Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BE0210

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
14-08-2008
Zaaknummer
11-500206-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar, wegens mishandeling en vernieling. De ISD-maatregel wordt opgelegd teneinde de maatschappij te beschermen tegen verdachtes recidiverende gedrag en verdachte de mogelijkheid te geven zich te laten behandelen voor zijn verslaving. (PROMIS)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 38m
Wetboek van Strafrecht 38s
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/500206-08 [P]

Zittingsdatum: 31 juli 2008

Uitspraak :14 augustus 2008

STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren in 1971,

wonende te [adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West, locatie Dordtse Poorten, te Dordrecht.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 24 april 2008 [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

Feit 2: op 24 april 2008 een ruit van een woning heeft vernield.

2. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 baseert zij zich op de aangifte waarin aangever zichzelf niet geheel vrijpleit, de getuigenverklaring van [getuige] en het feit dat er letsel is geconstateerd door de verbalisant. Voor de versie van het gebeurde van verdachte vindt zij geen enkele steun in het dossier. Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en zij heeft daartoe aangevoerd dat van alle getuigen die aanwezig waren slechts de neef van aangever is gehoord. Zij kunnen hun verhaal op elkaar hebben afgestemd. Verder is er slechts sprake van een enkele schram en is er geen medisch letsel. Er is ook geen scherp voorwerp gezien of aangetroffen. De schram kan ook al eerder zijn opgelopen. Verdachte ontkent ten slotte te hebben geslagen.

Feit 2 kan wel wettig en overtuigend bewezen worden, gezien de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. Verdachte heeft voor dit feit zijn excuses aangeboden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 24 april 2008 heeft in het winkelcentrum van Gorinchem een handgemeen plaatsgevonden tussen verdachte en aangever [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] verklaart hierover dat verdachte bij een groepje mannen kwam staan en hierbij een beledigende opmerking maakte naar de neef van [slachtoffer 1]. Aangever heeft hierna met zijn rechterhand tegen de linkerschouder van verdachte geduwd en gezegd dat hij zulke dingen niet moest zeggen. Verdachte haalde daarna direct uit met zijn rechterhand en raakte [slachtoffer 1] in zijn hals. Aangever heeft hierdoor een kras in zijn nek opgelopen en hij voelde kort na het incident pijn in de nek. Door de verbalisant is opgemerkt dat aangever [slachtoffer 1] tijdens zijn aangifte, kort na het incident, een kras van ongeveer 20 cm in zijn nek had.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 24 april 2008 in het winkelcentrum van Gorinchem was, toen verdachte hem beledigde. Hij zag dat verdachte zijn neef [slachtoffer 1] met een slag of klap tegen het hoofd of de hals sloeg, toen deze het voor hem opnam.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte aangever tegen de hals heeft geslagen waardoor hij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht hierbij van belang dat letsel in de vorm van een kras/ schram door haar roodheid vaak het beste zichtbaar is wanneer zij “vers” is. Om deze reden vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat aangever de kras al eerder heeft opgelopen, zoals door de verdediging is opgeworpen. Van een scherp voorwerp is de rechtbank niets gebleken.

Verdachte heeft verklaard dat hij is geslagen door aangever, daardoor een gevoelige plek in het gezicht heeft opgelopen en dat hij zelf niets heeft gedaan. De rechtbank heeft hiervoor geen aanknopingspunt kunnen vinden in het dossier.

Door de verbalisant is tijdens het verhoor de volgende morgen geen letsel bij verdachte geconstateerd dat overeenkomt met het geweld dat aan hem zou zijn toegebracht door de aangever.

Ook de getuigenverklaring biedt geen steun voor het verhaal van verdachte. Dat deze getuige familie is van de aangever doet hier naar het oordeel van de rechtbank niets aan af. Nu de aangever zijn eigen rol niet afzwakt en de aangifte ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen, laat de rechtbank hetgeen aangever naar voren brengt zwaarder wegen dan hetgeen verdachte verklaart. Daarbij telt voorts mee dat verdachte desgevraagd ter terechtzitting heeft verklaard dat hij die dag alcohol had gedronken (3 à 4 flesjes bier), zowel aangever als getuige verklaren een alcohollucht bij verdachte te hebben geroken en verdachte in zijn verklaring heeft ontkend bij het eten alcohol te hebben gedronken.

Feit 2

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 31 juli 2008;

- de aangifte van [slachtoffer 2] namens woningbouwvereniging Palisade.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 24 april 2008 te Gorinchem opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 1],tegen zijn hals heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft

ondervonden;

2.

op 24 april 2008 te Gorinchem opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de voordeur van een woning, gelegen aan de [adres], toebehorende aan woningbouwvereniging Palisade, heeft vernield door tegen die ruit te schoppen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

MISHANDELING;

2.

OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, VERNIELEN.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. De oplegging van de maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, de zgn. ISD-maatregel, voor de duur van twee jaren en zonder aftrek voorarrest. Verdachte staat bekend als zeer actieve veelpleger. Eerdere voorwaardelijke straffen hebben niet geholpen. Aan alle voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat de 14 weken voorarrest van verdachte een voldoende straf zijn. De feiten zijn relatief gering en rechtvaardigen niet de oplegging van de ISD-maatregel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en een vernieling. Na aankomst in het winkelcentrum van Gorinchem wilde verdachte bij een groepje met Marokkaanse mannen gaan staan. Deze mannen gingen daarop ergens anders staan. Vervolgens heeft verdachte één van hen beledigd. Het slachtoffer sprak hem hierop aan, waarna verdachte hem in de hals sloeg.

