Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BE9415

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
11-510026-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor moord op zijn partner (dus opzet en voorbedachte raad bewezen). De rechtbank heeft de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar geacht omdat hij ten tijde van het bewezenverklaarde in een floride psychotische toestand verkeerde. De rechtbank heeft verdachte derhalve ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 1 jaar opgelegd op grond van de voornoemde geestesgesteldheid van verdachte.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 37
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/510026-08

Zittingsdatum : 14 augustus 2008

Uitspraak : 28 augustus 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in1953,

[adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Vught, locatie Nieuw Vosseveld 1 en 2, te Vught.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven en thans luidt:

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2008 te Dordrecht opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] althans het (boven)lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde feit bewezen achtend- gevorderd ver-dachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en een maatregel tot plaatsing in een psychia-trisch ziekenhuis op te leggen voor de duur van maximaal 1 jaar. Daarnaast heeft zij ver-zocht het gebruikte mes en de inbeslaggenomen medicatie te onttrekken aan het verkeer.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer gevoerd en een beroep gedaan op een strafuit-sluitingsgrond.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 25 januari 2008 te Dordrecht opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een mes in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank dat nu op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de in het dossier aanwezige stukken, in het bijzonder de inhoud van het rapport d.d. 7 juli 2008 van de arts-patholoog F.R.W. van de Goot, alleen bewezen kan worden dat verdachte in haar hals en/of de nek is gesneden en niet dat zij daar ook is gestoken, verdachte voor dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverwegingen

4.3.1 De raadsvrouw heeft als verweer gevoerd -zakelijk weergegeven- dat ten tijde van zijn handelen bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken en dat er derhalve geen sprake kan zijn van opzet.

4.3.2 De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of er bij verdachte sprake was van opzet op het gepleegde delict het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzettelijk zijn partner [slachtoffer] heeft gedood. Dit volgt uit de wijze waarop het delict is gepleegd, zoals dit blijkt uit de bewijsmiddelen. Het slachtoffer is immers met een (brood)mes in haar borststreek

gestoken. Uit het pathologisch rapport blijkt dat het steekkanaal 13 cm diep was, er waarschijnlijk meerdere steekbewegingen zijn gemaakt en dat bij deze steekbeweging(en) onder meer de aorta, luchtpijp en linkerboezem zijn doorstoken. Daarnaast is het slachtoffer herhaaldelijk in haar hals gesneden waarbij de luchtpijp, slokdarm en linkerhalsslagader zijn doorgesneden.

Tot slot heeft de verdachte verklaard dat hij een kussen in het gezicht van het slachtoffer gedrukt heeft. Deze gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer] als gevolg, dat het niet anders kan dan dat verdachte doelbewust en met de voor het bewijs van het tenlastegelegde feit vereiste opzet heeft gehandeld.

4.3.3 Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts niet gebleken dat er van een door de raadsvrouw bedoelde uitzonderlijke situatie sprake is geweest, nu niet is gebleken dat verdachte niet begreep dat zijn handelingen, bestaande uit het in de borst steken en in de hals snijden van het slachtoffer alsmede uit het met een kussen in het gezicht drukken, haar dood tot gevolg zou hebben.

In het bijzonder heeft de rechtbank daarbij acht geslagen op hetgeen de deskundige dr. M.J. van Trommel ter zitting heeft verklaard en met name dat hij geen aanwijzingen heeft dat de geestesgesteldheid van verdachte in onderhavig geval aan zijn opzet op het ten laste gelegde feit in de weg heeft gestaan. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verdachte, in de brief die hij kort na het plegen van het delict heeft geschreven, aangeeft dat hij het slachtoffer heeft opgeofferd hetgeen tevens bevestigt dat verdachte begreep welke consequenties zijn daden zouden hebben en dat hij deze ook wilde. De rechtbank ver-werpt derhalve het verweer, in zoverre.

