Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BE0385

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
14-08-2008
Zaaknummer
11-500213-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot de voorwaardelijke maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar, wegens diefstal en bezit van heroïne. De rechtbank is van oordeel dat er redenen zijn thans nog niet over te gaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Verdachte heeft ter zitting aangevoerd zeer gemotiveerd te zijn een behandeling bij afdeling De LooDDS te ondergaan. Verdachte ziet in dat zijn verslaving hem aanzet tot het plegen van diefstallen. Voor zijn eigen toekomst en omwille van zijn naasten wil hij zich onderwerpen aan behandeling en begeleiding. Ten slotte neemt de rechtbank mee dat verdachte vóór het begin van 2008 ruim een jaar niet met justitie in aanraking is gekomen vanwege gepleegde diefstallen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 38m
Wetboek van Strafrecht 38p
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/500213-08 [P]

Zittingsdatum : 31 juli 2008

Uitspraak : 14 augustus 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren in 1971,

wonende te [adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 8 april 2008 een winkeldiefstal heeft gepleegd;

Feit 2: op 30 april 2008 ongeveer 4,3 gram heroïne in zijn bezit heeft gehad.

2. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 baseert zij zich op de aangifte, de herkenning van verdachte op de camerabeelden door verbalisant en het feit dat soortgelijke geprepareerde plastic Albert Heijn-tassen als gebruikt bij de diefstal, zijn aangetroffen in de auto van verdachte. Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal van bevindingen van aantreffen van de drugs, het proces-verbaal van technisch onderzoek en de bekennende verklaring van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Verdachte ontkent dit feit, maar hij kan niet bewijzen dat hij het niet heeft gedaan. Feit 2 is door verdachte bekend en kan wettig en overtuigend bewezen worden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 8 april 2008 heeft er een winkeldiefstal plaatsgevonden bij de Etos in Strijen. Een verkoopster van Etos verklaart dat bij het uitkijken van de beelden van de bewakingscamera van de winkel te zien is dat een man een en ander in zijn tas stopt. Zij heeft deze man de winkel zien verlaten zonder iets af te rekenen. Er is zeker een volle tester parfum van Hugo Boss meegenomen.

Een verbalisant heeft de beelden van 8 april 2008 van de bewakingscamera van de Etos bekeken. De verbalisant ziet dat een manspersoon goederen in een door hem gedragen blauwe witte tas met Albert Heijn logo stopt. De verbalisant herkent deze man als verdachte [naam], die bij hem ambtshalve bekend is als veelpleger. De verbalisant verklaart voorts dat uit het bedrijfsprocessensysteem is gebleken dat verdachte op 7 april 2008 ook is aangehouden voor een winkeldiefstal. Verdachte was toen in het bezit van een soortgelijke geprepareerde plastic tas van Albert Heijn.

Ook in de auto van verdachte zijn bij zijn aanhouding twee geprepareerde Albert Heijn plastic tassen aangetroffen. Twee beelden van de beveiligingscamera zijn als fotoprints aan het proces-verbaal toegevoegd. De rechtbank constateert dat de man op de foto in alle opzichten lijkt op verdachte.

Verdachte zelf heeft bij de politie in eerste instantie bekend de diefstal te hebben gepleegd. Later trekt hij de bekentenis in, om vervolgens wederom te bekennen. Ook ter zitting heeft verdachte bekend een fles mannenparfum te hebben gestolen. Verdachte gaf hierbij echter aan dat hij er van af wil zijn en dat hij niet kan bewijzen dat hij het niet heeft gedaan. Verdachte verklaart ten slotte ter zitting nadrukkelijk dat hij geen andere goederen heeft meegenomen dan een fles mannenparfum en mogelijk een kadodoos; meer zou niet in de geprepareerde tas passen.

De rechtbank heeft uit het dossier en het verhandelde ter zitting de indruk gekregen dat de wisseling tussen bekenning en ontkenning van verdachte voortkomt uit zijn angst voor de ISD-maatregel, die als sanctiemogelijkheid is opgeworpen. Verdachte heeft geen alibi en voor het overige zijn er in het dossier geen aanknopingspunten te vinden die zijn ontkenning ondersteunen. De rechtbank acht het daarom, gelet het eerder genoemde, niet aannemelijk dat de diefstal door een ander dan verdachte is gepleegd.

