Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BF0205

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
09-09-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
11-500174-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor opzettelijke brandstichting in zijn cel op de detentieboot te Dordrecht, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf uitdrukkelijk rekening gehouden met de geringe omvang van de brand. Bewijsoverwegingen ten aanzien van voorwaardelijk opzet en te duchten levensgevaar. Promis-vonnis.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/402
NbSr 2008/402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/500174-08 [P]

Zittingsdatum: 26 augustus 2008

Uitspraak: 9 september 2008

STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op 20 december 1986,

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: op 5 april 2008 opzettelijk brand heeft gesticht op de detentieboot te Dordrecht.

Feit 1 subsidiair: op 5 april 2008 een aan zijn schuld te wijten brand heeft veroorzaakt op de detentieboot te Dordrecht.

2. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. Omdat uit het dossier niet voldoende duidelijk wordt wat de oorzaak van de brand was en in het bijzonder niet of de brand is ontstaan door een sigaret van verdachte, acht zij bewezen dat vuur in aanraking is gebracht met het laken, de deken of het matras. De officier van justitie acht de verklaringen van verdachte over het ontstaan van de brand niet aannemelijk, gelet op de inhoud van de technische rapportages en de getuigenverklaringen van het personeel op de boot. De officier van justitie is dan ook van oordeel dat verdachte de bedoeling had om brand te stichten.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de oorzaak van de brand niet is vast te stellen. In tegenstelling tot de officier van justitie acht hij de verklaring van verdachte wel aannemelijk. Er is in ieder geval onvoldoende bewijs voor de aanwezigheid van een vooropgezet plan bij verdachte. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van het opzet in de voorwaardelijke variant.

De raadsman heeft voorts gedeeltelijk vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde levensgevaar dat te duchten zou zijn voor anderen. De raadsman verwijst op dit punt naar het technische rapport van 9 april 2008. Hierin staat vermeld dat afhankelijk van diverse factoren, zoals alertheid van het personeel, de veiligheidsvoorzieningen, alsmede de brandbaarheid van de gebruikte materialen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Volgens de raadsman is echter uit een rapport van het ministerie van VROM d.d. 7 mei 2008 gebleken, dat de detentieboot 98 van de 100 punten scoort op het gebied van brandveiligheid. Zij kwam in dit onderzoek het beste uit de bus. Uit het onderzoek van de technische recherche is daarnaast gebleken dat brandbaarheid van de gebruikte materialen niet groot was. Als het te duchten levensgevaar afhing van deze factoren, zoals gesteld in de conclusie van de technische recherche, is er geen levensgevaar te duchten geweest.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 5 april 2008 heeft een brand plaatsgevonden in een cel op de detentieboot aan de Kerkeplaat te Dordrecht. Na een brandalarm is door personeel geconstateerd dat er in cel F01 brand was en dat het matras en het beddengoed van het onderste bed van een stapelbed in brand stonden. De brand veroorzaakte een enorme rookontwikkeling. In genoemde cel zat één gedetineerde, geregistreerd onder de naam [verdachte], geboren 20 december 1986 [geboorteplaats]. Ten tijde van de brand zaten er 21 gedetineerden in het betreffende brandcompartiment, 68 gedetineerden op de afdeling F, waar cel F01 onderdeel van uitmaakte en in totaal zaten er 291 gedetineerden in de detentieboot. 1

De oorzaak van de brand

Door de technische recherche is een sporenonderzoek ingesteld naar de oorzaak van de brand. Door de technische recherche is vastgesteld dat de brand is ontstaan aan de lakens en/of deken aan het voeteneinde van het bed. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op een technische oorzaak van de brand. De brand is kennelijk ontstaan door het al dan niet opzettelijk bijbrengen van vuur in enigerlei vorm bij de lakens / deken aan het voeteneinde van het onderste bed van het stapelbed. Hierbij is het aannemelijk dat de brand niet op bed is ontstaan, maar waarschijnlijk aan de daar (gedeeltelijk) loshangende lakens en / of deken, aldus de technische recherche.

