Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BF3296

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-08-2008
Datum publicatie
29-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/866
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zijn besluit, waarin het gebruik van de kartbaan - inclusief de op dat moment aanwezige bouwwerken - onder voorwaarden is gedoogd tot 1 januari 2007, verlengd tot 31 december 2009. Het exploiteren van een kartbaan en het plaatsen van bouwwerken ten behoeve van die activiteit is in strijd met de agrarische bestemming van het perceel en het gebruik van de inrichting is strijdig met vigerende bestemmingsplanbepalingen. Voorts zijn er op het perceel sinds 2000 bouwwerken opgericht zonder bouwvergunning.

Gelet op de omstandigheden van het geval, onder meer de stand van zaken met betrekking tot het nieuwe bestemmingsplan en een brief van gedeputeerde staten waaruit kan worden afgeleid dat zij geen bezwaar meer hebben, ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat verweerder voldoende concreet uitzicht op legalisatie heeft kunnen aannemen en was verweerder gerechtigd af te zien van handhavend optreden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/866

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[XXX] e.a., wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: [XXX],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Strijen, verweerder.

gemachtigden: M.C. Dalm en mr. L. Bos, werkzaam bij de gemeente te Strijen.

Derde-partij:

[YYY], vertegenwoordigd door [ZZZ], derdebelanghebbende.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft na toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij besluit van 30 juli 2007 (verzonden op 2 augustus 2007) het gedoogbesluit van 14 december 2004, waarin het huidig gebruik van de kartbaan op het perceel [adres] - inclusief de op dat moment aanwezige bouwwerken - onder voorwaarden is gedoogd tot 1 januari 2007, verlengd tot 31 december 2009.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 september 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 12 maart 2008 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eisers zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De [YYY] is verschenen bij gemachtigde.

De rechtbank heeft 10 juli 2008 op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb het onderzoek heropend.

Na afloop van het heropende onderzoek heeft de rechtbank - mede gelet op de daarvoor door partijen gegeven toestemming - aanleiding gezien om op grond van artikel 8:57 van de Awb te bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt die bevoegdheid uitgeoefend door het college indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert.

2.2. Verweerder heeft zijn besluit doen steunen op de overweging dat sprake is van concreet zicht op legalisatie nu een bestemmingsplanprocedure wordt gevolgd om te komen tot een legalisering van de kartbaan.

2.3. Eisers betogen dat verweerder de illegale situatie ten onrechte gedoogt. Verweerder heeft daarbij ten onrechte het besluit van 14 december 2004 verlengd, nu dit besluit ten tijde van het bestreden besluit al was vervallen. Eisers menen voorts dat de procedure in zijn geheel over moet worden gedaan met nieuw beleid en een nieuw besluit tot gevolg. Het gebruik van de kartbaan is in strijd met de agrarische bestemming van het terrein en er is bebouwing zonder de vereiste bouwvergunningen aanwezig. Zo is de kantine zonder bouwvergunning uitgebreid en ten gevolge daarvan is de gebruiksvergunning voor de kantine ingetrokken. Verweerder dient de uitbreiding, een bijgeplaatste verplaatsbare container waarvoor de exploitant geen grote kosten hoeft te maken, te laten verwijderen en een gebruiksvergunning te verlenen voor de oude kantine. Een gebruiksvergunning kost veel geld en eisers menen dat sprake is van rechtsongelijkheid ten opzichte van andere exploitanten die wel een gebruiksvergunning moeten aanvragen. Door het verwijderen van de bijgeplaatste containers zal de overlast voor bewoners afnemen.

Eisers wijzen op hun verzoek aan verweerder van 13 maart 2000 om handhavend op te treden. Hoewel de commissie van advies voor de bezwaarschriften in die procedure op 9 september 2004 heeft geadviseerd het ingediende bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving gegrond te verklaren, heeft verweerder ten onrechte nimmer bewerkstelligd dat de bouwwerken die zonder bouwvergunning zijn geplaatst te verwijderen.

