Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BG3594

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-08-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
AWB08/8
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wegenwet. Verzoek om handhaving openbaarheid van een weg. Ontvankelijk bezwaar. Zelf voorzien.

De beslissing op een dergelijke aanvraag is in beginsel een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, ook indien die beslissing inhoudt dat niet is voldaan aan een voorwaarde voor het ontstaan van de bevoegdheid in het concrete geval. Het betoog dat, behoudens tegenbewijs, reeds uit de aanleg van een voor eenieder toegankelijke weg met gemeenschapsgeld volgt dat het gemeentebestuur die weg openbaar heeft gemaakt in de zin van de Wegenwet, faalt gezien artikel 4, eerste lid, aanhef en onder II van die wet. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het gemeentebestuur aan de weg de bestemming van openbare weg heeft gegeven. Beroep gegrond, bezwaar ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/8

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam eiser 1], wonende te Alblasserdam,

en [naam eiser 2], [naam eiser 3] en [naam eiser 4],

allen wonende te Sliedrecht, tezamen eisers,

gemachtigde: mr. R.Th.J. van 't Zelfde, advocaat te Breda,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alblasserdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. [naam bewoner]stra, advocaat te Breda.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 5 maart 2007 hebben eisers verzocht om handhavend op te treden tegen de afsluiting van de weg die ten zuidwesten van hun perceel is gelegen en die leidt naar het pand van de heer [naam bewoner ]aan de [straatnaam 1].

Bij brief van 7 mei 2007 hebben eisers bezwaar gemaakt bij verweerder tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek.

Verweerder heeft bij besluit van 15 augustus 2007 aan eisers meegedeeld dat hij niet bevoegd is tot handhaving.

Verweerder heeft de bezwaren van eisers op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geacht mede te zijn gericht tegen de mededeling van 15 augustus 2007.

Bij besluit van 20 november 2007 heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij faxbericht van 31 december 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Op 12 mei 2008 is een inlichtingencomparitie gehouden.

De zaak is op 9 juni 2008 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

[naam eiser 1]en [naam eiser 3] zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder is ter zitting verschenen bij gemachtigde, vergezeld van [naam].

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet is een weg openbaar:

I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap;

III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.

Ingevolge het tweede lid lijdt het onder I en II bepaalde uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

Ingevolge het derde lid kan dit kenbaar maken geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kenteekenen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wegenwet kan, na de inwerkingtreding dezer wet, de onder III van het eerste lid van het voorgaande artikel bedoelde bestemming slechts worden gegeven met medewerking van den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen.

Ingevolge artikel 49 van de Wegenwet wordt een weg, welke op den legger voorkomt, aangemerkt als te zijn openbaar onder geen andere dan de uit den legger blijkende beperkingen in het gebruik, tenzij bewezen mocht worden dat na de vaststelling van den legger of na de wijziging, waarbij de weg op den legger is gebracht, de weg heeft opgehouden openbaar te zijn.

2.2. Bestreden besluit

Naar de opvatting van verweerder is zijn mededeling bij brief van 15 augustus 2007, dat de bedoelde toerit (hierna: de baan) geen openbare weg is en hij derhalve niet kan overgaan tot handhaving, geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zodat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt.

2.3. Gronden van beroep

Eisers menen, kort samengevat, dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de aan de zuidwestelijke zijde van hun perceel grenzende weg (hierna eveneens: de baan) door de gemeente tot openbare weg in de zin van de Wegenwet is bestemd. Voorafgaand aan de koop en op het moment van de levering van hun bouwkavel was de baan voor een ieder toegankelijk en openbaar. Volgens eisers blijkt dit voorts uit de documentatie die de gemeente voorafgaand aan de koop van de bouwkavel heeft gepubliceerd. Ook de voormalig burgemeester van Alblasserdam heeft jegens eisers verklaard dat de baan openbaar was en zou blijven. Naar de opvatting van eisers kan de baan dus uitsluitend aan de openbaarheid worden onttrokken nadat de gemeenteraad daartoe een besluit heeft genomen. Een dergelijk besluit ontbreekt.