De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat verdachte op 8 april 2008 een fles parfum heeft gestolen uit de Etos te Strijen.

Feit 2

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 31 juli 2008;

- het proces-verbaal van bevindingen;

- het aanvullende proces-verbaal van technisch onderzoek.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 08 april 2008 te Strijen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles parfum, toebehorende aan drogisterij Etos;

2.

op 30 april 2008 te Dordrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,3 gram, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

DIEFSTAL;

2.

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2 ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. De oplegging van de maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, de zgn. ISD-maatregel, voor de duur van twee jaren en zonder aftrek voorarrest. Verdachte staat bekend als zeer actieve veelpleger. Verdachte lijkt met de diefstallen gepleegd vanaf begin dit jaar na een periode van een paar jaar de draad weer te hebben opgepakt. Het gaat de verkeerde kant op. Eerdere voorwaardelijke straffen en ambulante begeleiding hebben niet geholpen. Aan alle voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Verdachte ziet in dat zijn verslaving moet worden behandeld en heeft zich daartoe zelf voor behandeling aangemeld bij afdeling De LooDDs van het Delta Psychiatrisch Centrum. Deze instelling zal verdachte oproepen voor behandeling zodra hij uit detentie is. Mogelijk is op of rond 15 augustus a.s. een plaats voor verdachte beschikbaar. Verdachte heeft in deze behandeling bij deze instelling vertrouwen. Verdachte heeft veel te verliezen en hij is daarom extra gemotiveerd een kentering te bewerkstelligen. Uit de voorlichtingsrapportage ISD van Bouman GGZ komt duidelijk naar voren dat zij nog niet klaar zijn met verdachte en dat hij nog niet uitbehandeld is. Verdachte heeft evenwel geen vertrouwen in Bouman GGZ gelet op zijn ervaring met de aanpak van deze instelling en hun rapportage. De verdediging meent dat de oplegging van de ISD-maatregel voor verdachte nog een brug te ver is. Het moet en kan nog anders. Via Stichting Mozaïk kan verdachte geplaatst worden bij De LooDDs voor een behandeling van zijn verslaving. De verdediging onderschrijft het belang van een goede stok achter de deur, wellicht in de vorm van een voorwaardelijke ISD-maatregel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft uit een drogisterij een fles parfum gestolen. Verdachte steelt voornamelijk parfum omdat dit naar eigen zeggen lucratiever is en gemakkelijker gaat dan het stelen van etenswaren. Van de opbrengst koopt verdachte eten en drugs. Verdachte is namelijk verslaafd aan harddrugs. Hij had tijdens zijn aanhouding ongeveer 4,3 gram heroïne in zijn bezit.

Uit het handelen van verdachte valt af te leiden dat hij geen respect heeft voor de eigendommen van een ander. Hij steelt om zijn eigen behoefte aan drugs te financieren.

De maatschappij ondervindt grote hinder van dergelijke feiten.

Verdachte staat bekend als zeer actieve veelpleger in de regio Zuid-Holland-Zuid.

Zijn strafblad bevat meer dan 40 veroordelingen voor voornamelijk diefstal. Uit het voorlichtingsrapport ISD van Bouman GGZ d.d. 23 juli 2007, komt naar voren dat de kans op recidive als hoog kan worden aangemerkt. De criminogene factoren die het meest bijdragen tot het recidiverisico zijn: druggebruik, emotioneel welzijn en houding. Verdachte heeft een uitgebreide behandelgeschiedenis bij Bouman GGZ. Hij is verschillende malen opgenomen voor detoxificatie. Verdachte is met ondersteuning van Stichting Mozaïk bij Delta Psychiatrisch Ziekenhuis aangemeld en van augustus 2007 tot maart 2008 was hij opgenomen bij afdeling Nieuwe Haven. Verdachte is voortijdig vertrokken maar heeft wel contact met Delta onderhouden. Er is een nieuw behandelplan opgesteld dat bestaat uit een opname in De LooDDs met wellicht opnieuw begeleid wonen als gevolg. Door de rapporteur is aangegeven dat er voor verdachte bij Bouman GGZ mogelijkheden voor behandeling zijn en blijven. Volgens de rapporteur zijn er vanuit hulpverleningsoogpunt geen contra-indicaties voor de ISD-maatregel. Geadviseerd wordt aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen, waarbinnen door middel van het plan van aanpak klinische behandeling bij De LooDDS kan plaatsvinden, mits de rechtbank tot de conclusie komt dat deze maatregel als ultimum remedium van toepassing is.