In het gedoogbesluit van 14 december 2004 is vermeld dat het besluit in ieder geval op 1 januari 2007 vervalt en dat niet uitgesloten moet worden geacht dat aanleiding zal zijn om handhavend op te treden tegen de kartbaan. Eiser meent hieraan een gerechtvaardigd vertrouwen te ontlenen dat uiterlijk in 2007 tot actie zou worden overgegaan en heeft om die reden in 2004 geen verdere actie ondernomen. Verweerder heeft ten onrechte na 1 januari 2007 tot op heden niet handhavend opgetreden. Dit is een vorm van onbehoorlijk bestuur. In dit kader hebben eisers gewezen op het in 2005 opgestelde beleid 'handhavingsprogramma op het gebied van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving' op grond waarvan in mei 2005 een inventarisatie zou worden gemaakt in de polder Het Oudeland in Strijen. Voorts is het gedoogbesluit naar eisers opvatting in strijd met het door verweerder geschreven overgangsrecht in zijn brief van 2 december 1998. In dit overgangsrecht is bepaald dat strijdige activiteiten qua aard en omvang niet mogen worden vergroot. De bebouwing is qua omvang wel degelijk vergroot zodat verweerder de regelgeving rond het overgangsrecht moet naleven, aldus eisers. Verweerder biedt de kartbaan door nu niet op te treden ten onrechte het vertrouwen dat de bebouwing boven de maximaal toegestane hoogte van 3 meter zal worden gelegaliseerd. Deze bebouwing hoger dan 3 meter moet dan ook op korte termijn worden verwijderd, aldus eisers. Van een gerechtvaardigd vertrouwen voor de exploitant van de kartbaan, zoals vermeld in de brief van 6 maart 2007 aan ARAG en in het gedoogbesluit van 14 december 2004, dat er na 40 jaar niet meer handhavend kan worden opgetreden kan naar eisers mening evenmin sprake zijn. De aanleg en het gebruik van de kartbaan is illegaal. In dit kader wijst eiser op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 31 juli 2002 (kenmerk 200201074/1; LJN: AE5968; AB 2003, 188). Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de omwonenden. Eisers stellen ernstig te zijn geschaad in hun leefgenot in en om hun woning. Zij ondervinden ernstige geluidhinder en stankoverlast van de kartbaan. Daarnaast ervaren zij de bebouwing en de vlaggenmasten op het terrein aan de Voorweg als een verstoring van hun zicht vanuit de achtertuin op de horizon. Eisers verwijten verweerder meer rekening te houden met de gebruikers van de kartbaan, die nagenoeg allen buiten de gemeente Strijen wonen, dan met de omwonende bewoners. Verweerder en de provincie hebben geen zorg- of verantwoordingsplicht tot het verplaatsen van de baan. Eisers stellen dat de kartbaan door verweerders beleid niet wordt gestimuleerd goed te zoeken naar een andere locatie. Sluiting van de kartbaan is ook een optie.

Voorts heeft verweerder de punten uit de zienswijze wel beantwoord, maar niet weerlegd. Voorts hebben eisers een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007 (kenmerk: 200606014/1; LJN BA5983).

Van een concreet zich op legalisatie is volgens eisers geen sprake. Uit de notulen van de vergadering van de commissie wonen en werken van de gemeente Strijen van 11 september 2007 blijkt dat er geen enkel commissielid onvoorwaardelijk steun geeft aan de voorgestelde bestemmingsplanwijziging.

Het bevreemdt eisers dat verweerder minimaal de dubbele periode nodig heeft om een bestemmingsplanprocedure te kunnen realiseren dan eerst gedacht. Eisers vrezen voor nog een verlenging. Zij verzoeken de rechtbank verweerder een dwangsom op te leggen bij overschrijding van een redelijke termijn. Tot slot verzoeken eisers de rechtbank het bestreden besluit te vernietigen en verweerder op te dragen alle geldende wetten en regelgeving op en rond het terrein aan [adres] uit te voeren en binnen 1 maand na uitspraak handhavend op te treden tegen alle bouwwerken en objecten die na 2000 zijn geplaatst op het terrein zonder bouwvergunning.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag namens wie beroep is ingesteld. Bij het instellen van zijn beroep heeft [XXX] reeds vermeld dat hij in zijn beroep wordt gesteund door diverse bewoners en heeft hij verwezen naar een handtekeningenlijst welke vóór het aflopen van de beroepstermijn is ingediend. Op verzoek van de rechtbank heeft [XXX] bij brief van 5 maart 2008 schriftelijke volmachten overgelegd van een 23-tal personen, allen woonachtig aan [adres 2] dan wel [adres 3], waarin zij hem hebben gemachtigd tot het namens hen instellen van beroep. De namen van deze personen komen overeen met namen zoals deze zijn vermeld op de handtekeningenlijst van april 2007, opgesteld in het kader van de zienswijze. Gelet hierop acht de rechtbank voldoende duidelijk namens wie beroep is ingesteld. Ook artikel 6:13 van de Awb verzet zich niet tegen ontvankelijkverklaring van deze eisers in beroep nu zij reeds als indieners van de zienswijze kunnen worden aangemerkt.

Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De kartbaan is sinds begin jaren '60 gevestigd aan [adres] in de gemeente Strijen.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Plan in hoofdzaak uit 1951" heeft het perceel een agrarische bestemming. Het exploiteren van een kartbaan en het plaatsen van bouwwerken ten behoeve van die activiteit is in strijd met die bestemming. Tevens is het gebruik van de inrichting strijdig met vigerende bestemmingsplanbepalingen.

Voorts zijn er op het perceel sinds 2000 bouwwerken opgericht zonder bouwvergunning.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder mitsdien de bevoegdheid om handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van concreet zicht op legalisatie sprake is.

