Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BG2198

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-10-2008
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
08/792
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ7771, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning tweede fase voor de bouw van een appartementencomplex, bestaande uit elf wooneenheden, ter vervanging van de bestaande (te slopen) woon-/winkelpanden aan de Peulenstaat 170-172, gemeente Hardinxveld-Giessendam

44, lid 1, aanhef en onder a en b, Woningwet

56a, lid 3, Woningwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/792

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

mr. K.H. May, wonende te Hardinxveld-Giessendam, eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardinxveld Giessendam, verweerder,

gemachtigden:[2 namen gemachtigden], beiden werkzaam bij de gemeente Hardinxveld Giessendam,

aan welk geding voorts als partij deelneemt:

Project Consult B.V., te Veenendaal (hierna: Project Consult),

gemachtigde: [naam gemachtigde], werkzaam bij Project Consult.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft verweerder Project Consult een bouwvergunning tweede fase verleend voor het bouwen van een appartementencomplex, bestaande uit elf wooneenheden, ter vervanging van de bestaande (te slopen) woon-/winkelpanden aan de Peulenstaat 170-172, op de percelen kadastraal bekend gemeente Hardinxveld-Giessendam, sectie D nummers 216, 1984 en 1985.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 november 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 27 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 juli 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 24 september 2008 behandeld ter zitting van een meervoudige kamer, gevoegd met de zaken met procedurenummers AWB 07/823 (bouwvergunning eerste fase) en AWB 08/793 (sloopvergunning).

Eiser is ter zitting verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Project Consult is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Woningwet, zoals luidend ten tijde van het bestreden besluit en voor zover hier van belang, moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien:

(onder a) de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120;

(onder b) de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening.

Ingevolge artikel 56a, derde lid, van de Woningwet, zoals luidend ten tijde van het bestreden besluit en voor zover hier van belang, moet de bouwvergunning tweede fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

2.2. het bestreden besluit en het verweer

2.2.1. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit van 4 oktober 2007. Ter motivering van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van 6 mei 2008 van de commissie voor de bezwaarschriften, waarin – samengevat – het volgende is overwogen.

Geen van de in de Woningwet genoemde weigeringsgronden doet zich voor. Er zal gebruik worden gemaakt van stalen buispalen die, trillingsvrij, volledig op diepte worden geschroefd onder het gelijktijdig injecteren van cementgrout. Voorts is er voldoende aandacht geschonken aan de damwandconstructie. Er is voldoende rekening gehouden met de belendende percelen en het voorkomen van schade daaraan.

2.2.2. In het verweerschrift van 10 september 2008 heeft verweerder onder meer naar voren gebracht dat eiser in zijn beroepschrift niet duidelijk heeft gemaakt waarom verweerder zich niet zou mogen baseren op de gegevens die door deskundigen in rapportages zijn verwerkt en door andere externe deskundigen zijn beoordeeld. In het bouwputadvies is ingegaan op de damwandconstructie en de manier waarop die wordt aangebracht. Door de vergunninghouder is ter meerdere zekerheid van de stabiliteit toegezegd dat de fundering ter plaatse niet wordt verwijderd. Bovendien krijgt de in te brengen damwand een permanente functie. Het gedeelte tussen de damwand en de te handhaven fundering wordt opgevuld en verdicht. De door eiser genoemde grondboringen waarbij puin is aangetroffen, zijn op het achtererf van het perceel verricht ten behoeve van het milieukundig bodemonderzoek en dus niet op de plaats waar de damwand zal worden ingebracht.

2.3. de gronden van beroep

2.3.1. In het aanvullend beroepschrift van 12 augustus 2008 heeft eiser – samengevat – het volgende aangevoerd.

De korte samenvatting van de ingebrachte bezwaren is te summier en doet geen recht aan de daadwerkelijk ingebrachte bezwaren. Verzocht wordt de in het bezwaarschrift en de pleitnotities ingebrachte bezwaren als herhaald en ingelast te willen beschouwen.

Verweerder blijkt tegemoet te zijn gekomen aan de ingebrachte bezwaren over de onduidelijkheden betreffende de voorgestane bouwmethoden, in ieder geval voor wat betreft het heien. Betreffende de beoogde damwandconstructie wordt echter ten onrechte gesteld dat verweerder hieraan voldoende aandacht heeft geschonken. Dit is overduidelijk niet juist.

Ten aanzien van de bouwkundige bezwaren en vooral de onduidelijkheden betreffende de damwandconstructie wordt verwezen naar het gestelde in de procedures betreffende de sloopvergunning en de bouwvergunning eerste fase.

2.3.2. Ter zitting van 24 september 2008 heeft eiser – samengevat – het volgende aangevoerd.

Uit de beschikbare stukken bleek dat het appartementencomplex zou worden gefundeerd door het heien van prefabpalen, hetgeen uiteraard tot schade aan de omliggende gebouwen zou leiden. Kennelijk verstaat verweerder onder ‘heien’ ook het inschroeven van stalen buispalen die trillingsvrij volledig op diepte worden geschroefd. Dit is echter uitsluitend vastgelegd in de pleitnotitie van verweerder en het proces-verbaal van de zitting (naar de rechtbank begrijpt: van de commissie voor de bezwaarschriften). In de in het verweerschrift genoemde constructietekening van 20 maart 2007, die zich niet bij de gedingstukken bevindt, is sprake van het inheien van schroefinjectiepalen. Blijkens een brief van 10 april 2007 van de vergunninghouder en de aannemer aan eiser geven zij de voorkeur aan heien met prefab betonpalen, waarbij de paal vijf tot zes meter voorgeboord wordt en de rest op de klassieke wijze wordt ingeheid. Gelet op deze onduidelijkheid kan niet worden gezegd dat verweerder met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld.

