Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BG2199

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-10-2008
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
07/823
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ7774, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wettelijk kader

19, lid, 3, WRO

20, lid 1, aanhef en onder a en 1º, Bro 1985

44, lid 1, aanhef b t/m d, Woningwet

56a, lid 2, Woningwet

Trefwoorden:

Bouwvergunning eerste fase, goothoogte, achtergevelrooilijn, liftschacht, trappenhuis

Besluit:

Met toepassing van artikel 19, derde lid, van de toenmalige WRO, gelezen in verband met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a en 1º, van het Bro is vrijstelling verleend van het vigerende bestemmingsplan voor de incidentele goothoogteoverschrijdingen ten gevolge van de door de goot stekende kozijnen en het trappenhuis/de liftschacht en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een appartementencomplex, bestaande uit elf wooneenheden, ter vervanging van de bestaande (te slopen) woon-/winkelpanden aan de Peulenstaat 170-172, gemeente

Hardinxveld-Giessendam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/823

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

mr. K.H. May, wonende te Hardinxveld-Giessendam, eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardinxveld Giessendam, verweerder, gemachtigden: [ 2 namen gemachtigden], beiden werkzaam bij de gemeente Hardinxveld Giessendam,

aan welk geding voorts als partij deelneemt: Project Consult B.V., te Veenendaal (hierna: Project Consult), gemachtigde: [naam gemachtigde], werkzaam bij Project Consult.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 23 januari 2007, verzonden op 5 februari 2007, heeft verweerder met toepassing van artikel 19, derde lid, van de toenmalige Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in verband met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a en 1º, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: Bro), vrijstelling verleend van het vigerende bestemmingsplan voor de incidentele goothoogteoverschrijdingen ten gevolge van de door de goot stekende kozijnen en het trappenhuis/de liftschacht en heeft verweerder aan Project Consult een bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een appartementencomplex, bestaande uit elf wooneenheden, ter vervanging van de bestaande (te slopen) woon-/winkelpanden aan de Peulenstaat 170-172, op de percelen kadastraal bekend gemeente Hardinxveld-Giessendam, sectie D nummers 216, 1984 en 1985.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 maart 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 17 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 augustus 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 10 maart 2008 behandeld ter zitting van een meervoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Project Consult is verschenen bij gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 21 maart 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht nadere stukken en een schriftelijke uiteenzetting aan de rechtbank toe te zenden.

Bij brief gedateerd 28 maart 2008, ingekomen bij de rechtbank op 21 april 2008, heeft verweerder de gevraagde stukken en uiteenzetting aan de rechtbank toegezonden.

Bij brief van 19 mei 2008 met bijlagen heeft eiser gereageerd op de brief gedateerd 28 maart 2008 van verweerder.

Bij brief van 13 juni 2008 heeft Project Consult gereageerd op de brief gedateerd 28 maart 2008 van verweerder en de brief van 19 mei 2008 van eiser.

De zaak is op 24 september 2008 opnieuw behandeld ter zitting van een meervoudige kamer, gevoegd met de zaken met procedurenummers AWB 08/792 (bouwvergunning tweede fase) en AWB 08/793 (sloopvergunning).

Eiser is ter zitting verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Project Consult is verschenen bij gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, van de Woningwet, zoals luidend ten tijde van het bestreden besluit en voor zover hier van belang, moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien:

(onder b) de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening;

(onder c) het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld, of

(onder d) het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, zoals luidend ten tijde van het bestreden besluit en voor zover hier van belang, moet de bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c (of) d van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

2.1.2. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

2.1.3. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a en 1º, van het Bro komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.1.4. Ter plaatse van het vergunde appartementencomplex geldt bestemmingsplan Wieldijk Noord. Het appartementencomplex is geprojecteerd op gronden die op de plankaart zijn aangeduid met code C8, met uitzondering van een gedeelte van het trappenhuis met liftschacht dat is geprojecteerd op gronden die op de plankaart zijn aangeduid met code E3.

Ingevolge artikel 1, onderdeel 3, van de voorschriften van bestemmingsplan Wieldijk Noord (hierna: de planvoorschriften) wordt verstaan onder bouwvlak: een aaneengesloten oppervlakte met één bestemmingsaanduiding voorzien van een hoogte-aanduiding en/of een percentage waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten.