Door de brand is gemeen gevaar voor goederen ontstaan en is daarvan, afhankelijk van diverse factoren zoals de alertheid van personeel, de veiligheidsvoorzieningen / maatregelen evenals brandbaarheid van de gebruikte materialen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten geweest, aldus de technische recherche.2

Naar aanleiding van de door verdachte afgelegde verklaringen dat de brand was ontstaan doordat hij een brandende sigarettenpeuk/ sjekkie aan het voeteneinde van zijn bed had gelegd, is met veiliggestelde monsters van het bed aanvullend onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat een sigarettenpeuk na enige tijd doofde en dat van de deken alleen het bovenste laagje enigszins smolt. Het laken ging niet branden, ook niet wanneer een sigarettenpeuk in een plooi werd gelegd. Het laken begon met behulp van een vlam wel vrij snel te branden, waarbij de deken en het schuimrubber begonnen te smelten. De conclusie van dit onderzoek luidt dat, hoewel het niet geheel uit te sluiten is, het minder aannemelijk is dat de brand is ontstaan door een brandende peuk dan dat deze is ontstaan door een open vlam bij de lakens of dekens te houden.3

Verdachte heeft in eerste instantie bij de politie verklaard dat de brand is ontstaan doordat hij een brandende sigaret/sjekkie op het bed had gelegd.4 In een later verhoor heeft verdachte verklaard dat hij niet weet hoe de sigaret/sjekkie daar terecht is gekomen.5 Er was in ieder geval een asbak in zijn cel aanwezig. Omdat deze niet in de slaapruimte aanwezig was, zou hij zijn brandende sjekkie/sigaret op bed hebben neergelegd. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij een sigaret/ sjekkie ging roken en naar de keuken ging toen de koffie klaar was en daarna rook in zijn cel ontdekte. Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard niet meer te weten hoe het gegaan is. Hij stelt het sjekkie niet op bed te hebben achtergelaten en niet te weten of het sjekkie of zijn aansteker is gevallen omdat alles gebeurde in een fractie van een seconde6.

Op grond van het bovenstaande kan de rechtbank niet met zekerheid de specifieke technische oorzaak van de brand vaststellen. Het staat voor de rechtbank evenwel vast dat de brand is veroorzaakt door handelen van verdachte. Gelet op de conclusies van de technische onderzoeken, het feit dat verdachte alleen op zijn cel was toen de brand ontstond en hij de beschikking had over een aansteker alsmede gelet op het ontbreken van aanwijzingen voor een technische oorzaak, kan het naar het oordeel van de rechtbank immers niet anders dan dat verdachte op enigerlei wijze vuur in aanraking heeft gebracht met de lakens/dekens op zijn bed. Of dit met open vuur of met een brandende sigaret/ sjekkie is geweest acht de rechtbank voor een bewezenverklaring niet van belang.

Opzet

De rechtbank heeft vastgesteld dat de brand is ontstaan door het handelen van verdachte. Op grond van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat verdachte met een uitdrukkelijke vooropgezette bedoeling om brand te stichten heeft gehandeld.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het veroorzaken van de brand. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verdachte met zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daardoor brand zou ontstaan.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op het ontstaan van een brand door het in aanraking brengen van vuur, zowel van een brandende sigaret/sjekkie als van een aansteker, met lakens of dekens aanmerkelijk is. In de onderhavige zaak heeft deze kans zich ook verwezenlijkt. Ter terechtzitting heeft verdachte, daarnaar gevraagd, ook verklaard dat hij zeker wel wist dat het op het bed leggen van een sjekkie brand kan veroorzaken.7 Nu verdachte, ondanks deze wetenschap, toch enige vorm van vuur met de lakens en/of dekens van zijn bed in aanraking heeft gebracht, heeft hij bewust het risico genomen dat er brand zou kunnen ontstaan en dit risico ook aanvaard. Verdachte heeft daarom voorwaardelijk opzet gehad op de brandstichting.

De rechtbank acht in tegenstelling tot de raadsman ook bewezen dat van de brand levensgevaar voor anderen te duchten was. Voor bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging is het niet noodzakelijk dat het levensgevaar concreet is geweest. Voldoende is dat de mogelijkheid op levensgevaar voor anderen heeft bestaan.