De damwandconstructie was bedoeld als een tijdelijke voorziening. Uit het verweerschrift valt af te leiden dat verweerder hierover van opvatting is veranderd. Onduidelijk is waar de damwand wordt geplaatst. In het verweerschrift is vermeld dat de damwand op 1,30 meter van de wand van Peulenstraat 176 moet worden aangebracht. Dit is in strijd met de situatietekening van 21 januari 2008, die onderdeel vormt van het bouwputadvies van dezelfde datum. Uit het verweerschrift blijkt dat men een damwand wil intrillen zonder iets van de ondergrond te weten. Eventuele weerstand wordt overwonnen door water onder hoge druk in de dijk te spuiten. Voorzienbaar is dat het water bij uitgraving zal weglekken in de bouwput. Ontwatering kan desastreuze gevolgen hebben.

Verder heeft eiser ter zitting aangevoerd dat de rapporten waarop de besluitvorming van verweerder is gebaseerd zijn opgesteld in opdracht van hetzij de vergunninghouder, hetzij verweerder. De opstellers van deze rapporten zijn niet onafhankelijk en onpartijdig.

2.4. de beoordeling

2.4.1. De stelling van eiser dat de korte samenvatting van zijn bezwaren, naar de rechtbank begrijpt in het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, geen recht doet aan de ingebrachte bezwaren en het op deze stelling gebaseerde verzoek van eiser deze bezwaren als herhaald en ingelast te beschouwen, kunnen niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Van eiser had redelijkerwijs verwacht mogen worden duidelijk te maken aan welke van de door hem ingebrachte bezwaren geen recht zou zijn gedaan en toe te lichten waarom dit moet leiden tot de slotsom dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

De verwijzing van eiser naar hetgeen hij heeft aangevoerd in de onder 1. genoemde zaken met procedurenummers AWB 07/823 en AWB 08/793 kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Van eiser had redelijkerwijs verwacht mogen worden duidelijk te maken welke van de door hem aangevoerde beroepsgronden in de zaken met procedurenummers AWB 07/823 en AWB 08/793 die hij níet heeft aangevoerd in de onderhavige procedure relevant zijn voor de beoordeling van het onderhavige beroep en waarom deze beroepsgronden moeten leiden tot de slotsom dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Eiser heeft dit nagelaten. Zonder een dergelijke toelichting biedt een verwijzing naar een ander dossier in beginsel onvoldoende onderbouwing van een beroepsgrond en kan deze beroepsgrond niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding een uitzondering op dit beginsel te maken.

2.4.2. Ter zitting heeft eiser betoogd dat onduidelijk blijft hoe het appartementencomplex wordt gefundeerd, omdat hierover in de gedingstukken tegenstrijdige mededelingen zijn gedaan. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat dit betoog een nadere uitwerking vormt van de door eiser aangevoerde beroepsgronden. In het aanvullend beroepschrift heeft eiser naar voren gebracht dat verweerder tegemoet is gekomen aan de ingebrachte bezwaren over de onduidelijkheden betreffende de voorgestane bouwmethoden, in ieder geval voor wat betreft het heien. De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde dat eiser de beroepsgrond met betrekking tot de fundering van het appartementencomplex pas ter zitting heeft aangevoerd, te meer omdat deze beroepsgrond in tegenspraak is met het aanvullend beroepschrift. De rechtbank zal deze beroepsgrond dan ook niet inhoudelijk beoordelen. De verwijzing naar een in het verweerschrift genoemde constructietekening van 20 maart 2007 leidt in dit verband niet tot een andere slotsom. Gesteld noch gebleken is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet in het bezit was van deze tekening en dat hij het hieraan ontleende argument niet voorafgaand aan de zitting had kunnen aanvoeren.

Eiser heeft niet met een deskundigenrapport of andere objectief verifieerbare gegevens onderbouwd dat de door hem gevreesde schade daadwerkelijk zal optreden. Ook overigens ziet de rechtbank in het betoog van eiser geen grond voor twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit op het punt van de damwandconstructie. Dat volgens het verweerschrift ter meerdere zekerheid aanvullende maatregelen zullen worden getroffen, betekent niet dat het bestreden besluit in dit opzicht tekortschiet.

2.4.3. De beroepsgrond dat de opstellers van de rapporten waarop de besluitvorming van verweerder is gebaseerd niet onafhankelijk en onpartijdig zijn, faalt. Dat de door eiser bedoelde rapporten in opdracht zijn vervaardigd, wettigt niet de conclusie dat de opstellers ervan niet onpartijdig zijn of dat zij niet onafhankelijk zijn van hun opdrachtgevers. Hetzelfde geldt voor de stelling van eiser dat [bedrijfsnaam] Consult een vaste adviseur is van verweerder.

2.4.4. Het beroep van eiser is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. M.G.L. de Vette en B. van Velzen, leden, in tegenwoordigheid van V.A. van de Weyer als griffier, en door de voorzitter ondertekend.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op: 17 oktober 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.