Ingevolge artikel 1, onderdeel 4, van de planvoorschriften wordt verstaan onder bouwgrens: de grens van een bouwvlak, die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze voorschriften toegelaten afwijkingen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften geeft het op de kaart achter een letter ingeschreven Arabische cijfer – tenzij in hoofdstuk II anders is bepaald en behoudens eventuele vrijstelling – de maximaal toelaatbare goothoogte van gebouwen in meters aan, dan wel – voor zover een platte afdekking wordt toegepast – de maximaal toelaatbare hoogte van het boeiboord van het platte dak.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen, voor zover hier van belang, de bouwgrenzen in afwijking van de kaart uitsluitend worden overschreden door tot gebouwen behorende trappen(huizen), mits de overschrijding niet meer dan 1.50 m bedraagt.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Centrumdoeleinden (C) bestemd voor detailhandels- en dienstverlenende bedrijven (hieronder niet begrepen horecabedrijven), kantoren, wonen alsmede voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid en cultuur. In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is bepaald dat op deze gronden ten behoeve van de bestemming hoofdgebouwen, waaronder begrepen woningen, mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Erven (E) bestemd voor erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen en gebouwen. In artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften is bepaald dat op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend mogen worden gebouwd (onder a) bijgebouwen en (onder b) bouwwerken, geen gebouw zijnde.

2.1.5. Ingevolge artikel 2.5.21, eerste lid, van de ter plaatse van het vergunde appartementencomplex geldende bouwverordening (hierna: de Bouwverordening) bedraagt, onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 van de Bouwverordening, de maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. In het derde lid van artikel 2.5.21 van de Bouwverordening is bepaald dat in afwijking van het eerste lid de maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer mag bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. In het vierde lid van artikel 2.5.21 van de Bouwverordening is bepaald dat, indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, de in het eerste lid bedoelde hoogte moet worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.

Ingevolge artikel 2.5.24, eerste lid, van de Bouwverordening mag de hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk niet meer bedragen dan 15 meter.

2.2. het bestreden besluit en het verweer

2.2.1. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit van 23 januari 2007. Ter motivering van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van 28 juni 2007 (de rechtbank leest: 27 juni 2007) van de commissie voor de bezwaarschriften, waarin – samengevat – het volgende is overwogen.

Het bezwaar van eiser dat het bouwplan in strijd is met de Bouwverordening is ongegrond. Het primaire besluit bevat een berekening van de hoogte van het bouwwerk. Niet is gebleken dat deze berekening niet correct is.

Op het punt van de goothoogten van de door de goot stekende kozijnopeningen en het trappenhuis/de liftschacht is het bouwplan in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Verweerder heeft met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling verleend van de betreffende planvoorschriften. Nu de vrijstelling van de goothoogte geen verband houdt met de vrees van eiser voor schade aan zijn belendende pand door de nieuwbouw, kan dit bezwaar van eiser niet aan de orde komen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat 1,5 parkeerplaats per appartement onvoldoende is en een ontsluiting via de openbare weg achter het perceel wordt voldoende geacht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een onderzoek door een externe deskundige noodzakelijk is. Op grond van de resultaten van een quick scan die verweerder heeft laten verrichten, kan worden geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. Verweerder heeft in het primaire besluit gemotiveerd overwogen dat nader onderzoek naar natuurwaarden niet noodzakelijk wordt geacht.

Het bezwaar van eiser inzake het niet voldoen aan redelijke eisen van welstand is ongegrond.

Hoewel artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voorschrijft dat alle stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerpbesluit ter inzage worden gelegd, waaronder de nadere motivering van de welstandscommissie, is eiser niet onevenredig benadeeld doordat deze nadere motivering niet ter inzage heeft gelegen. Eiser is bekend geworden met het betreffende document en hij heeft zich hierover tijdig kunnen beraden. De welstandscommissie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Eiser heeft geen tegenadvies van een deskundig te achten persoon of instantie overgelegd. Niet is gebleken dat aan het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken kleven dat verweerder het advies niet aan het primaire besluit ten grondslag had mogen leggen.