4.3.4 De raadsvrouw heeft ook als verweer gevoerd -zakelijk weergegeven- dat in onderhavig geval de ziekelijke stoornis van verdachte aan de voorbedachte rade in de weg staat omdat er uit de verklaringen en/of gedragingen geen moment blijkt van kalm beraad en rustig overleg op het genomen besluit, zodat er ook geen gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

4.3.5 De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of er sprake was van voorbedachte raad het volgende.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat het hande-len van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Verdachte verklaart (p.30 e.v.) -zakelijk weergegeven- dat hij wakker schrok, dat hij dacht aan de ervaring met de pil waar hij helemaal gek van werd, en dat hij hierop bedacht dat hij de moord moest plegen voordat het te laat was en hij geen controle meer had. Uit datgene wat verdachte heeft gedacht toen hij wakker werd en hetgeen hij vervolgens heeft gedaan -het naar beneden lopen, een mes uit de keuken pakken, weer naar boven lopen, de slaapkamer ingaan en zijn partner met het mes om het leven brengen zoals hierboven reeds uiteengezet- kan worden afgeleid dat het doden van zijn partner niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke heftige gemoedsbeweging, maar van een, zij het betrekkelijk kort daarvoor, genomen besluit en dat hij zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en gevolgen van zijn daad. De rechtbank acht derhalve tevens de voorbedachte raad op het delict aanwezig. Het verweer van de raadsvrouwe wordt derhalve in zoverre verworpen.

4.3.6 De raadsvrouw heeft daarnaast als verweer gevoerd -zakelijk weergegeven- dat (een aantal van) de door verdachte afgelegde verklaringen niet betrouwbaar zouden zijn. Zij concludeert dit uit het feit dat verdachte in de periode dat hij verhoord werd Diazepam en Temazepam heeft gekregen en dat de deskundige hierover ter zitting heeft verklaard dat dit mogelijk tot gevolg zou kunnen hebben dat het inzicht van verdachte in wat fantasie was en wat werkelijkheid, is afgenomen.

4.3.7 De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De deskundige dr. M.J. van Trommel heeft ter terechtzitting verklaard dat het zou kunnen dat de medicijnen die verdachte heeft gekregen invloed hebben gehad op de mate waarin verdachte onderscheid kon maken tussen fantasie en werkelijkheid. Dat verdachte ten tijde van zijn eerste contacten met de politie (112-telefooncontact (p. 160 e.v.) en het eerste verhoor (p. 30 e.v.)) fantaseerde over zijn feitelijk handelen is niet aannemelijk geworden, temeer nu deze door hem gegeven informatie wordt bevestigd in andere bewijsmiddelen. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat verdachte deze medicijnen zeer waarschijnlijk pas ná het eerste verhoor heeft ingenomen. Het verweer wordt derhalve ook in zoverre verworpen.

4.3.8 De raadsvrouw voert tot slot aan dat de processen-verbaal zoveel discrepanties ten opzichte van de videobanden bevatten dat de bewezenverklaring hier niet op kan rusten.

4.3.9 De rechtbank overweegt hieromtrent dat het ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat er dusdanige discrepanties tussen de processen-verbaal van de verhoren en de video-opnames bestaan dat de processen-verbaal in het geheel niet gebruikt zouden kunnen worden. Voor zover er door de raadsvrouwe discrepanties zijn aangegeven worden deze litigieuze gedeelten van de in de processen-verbaal weergegeven verklaringen niet voor het bewijs gebezigd. Het verweer wordt daarom in zoverre eveneens verworpen.

4.3.10 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, anders dan de officier van justitie ter terechtzitting heeft betoogd, de verklaring van verdachte vastgelegd in het tweede verhoor (p. 42 ev) niet tot bewijs kan dienen nu voorafgaand aan dit verhoor aan verdachte geen cautie is gegeven en verdachte, wanneer hij hier na afloop van het verhoor alsnog op wordt gewezen, niet zonder voorbehoud volhardt bij de afgelegde verklaring.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

MOORD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De rapporten van de deskundigen

Om te kunnen beoordelen of het bewezen geachte feit de verdachte kan worden toegerekend, heeft de rechtbank een tweetal Pro Justitia rapportages ter beschikking. Het betreft een rapportage d.d. 29 april 2008 van drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog en een rappor-tage d.d. 28 april 2008 van dr. M.J. van Trommel, psychiater. Tevens is dr. Van Trommel ter zitting gehoord.