Eisers hebben belang bij handhaving van de openbaarheid van de baan. De 6 garagedeuren van hun bedrijfsruimten op hun perceel hebben een uitgang die hierop is gericht. Verweerder heeft (bij de procedure omtrent de bouwvergunning) de verwachting gewekt dat de zuidwestelijke zijde van het bouwperceel over de volle breedte uitweg zou hebben op de baan. De eigenaar van het zuidwestelijk gelegen perceel, de heer [naam bewoner] weigert aan eisers toestemming te verlenen om gebruik te maken dit weggedeelte.

2.4. Beoordeling

2.4.1. Verweerder heeft de brief van eisers van 5 maart 2007 terecht aangemerkt als een verzoek om toepassing te geven aan een bestuursrechtelijke bevoegdheid. Uit artikel 1:3, derde lid, van de Awb en doel en systeem van de Awb vloeit voort dat de beslissing op een dergelijke aanvraag in beginsel een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, ook indien die beslissing inhoudt dat niet is voldaan aan een voorwaarde voor het ontstaan van de bevoegdheid in het concrete geval.

Tegen verweerders antwoord bij brief van 15 augustus 2007 niet bevoegd te zijn tot handhaving omdat de baan geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet, staat derhalve bezwaar open. Daaraan kan niet afdoen dat eisers in hun brief van 5 maart 2007 niet hebben aangegeven van welke specifieke bevoegdheid zij toepassing door verweerder vragen. Dit zou slechts anders zijn indien een bevoegdheid als door eisers bedoeld niet zou bestaan, maar dit is gesteld noch gebleken.

Verweerder heeft het bezwaar van eisers derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk geacht. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb.

2.4.2. Gelet daarop heeft de rechtbank bezien of er aanleiding bestaat met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Naar haar oordeel is dat het geval, mede nu partijen te kennen hebben gegeven er prijs op te stellen dat de zaak inhoudelijk wordt afgedaan.

2.4.2.1. De rechtbank gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feitelijke situatie. Het perceel van eisers grenst aan het perceel van de heer [naam bewoner]op het terrein “[straatnaam 1]”, ook wel plangebied Hoogendijk genaamd. Het bedrijfskavel dat eisers in september 2005 hebben gekocht en dat op 18 augustus 2006 is geleverd ten behoeve voor de exploitatie van CPS Schilderwerken B.V. betreft het kavel kadastraal gemeente Ablasserdam sectie B, nummer 4041 (gedeeltelijk) met een grootte van circa 2390 m2 en bijbehorende strook van 110 m2 kadastraal B 3969. Op 27 januari 2007 heeft de gemeente aan de heer [naam bewoner]de kavel met als onderdeel daarvan de baan, overgedragen.

2.4.2.2. De rechtbank constateert dat de baan niet de bestemming van openbare weg heeft gekregen op de wijze als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder II van de Wegenwet. Evenmin is dit geschied door een uitdrukkelijk, naar buiten toe kenbaar gemaakt besluit van de gemeenteraad ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder III, gelezen in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Wegenwet. Daaruit volgt niet dat een zodanige bestemming niet bestaat, nu in Afdeling II van de Wegenwet geen regels zijn gegeven over de wijze waarop de raad van de rechthebbende gemeente aan een weg de bestemming van openbare weg kan geven. Gelet daarop kan ook op grond van handelingen en (andere) besluiten van het gemeentebestuur worden geconcludeerd dat het toekennen van een zodanige bestemming moet hebben plaatsgevonden.

2.4.2.3. Volgens eisers heeft het gemeentebestuur van Alblasserdam op laatstbedoelde wijze aan de baan een openbare bestemming gegeven in de periode tussen de aanleg daarvan begin 2005 en de eigendomsoverdracht ervan aan [naam bewoner] in februari 2007, in welke periode de gemeente eigenaresse was. Hun betoog dat dit behoudens tegenbewijs genoegzaam blijkt uit het feit dat de weg de [straatnaam 1]voorkomt op de zogenaamde wegenlegger als bedoeld in de Wegenwet en de baan onderdeel uitmaakt van de [straatnaam 2], faalt. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat de plaatsing van de [straatnaam 1]op de legger is geschied voordat de baan was aangelegd. Eisers hebben niet gesteld dat de baan voorkomt op de wegenlegger als onderdeel van de [straatnaam 1].