2.2.2. In het verweerschrift van 13 november 2007 heeft verweerder onder meer naar voren gebracht dat artikel 2.5.21 van de Bouwverordening betrekking heeft op de toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn. Gezien het feit dat de tegenoverliggende achtergevelrooilijn op ongeveer 85 meter afstand van de bouwlocatie ligt, zou de maximale bouwhoogte volgens het eerste en tweede lid van artikel 2.5.21 van de Bouwverordening uitkomen op 86 meter, ware het niet dat artikel 2.5.24 van de verordening de bouwhoogte in de achtergevelrooilijn begrenst op 15 meter. Gelet op artikel 2.5.21, derde lid, van de Bouwverordening, waarin wordt uitgegaan van de maximale hoogte, is de maximaal toegestane hoogte in de achtergevelrooilijn bepalend en niet welke hoogte de thans aanwezige bebouwing feitelijk heeft. Het appartementencomplex is in de achtergevelrooilijn niet hoger dan 15 meter.

2.2.3. In zijn brief gedateerd 28 maart 2008 heeft verweerder uiteengezet dat het appartementencomplex, voor zover geprojecteerd op gronden met de bestemming centrumdoeleinden, voldoet aan de planvoorschriften, met uitzondering van de door de goot stekende kozijnopeningen. Deze kozijnopeningen overschrijden de toegestane goot- en boeiboordhoogte van acht meter. Hiervoor had een binnenplanse vrijstelling verleend kunnen worden, maar ten behoeve van een eenduidige vrijstellingsprocedure is de overschrijding van de goot- en boeiboordhoogte meegenomen bij de vrijstelling voor de liftschacht/het trappenhuis. De liftschacht/het trappenhuis is gesitueerd in/op de bestemming ‘erven’. Hier geldt een goot- en boeiboordhoogte van drie meter. De hoogte van de liftschacht/het trappenhuis overschrijdt deze hoogte en een binnenplanse vrijstelling is niet mogelijk. Gelet op de situering van de liftschacht/het trappenhuis ten opzichte van de belendende bebouwing en de omstandigheid dat er geen sprake is van (schaduw)hinder of een vermindering van licht- of luchttoetreding voor de omgeving, is besloten om medewerking te verlenen aan de overschrijding van de goot- en boeiboordhoogte door het toepassen van artikel 19, derde lid, van de WRO. Een afzonderlijke vrijstelling voor het gebruik van de bestemming erven ten behoeve van het appartementencomplex is gelet op artikel 4 van de planvoorschriften niet noodzakelijk.

2.2.4. Ter zitting van 24 september 2008 heeft verweerder nader aangevoerd dat het bestemmingsplan en niet de Bouwverordening de maximaal toegelaten goot- en of boeiboordhoogte regelt. Onder een trappenhuis wordt in het normale spraakgebruik een liftschacht mede begrepen. Het appartementencomplex is niet geprojecteerd op een primaire waterkering.

2.3. de gronden van beroep

2.3.1. In het aanvullend beroepschrift van 25 september 2007 heeft eiser – samengevat – het volgende aangevoerd.

In het bestreden besluit is verweerder ten onrechte niet ingegaan op het standpunt van eiser dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.21, derde lid, van de Bouwverordening. Het vergunde bouwwerk is aan de achterzijde 15,20 meter hoog, inclusief liftkoker 15,80 meter. De aangrenzende bebouwing is lager en de afstand tussen die bebouwing en het vergunde bouwwerk is minder dan vijf meter.

Het bouwplan is voorts in strijd met het bestemmingsplan. Aan de vrijstelling van dit plan ligt geen bijvoorbeeld door stedenbouwkundige overwegingen onderbouwde motivering ten grondslag. Bij de afweging van de betrokken belangen had verweerder de totale impact van het bouwplan in aanmerking moeten nemen en niet alleen de onderdelen van het gebouw waarop de vrijstelling betrekking heeft. De afweging van de betrokken belangen, waaronder de privaatrechtelijke belangen van eiser, heeft niet op de juiste wijze plaatsgevonden. In de achtertuin zijn achttien parkeerplaatsen geprojecteerd. Nog afgezien van de vraag of dit aantal voldoende is, blijft het de vraag of de bestemming E3 van de tuin dit aantal toelaat. Waar de ontsluiting van het gebouw door de achtertuin is gepland, kan niet worden volstaan met de weerlegging door verweerder van de zienswijzen ten aanzien van luchtkwaliteit en natuurwaarden en de verwijzing hiernaar in het bestreden besluit. Verweerder heeft de betreffende bezwaren ten onrechte ongegrond verklaard.