In de rapportage van 29 april 2008 stelt drs. van Toorn:

Er is bij betrokkene zowel sprake van een ziekelijke stoornis als van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin dat er sprake is van een psychotische stoornis NAO (Niet Anders Omschreven) in combinatie met een ernstige depressieve stoornis met vitale kenmerken. Voorts is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO met voornamelijk ontwijkende en afhankelijke kenmerken.

Dit was zeker ook zo ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, waarbij opgemerkt dient te worden dat betrokkene op dat moment floride psychotisch was.

In de maanden voorafgaande aan het ten laste gelegde was er sprake van een ernstige depressieve stoornis met vitale kenmerken die uiteindelijk geleid heeft tot een psychotische decompensatie.

Bij het advies aangaande de mate van toerekeningsvatbaarheid is voornamelijk meegewogen dat het contact met de realiteit volledig verstoord was en dat betrokkene op geen enkele manier nog in staat is geweest om zijn wil en zijn handelen vrijelijk te bepalen. Op basis hiervan is het advies om betrokkene als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

In de rapportage van 28 april 2008 stelt dr. Van Trommel:

Verdachte ontwikkelde een ernstige vitale depressie met slaapstoornissen en eetstoornissen. Hij werd depressief en suïcidaal en ontwikkelde overwaardige denkbeelden, die grensden aan psychotische overschrijdingen. Tengevolge van de bijwerking van hem door de huisarts voorgeschreven anxiolytica ontwikkelde betrokkene een ernstige psychotische stoornis. Betrokkene leed tijdens het tenlastegelegde aan deze stoornis met hallucinaties en een delirant toestandsbeeld, alsmede aan een ernstige depressieve stoornis met melancholische (vitale) kenmerken. Voorts lijdt hij aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijkheids- en ontwijkende kenmerken. Betrokkene lijdt sedert het delict aan een chronische amnestische stoornis ten gevolge van de delirante psychose. Behoudens de amnestische stoornis waren de hiervoor genoemde stoornissen ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig.

Indien het ten laste gelegde wordt bewezen, adviseert onderzoeker vanuit psychiatrisch gezichtspunt betrokkene als ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

In de nadere verklaring van dr. Van Trommel ter aanvulling op de Pro Justitia rapportage uitgebracht op 28 april 2008, stelt hij:

Uit verschillende verklaringen is door mij geconstateerd dat betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde in een ernstige psychotische toestand verkeerde. Het geconstateerde toe-standsbeeld bestond al gedurende langere tijd en is met andere woorden niet afhankelijk geweest van het innemen van een enkel tablet, voorafgaande aan het ten laste gelegde.

Onderzoeker acht het onwaarschijnlijk dat betrokkene, gezien het geconstateerde toestandsbeeld, momenten zou kunnen hebben gehad van toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het ten laste gelegde.

Ter zitting heeft dr. Van Trommel zijn advies toegelicht en verklaart -zakelijk weergeven- onder meer:

Iemand die een psychose heeft is niet altijd volledig ontoerekeningsvatbaar. Deze toestand kan wisselen. Zo kan men van een toestand van ontoerekeningsvatbaarheid switchen naar een toestand waarin men nog wel kan oordelen over wat men gedaan heeft.

Wanneer de spanning hoog oploopt kan een toestand ontstaan waarin een psychose floride wordt. Met floride wordt bedoeld dat het een psychose is waar je volledig in onder gaat, waarin je volledig je verstand kwijt bent en geen sturing hebt. In een situatie als de onderhavige kan het zo zijn geweest dat voorafgaand aan het delict hoge spanning en ernstige angsten ertoe hebben geleid dat verdachte in deze floride psychotische toestand is gekomen en dat hij zodra deze handelingen waren gepleegd weer geheel of gedeeltelijk in de realiteit is teruggekomen. Indien verdachte niet floride psychotisch was geweest zou hij meer gedacht hebben aan de gevolgen van zijn daden. Dit is, naast de symptomen waar hij verder aan leed en waaruit valt af te leiden dat er sprake was van een ernstig psychotisch toestandsbeeld, één van de factoren op basis waarvan ik tot mijn conclusie ben gekomen.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met bovenstaande bevindingen en conclusies van voormelde deskundigen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter zitting en de rapportages van voornoemde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het laste gelegde en bewezen verklaarde feit.