Voor zover eisers hebben willen betogen dat, behoudens tegenbewijs, reeds uit de aanleg van een voor eenieder toegankelijke weg met gemeenschapsgeld volgt dat het gemeentebestuur die weg openbaar heeft gemaakt in de zin van de Wegenwet, faalt deze beroepsgrond reeds in het licht van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder II van die wet.

2.4.2.4. Gelet op het voorgaande rust op eisers de bewijslast voor de juistheid van hun stelling dat het gemeentebestuur op andere wijze dan door een uitdrukkelijk besluit aan de baan de bestemming heeft gegeven van openbare weg in de zin van de Wegenwet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers in dit bewijs niet geslaagd.

De rechtbank constateert in dit verband allereerst dat eisers hun stelling dat de baan gewoonweg een onderdeel vormt van de [straatnaam 1]niet hebben gestaafd met tekeningen of andere bewijsmiddelen waaruit aannemelijk wordt dat de aanleg van de baan van meet af aan was voorzien bij de ontwikkeling van het onderhavige bedrijventerrein Hoogendijk te Alblasserdam als onderdeel van de [straatnaam 1], althans reeds in 1999 toen eisers belangstelling kregen voor een perceel op dit bedrijventerrein. De kennelijk daartoe door eisers overgelegde kaart behorende bij het conservatoir beslag tot levering van hun perceel de dato 19 september 2000 is in dat opzicht onvoldoende duidelijk. Voor zover daaruit iets kan worden opgemaakt en daargelaten in hoeverre de informatie volgens deze kaart aan de gemeente kan worden tegengeworpen, is de baan niet op deze kaart ingetekend en is op deze kaart ter hoogte van de strook grond waarop de baan is gerealiseerd een (stippel-)lijn ingetekend die de [straatnaam 1]afscheidt van die strook grond, zoals dit op deze kaart ook het geval is ter hoogte van de toegangsroute naar het perceel dat op de kaart is ingetekend ten zuidwesten van het perceel van [naam bewoner]. Een dergelijke afscheidingslijn ter hoogte van de strook grond waarop de baan is gerealiseerd is ook aanwezig op de “Tekening optie CPS [straatnaam 1]” van 17 februari 2003, betreffende aanwezige leidingen en kabels ter plaatse; de baan is op deze tekening niet ingetekend.

Evenmin hebben eisers aannemelijk gemaakt dat de gemeente bij de verkoop van het huidige perceel van eisers hebben kenbaar gemaakt dat de baan een openbare bestemming heeft. Het tegendeel blijkt veeleer uit de door verweerder overgelegde tekening behorend bij de koopakte voor dit perceel van 22 september 2005 (als gewijzigd per 3 oktober 2005) en als zodanig door de partijen bij die koopakte geparafeerd. Daarop is eenzelfde afscheidingslijn als hiervoor bedoeld aangegeven ter hoogte van de strook grond waarop de baan is gerealiseerd (evenals ter hoogte van de toegangsroute naar het perceel ten zuidwesten van het perceel van [naam bewoner]); de baan is op deze tekening niet aangegeven. In dat licht bezien kan aan de tekening “Kavel CPS Alblasserdam” van 19 september 2005 niet de betekenis worden gehecht dat de gemeente daarmee te kennen heeft willen geven, althans heeft gegeven, dat de baan een openbare weg is in de zin van de Wegenwet.

Ook uit de stukken met betrekking tot de bouwvergunningsaanvraag voor het perceel van eisers blijkt niet van openbaarheid van de baan. Ook hier blijkt veeleer het tegendeel uit de daarbij behorende kaart “Terreinindeling CPS Schilderwerken” van 30 augustus 2005 in die zin, dat daarop de “inrit vanaf openbare weg” staat ingetekend aan de linkerzijde van het perceel, aan de andere kant als waar het perceel van eisers grenst aan de baan. De kennelijke stelling van eisers dat het gemeentebestuur door bouwvergunningverlening kenbaar zou hebben gemaakt dat de baan openbaar is omdat het wist althans had moeten begrijpen op basis van de bouwvergunningsaanvraag voor het overige, dat de openbaarheid van de baan essentieel was voor het gebruik van het gebouw waarvoor bouwvergunning werd gevraagd, faalt. Het was aan eisers dit duidelijk te maken. Niet valt in te zien waarom eisers, indien zij destijds van mening waren dat het door hen geschetste gebruik van de baan van meet af aan beoogd en noodzakelijk was, dit gebruik niet duidelijk hebben aangegeven op voormelde kaart met terreinindeling of anderszins.

