaand motorrijtuig te weten een als zodanig herkenbaar politievoertuig gereden

en

is verdachte daarna met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto), tegen een aldaar in verband met een eerder ongeval stilstaand motorvoertuig te weten een ambulance gereden

tengevolge waarvan aan een medewerker van genoemde ambulance te weten:

[slachtoffer] die in de ambulance het slachtoffer van het ongeval, dat eerder had plaatsgevonden, onderzocht, zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere gescheurde banden in de schouder en het sleutelbeen,

zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

OVERTREDING VAN ARTIKEL 6 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994, TERWIJL HET EEN ONGEVAL BETREFT WAARDOOR EEN ANDER ZWAAR LICHAMELIJK LETSEL WORDT TOEGEBRACHT.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 7 december 2007 een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt. Hij is onder invloed van alcohol gaan rijden over de Rijksweg A16, terwijl de weersomstandigheden zeer slecht waren. Op deze weg was eerder op de avond ter hoogte van Dordrecht een ongeval gebeurd. De weg was daarom afgesloten, wat middels matrixborden boven de weg was aangegeven met een rood kruis. Ook was aangegeven dat de maximum snelheid tijdelijk 70 kilometer per uur bedroeg.

Verdachte heeft zijn rijgedrag niet aangepast aan deze gewijzigde omstandigheden. Verdachte zou ruim 100 kilometer per uur hebben gereden. Hij is met onverminderde snelheid blijven rijden op de afgesloten baan. Toen verdachte uiteindelijk het op deze baan staande politievoertuig in het oog kreeg was het te laat. Verdachte heeft dit voertuig vol geraakt. Wonder boven wonder hebben de inzittenden van dit voertuig de auto van verdachte op het nippertje kunnen ontwijken.

Verdachte heeft vervolgens een ambulance geraakt. Een van de ambulancebroeders is tijdens de behandeling van een patiënt, door deze botsing door de ambulance heen geslingerd. Als gevolg van de val heeft hij de banden in zijn schouder en rond het sleutelbeen gescheurd. Tot op heden is deze man niet in staat geweest zijn werkzaamheden als ambulancebroeder weer op te pakken. Na een ademtest bleek verdachte ruim twee keer de toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed te hebben.

De rechtbank acht het een wonder dat zich buiten dit zware letsel van de ambulancebroeder geen andere ongelukken hebben voorgedaan. De foto’s in het dossier van de ravage die verdachte heeft aangericht spreken voor zich. Medewerkers van hulpdiensten stellen dagelijks hun leven in de waagschaal waarneer zij hulp bieden aan slachtoffers op de weg.

Alcohol in het verkeer is doodsoorzaak nummer 1 in het verkeer en hier dient streng tegen opgetreden te worden.

De officier van justitie heeft in haar eis rekening gehouden met de richtlijnen die gelden voor roekeloos rijgedrag. De rechtbank komt eveneens tot een bewezenverklaring van roekeloos rijgedrag. Wanneer de rechtbank echter kijkt naar de omstandigheden van het geval komt zij uit aan de ondergrens van roekeloos rijgedrag. De rechtbank neemt voorts in overweging dat het feit een jaar geleden heeft plaatsgevonden, dat verdachte hiervoor slechts 1 dag in verzekering is gesteld en dat verdachte zijn rijbewijs niet ingehouden is geweest door de officier van justitie. Om deze reden zal de rechtbank afwijken van de richtlijn, zoals gehanteerd door de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is geëist, niet op zijn plaats is. De rechtbank acht een forse voorwaardelijke gevangenisstraf wel geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de maximale werkstraf opleggen.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat gelet op de ernst van het rijgedrag ook een ontzegging van de rijbevoegdheid van lange duur noodzakelijk is. Nu verdachte onlangs zijn vrachtwagenrijbewijs heeft gehaald, zal hij door deze ontzegging fors getroffen worden in zijn persoonlijke leven. De rechtbank is echter van oordeel dat de verkeersveiligheid het opleggen van deze straf rechtvaardigt.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWAALF MAANDEN;

bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

een TAAKSTRAF voor de duur van 240 UREN, bestaande uit een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt de maatstaf voor de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht op 2 uren per dag;

ONTZEGGING VAN DE BEVOEGDHEID TOT HET BESTUREN VAN MOTORRIJTUIGEN voor de duur van VIER JAREN

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter, mr. M.I. Blagrove en mr. J.A.M.J. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Herlaar, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 december 2008.

Mr. Blagrove is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

________________________________________________________________________