De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder dat de drukopbouw die verdachte heeft gekend zowel in de relationele als de werkgerelateerde sfeer verdachte op een punt heeft gebracht waar hij floride psychotisch werd en tot deze daad kwam, waarbij hij volledig stuurloos was en niet beschikte over de hem ter beschikking staande sturingsmogelijkheden. Nadat verdachte deze daad heeft gepleegd is hij weer geheel of gedeeltelijk in een “normale” psychotische toestand terug gevallen. Met name de manier waarop de verdachte -volgens het rapport van de arts-patholoog- het slachtoffer om het leven heeft gebracht in samenhang met de handelingen die de verdachte na het intreden van de dood op het lichaam van de overledene heeft verricht, wijzen er op dat hij zich ten tijde van het delict in een toestand bevond die onverenigbaar lijkt te zijn met de wijze waarop verdachte door vrienden, familie en collega’s wordt omschreven. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande feitelijk kan worden vastgesteld dat verdachte floride psychotisch moet zijn geweest ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

De verdachte is daarom niet strafbaar terzake van het hiervoor bewezenverklaarde en dient van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

7. De redenen, die tot de maatregelen hebben geleid

7.1 Motivering

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is door spanningen voorvloeiende uit de relationele en werkgerelateerde sfeer in een depressie terecht gekomen. Deze toestand is vervolgens, mede door de bijwerking van verstrekte medicatie, verergerd en daarbij is verdachte psychotisch geworden. Op het moment dat de spanningen en angsten van verdachte zo hoog opliepen dat hij geen uitweg meer zag, is verdachte floride psychotisch geworden. In deze toestand heeft verdachte zijn partner, terwijl zij in haar slaapkamer lag te slapen, om het leven gebracht.

Verdachte heeft hiermee het slachtoffer, juist op een plek waar zij zich veilig moest kunnen voelen, vermoord. Uit de aard van het letsel van het slachtoffer is op te maken dat zij waarschijnlijk op een afschuwelijke wijze aan haar eind is gekomen. Het feit heeft daarnaast op de nabestaanden van het slachtoffer een zeer grote impact gehad. Het leed dat verdachte door zo te handelen bij hen heeft aangericht is onbeschrijfelijk.

Voor deze door verdachte gepleegde moord, één van de zwaarste misdrijven die ons Wetboek van Strafrecht kent, past in beginsel slechts een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6 omtrent de psychische toestand van verdachte ten tijde het bewezenverklaarde is overwogen, komt de rechtbank hier evenwel niet aan toe.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen in de reeds genoemde rapportages van de gedragsdeskundigen Van Toorn en Van Trommel, het milieuonderzoek uitgevoerd door W. van der Cruijsen en zoals die voorts ter terechtzitting zijn gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 juni 2008, waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld.

Uit het rapport van psycholoog drs. Van Toorn komt, naast hetgeen onder 6.1 reeds aangehaald, onder meer het navolgende naar voren - zakelijk weergegeven -:

Op basis van de voorgeschiedenis en de neurotische karakterstructuur van betrokkene komt onderzoeker tot de inschatting dat de kans op recidive zeer laag is, maar dat hierbij wel van belang is dat verdachte zijn medicatie blijft innemen en dat hij door een deskundige voor een lange tijd begeleid en behandeld wordt. Overmatig stressvolle situaties in combinatie met het onvermogen om de gevoelens op adequate wijze te doen afvloeien en kenbaar te maken, zouden er in de toekomst wederom toe kunnen leiden dat er bij verdachte sprake kan zijn van een psychotische decompensatie. Het is echter niet gezegd dat betrokkene wederom over zal gaan tot agressief gedrag.

Rapporteur adviseert een behandeling op te leggen binnen het juridisch kader van artikel 37 Sr, waarbij betrokkene gedwongen opgenomen zal worden in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar. In deze behandeling moeten de antipsychotische medicatie en stabilisatie van het psychiatrische toestandsbeeld goed worden ingesteld. Voorts dient er aandacht te komen voor psycho-educatie en het werken aan een terugvalpreventieplan. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan sociale vaardigheden, aan het aanleren van nieuwe copingsmechanismen en het leren om op adequate wijze de spanningen te doen afvloeien en kenbaar te maken. Hierna dient een begeleidingstraject te worden opgestart gericht op resocialisatie en het handhaven van de medicatie.