Verdachte heeft zich thans schuldig gemaakt aan twee misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit de Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan de thans gepleegde delicten veertien maal voor voornamelijk diefstallen onherroepelijk is veroordeeld tot gevangenisstraffen van uiteenlopende duur. Deze gevangenisstraffen zijn allen ten uitvoer gelegd. De Justitiële Documentatie toont tevens aan dat eerdere interventies van de zijde van justitie het tij niet hebben kunnen keren. De rechtbank meent dan ook dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte in herhaling zal vallen en de veiligheid van goederen in het geding brengt. Het belang van beveiliging van de maatschappij tegen dergelijke inbreuken op rechtsgoederen dient hier te prevaleren en de ISD-maatregel biedt daartoe het wettelijk instrument.

Aan alle vereisten van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

Niettemin is de rechtbank van oordeel dat er redenen zijn thans nog niet over te gaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Verdachte heeft ter zitting aangevoerd zeer gemotiveerd te zijn een behandeling bij afdeling De LooDDS te ondergaan. Hij heeft zelf het initiatief genomen tot deze behandeling en mogelijk is er op of rond 15 augustus aanstaande een behandelplaats voor verdachte beschikbaar. Verdachte heeft in deze behandeling bij de afdeling De LooDDs en in de begeleiding door Stichting Mozaïk vertrouwen. Ter zitting heeft hij desgevraagd te kennen gegeven dat hij hulp door een psycholoog wenst. Verdachte ziet in dat zijn verslaving hem aanzet tot het plegen van diefstallen. Voor zijn eigen toekomst en omwille van zijn naasten wil hij zich onderwerpen aan behandeling en begeleiding. Verdachte vreest evenwel de ISD-maatregel en heeft ter zitting tevens aangegeven niet te willen meewerken aan de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Ten slotte neemt de rechtbank mee dat verdachte vóór het begin van 2008 ruim een jaar niet met justitie in aanraking is gekomen vanwege gepleegde diefstallen.

Alles overwegende ziet de rechtbank in de mogelijkheid van klinische behandeling bij Delta Psychiatrisch Centrum als bijzondere voorwaarde, mede gelet op de motivatie van verdachte, aanleiding de ISD-maatregel niet in onvoorwaardelijke vorm, maar voorwaardelijk op te leggen. De confrontatie met de eis van twee jaar onvoorwaardelijke ISD-maatregel heeft verdachte behoorlijk van zijn stuk gebracht. De druk van de maatregel zal verdachte er mede van moeten weerhouden wederom in de fout te gaan. Gezien de noodzaak van behandeling van de verslavingsproblematiek zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde stellen dat verdachte de klinische behandeling bij Delta Psychiatrisch Centrum ondergaat.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde maatregel is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 38m, 38n, 38p, 57, 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 3.4 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 4. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR STELSELMATIGE DADERS voor de duur van TWEE JAREN;

bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, wat tevens inhoudt het ondergaan van een behandeling bij Delta Psychiatrisch Centrum te Poortugaal, voor zolang deze instelling dit nodig acht, doch niet langer dan de op twee jaren gestelde proeftijd;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. F.G.H. Kristen en mr. B.M.R.M. Edelhauser-Van Vlijmen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Herlaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 augustus 2008.

Wegens afwezigheid zijn mr. Kristen en mr. Edelhauser - Van Vlijmen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 08 april 2008 te Strijen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer fles(sen) parfum en/of deodorant, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan drogisterij Etos, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 30 april 2008 te Dordrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;