In strijd met het bepaalde in artikel 3:11 van de Awb zijn niet alle stukken ter inzage gelegd. Doordat eiser pas na het indienen van een bezwaarschrift inzage in bepaalde stukken heeft gekregen, was het praktisch onmogelijk om tijdig een contra-expertise te laten verrichten. Tot op heden worden voor de beoordeling van cruciaal zijnde stukken achtergehouden. Uit het advies van de Welstandscommissie blijkt duidelijk dat zij geen enkele waardering voor het ontwerp heeft kunnen opbrengen. Het bouwplan voldoet niet aan de in rubriek H4.1 van de Welstandsnota neergelegde criteria, zoals de bepaling dat bij vervanging en nieuwbouw van een hoofdbouwmassa een van de twee genoemde typen kan worden teruggebouwd en het vereiste dat per erf of kavel één hoofdbouwmassa mag worden gebouwd. Het bouwgebied beslaat drie kavels. Overduidelijk is dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Onbegrijpelijk is hoe de Welstandscommissie ondanks het bepaalde in de Welstandsnota heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan de vastgestelde criteria. Verweerder had dit advies niet mogen volgen en hij heeft niet gemotiveerd waarom hij het wel heeft gevolgd. Het had voor de hand gelegen een tegenonderzoek te laten verrichten. Voor een eerder bouwplan met dezelfde bouwmassa en impact op de omgeving werd een extern stedenbouwkundig advies wel noodzakelijk geacht.

2.3.2. Ter zitting van 10 maart 2008 heeft eiser nader aangevoerd dat, als de tekeningen genummerd 006 en 007 worden nagemeten, blijkt dat de daarop vermelde hoogtematen afwijken van de werkelijke maten. Voorts blijkt het vierde lid van artikel 2.5.21 van de Bouwverordening niet in acht te zijn genomen. Curieus is het in het verweerschrift vermelde standpunt van verweerder dat de overschrijding van de in de Bouwverordening vastgelegde maximale hoogte is meegenomen in de vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO. Ten onrechte is deze procedure gebruikt om vrijstelling te verlenen van de Bouwverordening.

Het is duidelijk dat de kans op schade aan het pand van eiser door slopen en bouwen groot is, zeker nu in het dijklichaam een parkeerkelder wordt gerealiseerd. Er is geen aandacht besteed aan artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek, waarin onder meer is bepaald dat aan de eigenaars van een belendend erf geen hinder mag worden toegebracht door trillingen en het ontnemen van steun. Deze aspecten zijn door verweerder niet meegewogen.

Er bestaat nog steeds geen zekerheid of alle stukken bekend zijn, terwijl ook geen inventarislijst beschikbaar is gesteld. Uit een volgformulier welstand blijkt dat de Welstandscommissie een opvallende tournure heeft gemaakt. Op 15 maart 2006 is aan verweerder gerapporteerd dat het plan geen basis biedt voor een welstandshalve aanvaardbaar resultaat, maar op 14 november 2006 achtte de Welstandscommissie het plan niet strijdig met redelijke eisen van welstand. Het is niet duidelijk wat er in de tussenliggende tijd is gebeurd. De impliciete stelling in het verweerschrift dat feitelijk geen welstandstoetsing mogelijk is, is onjuist. De Peulenstraat bestaat aan beide zijden uit een bebouwingsstrook tussen twee lijnen. Het bouwplan past niet binnen de in het bestemmingsplan aangegeven maximaal mogelijke begrenzing en zal slechts met vrijstelling van de planvoorschriften en het buiten beschouwing laten van de vastgestelde welstandscriteria gerealiseerd kunnen worden. Het bouwplan voldoet niet aan de in de Welstandsnota vermelde eisen dat ( ) de situatie overwegend los van elkaar moet zijn, met inachtneming van de kleine doorkijkjes naar het achtergebied, (-) er per kavel één hoofdbouwmassa is, (-) er sprake is van een maximale hoogtevariatie als bouwhoogte van 1 tot 2 bouwlagen, met kap en passend in de gevelwand, (-) als kapvorm is toegelaten een zadeldak, een mansardkap of een afgeleide van dit type en (-) de dakbedekking bestaat uit gebakken pannen. Uit de uitspraak van 9 augustus 2006 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN AY5888) blijkt dat verweerder niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar een omgemotiveerd welstandsadvies. Ook blijkt uit deze uitspraak dat ten onrechte in aanmerking was genomen dat appellanten geen deskundigenadvies hadden overgelegd.