Anders dan eisers menen biedt in het licht van het voorgaande ook de voorgeschiedenis met betrekking tot het perceel van [naam bewoner] geen aanknopingspunt voor hun stelling dat de baan openbaar is in de zin van de Wegenwet. Blijkens het advies van de Commissie van Advies voor de Bezwaarschriften van de gemeente van 28 augustus 2007 maakte de strook grond met de baan oorspronkelijk deel uit van de bouwkavel van [naam bewoner], maar is het perceel in verband met de hoge aanschaf- en bouwkosten aanvankelijk “geknipt” en heeft [naam bewoner] pas in een later stadium besloten om ook het deel van het perceel met de baan te kopen. Gelet daarop is het aannemelijk dat de gemeente de baan uitsluitend heeft aangelegd ten behoeve van het “geknipte” perceel van [naam bewoner]. Het feit dat de gemeente de baan heeft aangelegd met gemeenschapsgeld kennelijk zonder dat er op dat moment een regeling bestond voor verhaal van deze kosten op [naam bewoner] – wat daar overigens ook van zij – leidt ook tegen de geschetste achtergrond niet zonder meer tot de conclusie dat het gemeentebestuur aan de baan de bestemming van openbare weg in de zin van de Wegenwet heeft willen geven, waardoor praktisch gesproken – behoudens latere onttrekking aan de openbaarheid – zou zijn afgezien van de mogelijkheid de strook alsnog aan [naam bewoner] te verkopen. Daaraan doet niet zonder meer af dat de baan, naar eisers stellen en indien juist, de indruk geeft onderdeel uit te maken van de [straatnaam 1]en gedurende circa twee jaar toegankelijk is geweest voor eenieder. Deze periode is van betrekkelijk korte duur in verhouding tot de periode van tien jaar die de wetgever in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder II, van de Wegenwet heeft gesteld als termijn voor het openbaar worden van een weg ten gevolge van de toegankelijkheid van die weg voor eenieder in samenhang met het onderhoud ervan door bijvoorbeeld een gemeente.

De stelling van eisers dat de burgemeester jegens hen heeft verklaard dat de baan openbaar was en zou blijven levert, nu eisers deze stelling niet nader hebben onderbouwd en verweerder de stelling uitdrukkelijk heeft betwist, evenmin bewijs op voor hun stelling dat de baan een openbare weg is in de zin van de Wegenwet.

Hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd, in het bijzonder hun beroep op gestelde contractuele verplichtingen die de gemeente niet is nagekomen, wat daar verder ook van zij, kan niet leiden tot de conclusie dat de baan thans een openbare weg is in de zin van de Wegenwet.

2.4.2.5. Nu de baan geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet, heeft verweerder niet de publiekrechtelijke bevoegdheid om dienaangaande handhavend op te treden.

2.4.2.6. Mitsdien ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond te verklaren en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Nu, gelet op hetgeen onder punt 2.4.1. is geoordeeld, het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vastgesteld op EUR 805,- (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor het verschijnen tijdens de inlichtingencomparitie en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van EUR 322,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eisers nog andere kosten hebben moeten maken die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen.

Tevens dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 20 november 2007;

-verklaart het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2007 ongegrond;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de gemeente Alblasserdam aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van

EUR 143,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van dit beroep

redelijkerwijs hebben moeten maken, welke kosten worden begroot op EUR 805,- ter zake van door

een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de gemeente Alblasserdam aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan eisers moet

vergoeden.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter,

en door deze en E. Naaijen-van Kleunen, griffier, ondertekend.

Uitgesproken in het openbaar op: 22 augustus 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.