Bij brief van 14 december 2004 hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland-Zuid laten weten dat er op dat moment geen reëel zicht was op een vervangende locatie van de kartbaan en dat zij tot de conclusie zijn gekomen dat een nieuw onderzoek op dit punt geen soelaas biedt. Gedeputeerde staten hebben daarbij hun bereidheid uitgesproken tot medewerking aan legalisering van de kartbaan tot de bestaande omvang zoals is vastgelegd in de door hen op 13 mei 2004 verleende milieuvergunning.

Het ontwerpbestemmingsplan "Polder het Oudeland" heeft vanaf 16 juli 2007 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Verweerders verwachting is dat het bestemmingsplan pas eind 2009 onherroepelijk zal zijn. In het nieuwe bestemmingsplan zal worden vastgelegd welke bebouwingsmogelijkheden er zijn op het terrein van de kartbaan. Zodra het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden wordt bezien voor welke bouwwerken een bouwvergunning kan worden afgegeven en welke bouwwerken eventueel verwijderd moeten worden.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bestemmingsplan inmiddels op 18 december 2007 door de gemeenteraad is vastgesteld. Het plan ligt ter goedkeuring bij gedeputeerde staten bij wie bedenkingen zijn ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat uit de genoemde brief van 14 december 2004 mag worden afgeleid dat er van de kant van de provincie geen bezwaren zullen zijn. Verder is niet gebleken dat het ontwerpbestemmingsplan niet voorziet in legalisering van het gebruik van het gehele perceel als kartbaan. In het beroep zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat verweerder er niet van mocht uitgaan dat het exploiteren van de kartbaan en het plaatsen van bouwwerken ten behoeve van die activiteit overeenkomstig het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan zou kunnen worden gelegaliseerd.

Bovendien heeft verweerder met betrekking tot de zonder bouwvergunning opgerichte bouwwerken toegezegd dat na inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan op reguliere wijze aanvragen moeten worden ingediend ter verkrijging van de vereiste bouwvergunningen en dat deze zullen worden getoetst aan de dan geldende bepalingen.

Van een opgewekt vertrouwen richting de exploitant van de kartbaan dat alle bouwwerken met de huidige afmetingen zonder meer zullen worden toegestaan is gelet hierop geen sprake. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat verweerder voldoende concreet uitzicht op legalisatie heeft kunnen aannemen.

De stelling van eisers dat uit de notulen van 11 september 2007 van de commissie wonen en werken niet kan worden afgeleid dat deze commissie akkoord is gegaan met het ontwerpbestemmingsplan is achterhaald nu - zoals hierboven reeds is vermeld - ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad op 18 december 2007 het bestemmingsplan heeft vastgesteld.

De uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007, waarop eisers een beroep hebben gedaan, is niet vergelijkbaar met onderhavige situatie. In de casus van bedoelde uitspraak was - in tegenstelling tot hetgeen hier het geval is - geen milieuvergunning verleend en was dat ook niet te verwachten, zodat van een concreet zicht op legalisatie geen sprake was.

Evenmin volgt de rechtbank de stelling van eisers dat een andere procedure gevolgd had moeten worden, nu de ten behoeve van het bestreden besluit gevolgde openbare voorbereidingsprocedure met voldoende waarborgen is omkleed en gelijk te stellen is met de door eisers bedoelde inspraakprocedure ten behoeve van een nieuw besluit.

Alhoewel eisers moet worden toegegeven dat de gedoogprocedures langere tijd in beslag nemen dan door verweerder is voorzien leidt dit niet tot het oordeel dat van onbehoorlijk bestuur sprake is.

De rechtbank verwerpt het betoog van eisers dat zij er gegeven het gedoogbesluit van 2004 op mochten vertrouwen dat na 1 januari 2007 tot handhaving zou worden overgegaan. In dit besluit staat dat "niet uitgesloten moet worden geacht dat een negatieve uitkomst van de bestemmingsplanprocedure aanleiding zal zijn om handhavend op te treden tegen de kartbaan". Van een harde toezegging dat tot handhaving zou worden overgegaan is geen sprake, nog daargelaten dat de mogelijkheid van optreden was gekoppeld aan een negatieve uitkomst van de bestemmingplanprocedure.

Het advies van de bezwaarcommissie van 9 september 2004 waarnaar eisers hebben verwezen kan in onderhavige procedure niet ter beoordeling staan nu dit is uitgebracht ten behoeve van de besluitvorming in 2004 en daarbij andere feiten en omstandigheden aan de orde waren.

Nu concreet uitzicht op legalisatie bestond, was verweerder gerechtigd af te zien van handhavend optreden.

De rechtbank overweegt voorts dat bij het gedoogbesluit voorwaarden zijn gesteld en dat eisers verweerder kunnen verzoeken handhavend op te treden indien deze voorwaarden worden overtreden. Ter zitting is onweersproken gesteld dat na het gedoogbesluit van 2004 geen wijzigingen zijn doorgevoerd wat betreft de bedrijfsvoering of de omvang van de bouwwerken.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, rechter, en door deze en E. Naaijen-van Kleunen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.