2.3.3. Bij brief van 19 mei 2008 heeft eiser nader aangevoerd dat het bestemmingsplan niet de mogelijkheid biedt vrijstelling te verlenen van artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften. Artikel 4 van de planvoorschriften bevat een limitatieve opsomming van toe te laten onderdelen. Liftschachten worden in deze opsomming niet vermeld. Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid tot het toelaten van een overschrijding van bestemmingsgrenzen. De gronden waarop het bouwwerk is geprojecteerd hebben mogelijk ook de bestemming primaire waterkering.

2.4. de beoordeling

2.4.1. Bij het nemen van een beslissing om al dan niet gebruik te maken van de vrijstellingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in verband met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a en 1º, van het Bro, beschikt verweerder over beleidsvrijheid. Dit betekent dat de rechtbank, op basis van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, moet beoordelen of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van vrijstelling.

Het bouwplan voorziet in het bouwen van een appartementencomplex, bestaande uit elf wooneenheden, ter vervanging van de bestaande (te slopen) panden aan de Peulenstaat 170 172 te Hardinxveld-Giessendam.

Voor zover het appartementencomplex is geprojecteerd op gronden met de bestemming centrumdoeleinden, voldoet het aan de planvoorschriften, met uitzondering van de hoogte van de door de goot stekende kozijnopeningen. De hoogte van deze kozijnopeningen overschrijdt de ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, gelezen in verband met de plankaart, maximaal toegestane goothoogte van acht meter met minder dan tien procent.

Een gedeelte van het tot het appartementencomplex behorende trappenhuis met liftschacht is geprojecteerd op gronden met de bestemming erven. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat dit, afgezien van de hoogte van het trappenhuis met liftschacht, wordt toegestaan door artikel 4, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Naar de kennelijke opvatting van verweerder moet onder het begrip trappenhuis in de zin van de planvoorschriften tevens worden begrepen een (trappenhuis in combinatie met een) liftschacht. De rechtbank acht deze uitleg niet onjuist. Een trappenhuis en een liftschacht hebben dezelfde functie in een gebouw, te weten vervoer in het verticale vlak, bevinden zich in de regel – en ook in het onderhavige geval – in hetzelfde gedeelte van het gebouw en hebben in die zin planologisch dezelfde uitstraling. Hierna wordt onder het begrip trappenhuis tevens begrepen de liftschacht.

Het beroep van eiser op artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften faalt. De bouw van het trappenhuis wordt, in afwijking van deze bepaling, toegestaan door artikel 4, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Een vrijstelling van artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften is dan ook niet noodzakelijk. Een redelijke uitleg van artikel 4, aanhef en onder a, van de planvoorschriften brengt met zich dat een onderdeel van een gebouw dat in overeenstemming met dit voorschrift is opgericht op gronden met de bestemming erven, mag worden gebruikt als gebouw.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de maximale hoogte van het trappenhuis is vastgelegd in artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, gelezen in verband met de plankaart. Verweerder heeft in dit verband naar voren gebracht dat het gaat om een goothoogte en dat het trappenhuis een plat dak heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op de planvoorschriften en de situering van het trappenhuis, op het standpunt kunnen stellen dat de overschrijding van de in de planvoorschriften neergelegde maximale hoogte van het trappenhuis geen grote inbreuk maakt op het het bestaande planologische regime.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde vrijstellingen geen grote inbreuk maken op het ter plaatse geldende planologische regime. Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat een goede ruimtelijke onderbouwing geen voorwaarde is voor het toepassen van artikel 19, derde lid, van de WRO. De beroepsgrond dat aan de vrijstelling geen door stedenbouwkundige overwegingen onderbouwde motivering ten grondslag ligt, stuit hierop af.