Uit het rapport van psychiater dr. Van Trommel komt, naast hetgeen onder 6.1 reeds aangehaald, onder meer het navolgende naar voren - zakelijk weergegeven -:

Bij deskundige psychiatrische behandeling van betrokkene is de kans op recidive te verwaarlozen klein. Rapporteur adviseert op basis van art. 37 WvS betrokkene te laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal 1 jaar, opdat zijn ziekelijke stoornis en zijn gestoorde agressieregulatie deskundig kunnen worden behandeld en eventueel begeleidende hersenfunctiestoornissen nader kunnen worden onderzocht.

De rechtbank neemt voornoemde bevindingen en adviezen over en maakt het oordeel van de deskundigen tot het hare. Zij slaat voorts acht op de rapportages van de gedragsdeskundigen waarin onder meer vermeld is dat verdachte voor en gedurende zijn behandeling in de FOBA suïcidaal is geweest en hiervoor in de FOBA ook gedurende enige weken een programma heeft gevolgd. Dit beeld wordt tevens bevestigd door de verklaringen van verdachte waarin hij onder meer aangeeft dat hij zelfmoord heeft overwogen en afscheidsbrieven heeft geschreven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de veiligheid van verdachte en de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de door de wetgever maximaal toegestane duur van één jaar eist ter zake van het bewezen verklaarde feit.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.2.1 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de onttrekking aan het verkeer gelasten van het inbeslaggenomen mes met spoornummer 1.2 vermeld in het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 3 februari 2008 onder de dossierbijlage B1 nu met behulp van dit voorwerp het bewezenverklaarde feit is begaan en het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

7.2.2 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de overige inbeslaggenomen voorwerpen genoemd in de paragraaf inbeslagneming (p. 251 e.v.) waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven aan degene onder wie beslag is gelegd.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen waarvan niet duidelijk is wie daarop rechthebbende is, gelast de rechtbank de bewaring van de voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde maatregelen zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 36b, 36c, 37, 39 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier-boven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde strafbare feit en ontslaat hem te dier zake van alle rechtsvervolging;

gelast wegens deze feiten de volgende maatregel:

de PLAATSING van verdachte in een PSYCHIATRISCH ZIEKENHUIS voor de termijn van EEN (1) JAAR;

onttrekt aan het verkeer het inbeslaggenomen mes met spoornummer 1.2;

gelast de teruggave van aan verdachte van de navolgende nog niet teruggegeven voorwerpen: een meerkleurig boek (volgnummer 19), een roze boek (volgnummer 20), een blauwe agenda (volgnummer 21), meerkleurig boek (volgnummer 22), meerkleurig boek (volgnummer 23), witte doos (volgnummer 24), medicijn actavis (volgnummer 25), meerkleurige luciferkop (volgnummer 26), alcoholische drank (volgnummer 35),

alcoholische drank (volgnummer 36), alcoholische drank (volgnummer 37),

medicijn (volgnummer 38) en technische sporen (volgnummer 39);

gelast de teruggave van aan de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid van het navolgende nog niet teruggegeven voorwerp: CD-rom (volgnummer 40);

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de overige inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: technische sporen (volgnummer 1), technische spo-ren (volgnummer 2), blauwe handdoek (volgnummer 3), technische sporen (volgnummer 4), technische sporen (volgnummer 5), technische sporen (volgnummer 6), blauwe broek (volg-nummer 7), roze handdoek (volgnummer 8), witte handdoek (volgnummer 9), boek (volgnummer 10), agenda (volgnummer 11), pillen (volgnummer 12), papier (volgnummer 13), papier (volgnummer 14), bruin schrijfgerei (volgnummer 15), afvalbak (volgnummer 16), meerkleurige handdoek (volgnummer 17), pil (volgnummer 18) en een zwarte acer laptop (volgnummer 41).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. dr. M.I. Blagrove en mr. F.L.J.M. Heijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.E. Dijkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 augustus 2008.

Mr. F.L.J.M. Heijnen is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis te ondertekenen.