Verdachte is weggegaan en hij heeft kort daarna in Gorinchem de ruit van een woning vernield door hier tegenaan te schoppen. Verdachte dacht dat hij bij de woning van het eerdere slachtoffer stond, maar in plaats daarvan vernielde hij de ruit van een wild vreemde.

Beide feiten zijn zeer vervelend. Verdachte toont hier mee aan dat hij totaal geen respect heeft voor andermans lijf en eigendommen. Door zijn handelen veroorzaakt verdachte bovendien behoorlijk wat overlast in de samenleving. Het spreekt vanzelf dat het enorm beangstigend is, als de ruit van je woning opeens wordt vernield door een onbekende. Mensen ondervinden hier hinder van en voelen zich wellicht niet meer veilig in hun huis.

Verdachte staat bekend als zeer actieve veelpleger in de regio Zuid-Holland-Zuid en hij is met een strafblad van 22 pagina’s geen onbekende van politie en justitie. Verdachte was pas weer enkele weken vrij na het uitzitten van een gevangenisstraf van vier maanden, opgelegd voor soortgelijke feiten.

Uit het voorlichtingsrapport van het Leger des Heils d.d. 23 juni 2008, blijkt dat de kans op recidive zeer hoog wordt geacht. De vaste begeleider van verdachte in het kader van de veelplegeraanpak geeft aan dat verdachte in de contacten met hem altijd onder invloed was. Verdachte is nog geen enkele afspraak in het kader van toeleiding naar verslavingszorg nagekomen. Een, vanuit detentie, rechtstreekse toeleiding naar een verslavingskliniek zou een mogelijkheid zijn verdachte in een evenwichtigere levenssituatie te doen komen en daarmee delictgedrag terug te dringen. Verdachte heeft zelf aangegeven alcoholverslaafd te zijn. Een klinische opname lijkt de enige mogelijkheid om de kans op recidive te verminderen. Geadviseerd wordt verdachte een ISD-maatregel op te leggen en te verplichten hierbinnen mee te werken aan een leefstijltraining en toeleiding naar opname en behandeling in een verslavingskliniek.

De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist. De maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Verdachte heeft de status van een zeer actieve veelpleger, waarbij hij zich met name richt op het verrichten van geweldshandelingen tegen personen, ook politieambtenaren, en het plegen van vernieling en diefstal. Daarmee maakt verdachte inbreuk op andermans lichamelijke integriteit en respecteert hij andermans eigendom niet. Aldus brengt hij de veiligheid van personen en goederen in gevaar en veroorzaakt hij veel overlast.

Verdachte heeft zich thans schuldig gemaakt aan twee misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit de Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan de thans gepleegde delicten negentien maal voor misdrijven als mishandeling, wederspannigheid, vernieling en diefstal onherroepelijk is veroordeeld tot gevangenisstraffen van uiteenlopende duur. Deze gevangenisstraffen zijn allen ten uitvoer gelegd. De Justitiële Documentatie toont tevens aan dat eerdere interventies van de zijde van justitie het tij niet hebben kunnen keren. Daar komt bij dat de onderhavige twee misdrijven zijn gepleegd kort nadat verdachte op vrije voeten was gesteld. De rechtbank meent dan ook dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte in herhaling zal vallen en de veiligheid van personen en goederen in het geding brengt. Het belang van beveiliging van de maatschappij tegen dergelijke inbreuken op rechtsgoederen dient hier te prevaleren en de ISD-maatregel biedt daartoe het wettelijk instrument.

De onderhavige maatregel is tevens geschikt voor verdachte, omdat binnen het kader van de maatregel de mogelijkheid bestaat door middel van verblijfsplan met een programma een hulpverleningstraject op te zetten dat verdachte aanzet zijn gedragspatroon en levenswandel te wijzigen en aldus zijn recidive te beëindigen. Hoewel verdachte tot op heden zijn afspraken voor toeleiding naar verslavingszorg niet is nagekomen, hoopt de rechtbank dat verdachte gedurende de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel gebruik maakt van geboden mogelijkheden een hulpverleningstraject in te gaan en daarmee los te komen van zijn verslavingsgedrag.

Daarmee is aan alle vereisten van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voldaan.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat met het oog op de belangen van de maatschappij en de verdachte de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders dient te worden opgelegd.

De rechtbank bepaalt de duur van de maatregel op twee jaren. De rechtbank bepaalt dat er geen aftrek van voorlopige hechtenis zal plaatsvinden, omdat er in verdachtes gedrag en houding geen gronden daartoe zijn gelegen.

De rechtbank zal tot slot bepalen dat er door haar een tussentijds beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal plaatsvinden uiterlijk negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

7. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde maatregel gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 38m, 38n, 38s, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 3.4 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 4. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

* PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR STELSELMATIGE DADERS voor de duur van TWEE JAREN;

beslist dat er na NEGEN MAANDEN na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel EEN TUSSENTIJDSE BEOORDELING zal plaatsvinden van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel;

bepaalt dat het openbaar ministerie de rechtbank UITERLIJK ÉÉN MAAND vóór de tussentijdse beoordeling daarover zal berichten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt,

voorzitter,

mr. F.G.H. Kristen en mr. B.M.R.M. Edelhauser-Van Vlijmen,

rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Herlaar,

griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 augustus 2008.

Wegens afwezigheid zijn mr. Kristen en mr. Edelhauser -Van Vlijmen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 24 april 2008 te Gorinchem opzettelijk mishandelend een

persoon, te weten [slachtoffer 1], (met een scherp voorwerp) tegen zijn hals

heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 24 april 2008 te Gorinchem opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit van de voordeur van een woning, gelegen aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan woningbouwvereniging Palisade en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt door meermalen, althans eenmaal, tegen die ruit te schoppen en/of

trappen en/of slaan en/of stompen;