De beroepsgronden van eiser met betrekking tot de parkeersituatie falen. Eiser heeft zijn stellingen dat er te weinig parkeerplaatsen zijn voorzien, dat de bestemming erven de aanleg van parkeerplaatsen niet toelaat of dat er verkeershinder zal optreden niet onderbouwd met argumenten, terwijl de juistheid van deze stellingen gelet op de planvoorschriften alsmede het aantal geprojecteerde appartementen (elf) en parkeerplaatsen (achttien) niet evident is.

De beroepsgrond van eiser met betrekking tot de luchtkwaliteit slaagt evenmin. Eiser heeft in beroep niet gemotiveerd betoogd dat de in opdracht van verweerder verrichte quick scan naar (de gevolgen van het project voor) de luchtkwaliteit niet voldoet aan de daaraan te stellen. Evenmin heeft eiser een deskundigenrapport ingebracht of andere argumenten aangedragen ter onderbouwing van zijn standpunt.

De beroepsgrond van eiser met betrekking tot de natuurwaarden faalt eveneens. In bezwaar heeft eiser geen bijzondere natuurwaarden genoemd, zodat verweerder geen aanleiding hoefde te zien de verleende vrijstellingen te herroepen of nader onderzoek daarnaar te (doen) verrichten. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat eiser de ter zitting van 10 maart 2008 geponeerde stelling dat zich zeldzame vleermuizen in de tuin bevinden op geen enkele wijze heeft onderbouwd, komt aan deze stelling niet de betekenis toe die eiser daaraan gehecht wil zien.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder doorslaggevende betekenis had moeten toekennen aan de privaatrechtelijke belangen van eiser. Ook in dit verband kan er niet aan worden voorbijgezien dat de verleende vrijstellingen een geringe inbreuk maken op het ter plaatse geldende planologische regime. Uit de door eiser aangevoerde argumenten leidt de rechtbank verder af dat hij vreest voor hinder dan wel schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden. Deze laatste argumenten kunnen in beginsel geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen van de planvoorschriften. Eiser heeft geen zodanige hinder of schade aannemelijk gemaakt dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien van dit beginsel af te wijken.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van vrijstelling.

2.4.2. Het beroep van eiser op artikel 2.5.21, derde lid, van de Bouwverordening faalt op de in het verweerschrift genoemde gronden, die onder 2.2.2. zijn samengevat.

Voor zover eiser heeft willen stellen dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.5.21, vierde lid, van de Bouwverordening, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd, terwijl de juistheid ervan niet evident is.

Omdat de maximale hoogte van het trappenhuis is neergelegd in de planvoorschriften, is de Bouwverordening hierop niet van toepassing en faalt de beroepsgrond dat de vrijstelling voor de goothoogteoverschrijdingen ten gevolge van het trappenhuis in strijd is met het bepaalde in de Bouwverordening.

2.4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), bijvoorbeeld haar uitspraak van 23 juli 2008 (LJN BD8309), mag verweerder in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen aan een advies van de welstandscommissie. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling slechts anders, indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet of niet zonder meer aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag mag leggen.

Dat eiser pas in de bezwaarfase kennis heeft kunnen nemen van de motivering van het welstandsadvies, laat onverlet dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren en vormt dan ook geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Eiser heeft in bezwaar niet gesteld dat hij een deskundig tegenadvies wilde vragen en ook in beroep heeft hij een dergelijk advies niet overgelegd. Hetgeen eiser eerst in beroep heeft aangevoerd over onderdelen van het welstandsadvies die volgens hem in strijd zijn met de welstandsnota kan, bij gebreke van deskundige onderbouwing en gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet leiden tot de conclusie dat verweerder het advies van de welstandscommissie niet had mogen overnemen.

In de brief van 14 november 2006 is onder meer vermeld dat de commissie zich heeft gebaseerd op de welstandsnota en dat het bouwplan aan de vastgestelde criteria voldoet. Reeds hierom gaat de door eiser gemaakte vergelijking met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 9 augustus 2006 van de Afdeling, waarin het welstandsadvies was gebaseerd op de mededeling "afwijking nota gelet op unieke situatie", niet op.

Ook overigens ziet de rechtbank in hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder het advies van de welstandscommissie niet had mogen overnemen.

2.4.4. Het beroep van eiser is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. M.G.L. de Vette en B. van Velzen, leden, in tegenwoordigheid van V.A. van de Weyer als griffier, en door de voorzitter ondertekend.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op: 17 oktober 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.