In het huidige geval bevonden zich 291 gedetineerden op de detentieboot. Dit zijn veel personen die opgesloten zitten op een relatief klein oppervlak, die voor hun veiligheid bij een brand afhankelijk zijn van het personeel. Hoe goed de brandveiligheid van de detentieboot ook mag zijn, er moet altijd rekening gehouden worden met het feit dat een brand, gelet op de onvoorspelbaarheid en ongecontroleerde ontwikkeling daarvan, uit de hand kan lopen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 05 april 2008 te Dordrecht opzettelijk brand heeft gesticht in een cel op de detentieboot gelegen aan de Kerkeplaat, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met een laken en/of een deken en/of een matras, ten gevolge waarvan dat laken en/of die deken en/of dat matras vlam heeft/hebben gevat en/of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die detentieboot en de inventaris van die detentieboot en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de op die detentieboot aanwezige personen te duchten was.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

Primair

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS;

en

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR EN GEVAAR VOOR ZWAAR LICHAMELIJK LETSEL VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat de eis van de officier van justitie te hoog is. De verdediging verzoekt rekening te houden met de geringe omvang van de brand en het feit dat de oorzaak ongewis is. Een gevangenisstraf van zes maanden vindt zij passend en geboden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte verbleef op 5 maart 2008 in vreemdelingenbewaring op de detentieboot in Dordrecht. Hij heeft op zijn kamer een sjekkie gerookt, waarna er brand is ontstaan in zijn cel. De oorzaak van de brand kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Hoewel het gezien de brandschade, aannemelijker is dat verdachte open vuur in aanraking met de lakens heeft gebracht, kan een brandende sigaret/sjekkie als oorzaak niet worden uitgesloten.

De brand is in ieder geval ontstaan door het handelen van verdachte.

Door snel en adequaat handelen van het personeel van de detentieboot was de brand snel onder controle. De schade heeft zich gelukkig beperkt tot deels verbrandde lakens, een deken en een gesmolten matras. Buiten ademhalingsproblemen bij sommige personeelsleden hebben zich verder geen persoonlijke ongelukken voorgedaan.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, bekend met de mogelijke gevolgen van brandstichting, om wat voor reden dan ook opzettelijk vuur in aanraking heeft gebracht met het beddengoed op zijn bed.

Verdachte is in Nederland niet eerder met justitie in aanraking geweest voor strafbare feiten. De rechtbank is voor het overige niet bekend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte waarmee zij rekening zou kunnen houden bij de bepaling van de straf.

Nu verdachte in afwachting is van zijn uitzetting uit Nederland, kan aan hem slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd worden.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van deze straf nadrukkelijk rekening met de geringe omvang van de brand. Hoewel er sprake is van een zeer ernstig feit, had de situatie nog veel meer uit de hand kunnen lopen. Naar het oordeel van de rechtbank houdt de officier van justitie in haar eis onvoldoende rekening met de betrekkelijk geringe gevolgen van de brand. De geringe omvang van de brand is reden voor de rechtbank om een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan gevorderd, en wel een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

7. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 3.4 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 4. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

mr. dr. M.I. Blagrove en mr. T. Kooijmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Herlaar,griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 september 2008.

Wegens afwezigheid is mr. T. Kooijmans buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 05 april 2008 te Dordrecht opzettelijk brand heeft gesticht in een cel op de detentieboot (gelegen aan de Kerkeplaat), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende sigaret op een deken en/of een laken en/of een matras gegooid en/of gelegd, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een laken en/of een deken

en/of een matras, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat laken en/of die deken en/of die matras vlam heeft/hebben gevat en/of geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor die detentieboot en/of de inventaris van die detentieboot, in elk geval gemeen gevaar voor goederen

en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de op die detentieboot aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 april 2008 te Dordrecht, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam een brandende sigaret op een deken en/of laken en/of matras in een cel op de detentieboot (gelegen aan de

Kerkeplaat) heeft gegooid en/of gelegd, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat dat laken en/of die deken en/of die matras vlam heeft/hebben gevat en/of geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor die detentieboot en/of de inventaris van die detentieboot, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de op die detentieboot aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond;

1 Het proces-verbaal van aangifte opgenomen op pagina AG.1.2 van het eind proces-verbaal PL1810/08-502262, van de Politie Zuid-Holland-Zuid, d.d. 22 mei 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van dossierparagraaf 0.1 tot en met VH1.3.

2 Het proces-verbaal van onderzoek naar een brandoorzaak, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde eindproces-verbaal, dossierpagina AH.1

3 Het aanvullend proces-verbaal van technisch onderzoek, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde eindproces-verbaal, dossierpagina AH.2

4 Het proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde eindproces-verbaal, dossierpagina VH1.1

5 Het proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde eindproces-verbaal, dossierpagina VH1.3

6 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 26 augustus 2008

7 Zie noot 6.