Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD8727

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-07-2008
Datum publicatie
28-07-2008
Zaaknummer
58369 / HA ZA 05-2145
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser bewijst feiten waaruit aansprakelijkheid gedaagde volgt. Gedaagde heeft schaderapporten onvoldoende betwist, zodat gevorderde schade wordt toegwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 58369 / HA ZA 05-2145

vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur: mr. J.A. Visser,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Waterschap Hollandse Delta,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

procureur: mr. J.H. Silfhout.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eiser] en het Waterschap.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van het vonnis van 2 augustus 2006 en van de daarin genoemde processtukken en voorts van de processen verbaal van getuigenverhoor van 20 november 2006, 19 februari 2007, 27 juni 2007 en 15 augustus 2007 alsmede van de conclusies van partijen na getuigenverhoren van respectievelijk 17 oktober 2007 en van 19 december 2007.

Omdat de rechter voor wie een deel van het (getuigen-)bewijs is bijgebracht niet meer op deze rechtbank werkt, wordt het vonnis niet (mede) door deze rechter gewezen.

2. De verdere beoordeling van het geschil

Zoals is bepaald in het vonnis van 2 augustus 2006, is [eiser] toegelaten tot het bewijs dat in de periode van 27 augustus 2001 tot en met 3 september 2001 door enig ingeland bij het Waterschap is geklaagd over wateroverlast en dat de wateroverlast van dusdanige aard was dat het Waterschap hierin reden had moeten zien om maatregelen te treffen. De rechtbank heeft in dat vonnis tevens overwogen dat, indien [eiser] niet in zijn bewijsopdracht slaagt, ervan moet worden uitgegaan dat het Waterschap in de periode van 27 augustus 2001 tot en met 3 september 2001 niet genoodzaakt was om maatregelen te treffen ter zake van het oppervlaktewaterpeil.

[eiser] heeft daartoe drie getuigen doen horen te weten op 20 november 2006, de heer N. Boer, voormalig heemraad belast met waterbeheersing en de heer A. Beukelman, voormalig heemraad en op 19 februari 2007 de heer T. Beishuizen, voormalig dijkgraaf.

Het Waterschap heeft in contra-enquête drie getuigen doen horen te weten op 27 juni 2007 de heer D.F.A. van ’t Zelfden en de heer A. Koning en op 15 augustus 2007 de heer A.N.H. Vermeulen, allen ambtenaar of voormalig ambtenaar van het Waterschap.

Getuige Boer heeft ter zake van de nog in geschil zijnde periode verklaard:

“Op 27 augustus 2001 heb ik in de bestuurskamer van het Waterschap gesproken met de heer Van ’t Zelfde. Ik heb zijn aandacht willen vestigen op de wateroverlast onder andere in de ZMP polder. Ik had gezien dat het water ruimschoots over de stuw bij de Rijsdijk vloeide en dat het water in de sloten in de ZMP polder veel te hoog stond. Dat zie je aan de duikers. Ik zag dat het water veel hoger stond dan normaal en dat heb ik ook zo aan Van ’t Zelfde verteld. Ik heb destijds overigens niet gekeken bij de ZMP stuw. Daar ben ik pas op 4 september wezen kijken.

Tegen Van ’t Zelfden heb ik ook gezegd dat de stuwen te snel op de zomerpeil stand terug werden gezet nadat ze van het zomerpeil waren gehaald. Het water was namelijk niet helemaal uit de polder en op sommige percelen stond nog water en het bleef regenen. De gewassen waren aan het verrotten op het land. Dat had ik ook in de ZMP polder gezien. Aan spruiten zie je dat ze slap hangen en aardappelen verkleuren. Dit heb ik ook gezegd tegen Van ’t Zelfden. Ik merkte tijdens het gesprek met Van ’t Zelfden dat hij het met mij eens was. Hij heeft ook toegezegd dat er maatregelen genomen zouden worden.”

Voorts:

“In de nacht van 2 op 3 september 2001 had het wederom fors geregend. Volgens de regenmeter op mijn erf was er 55 mm gevallen en op mijn weg naar kantoor die 3 september waarbij ik door de ZMP polder ben gereden zag ik ook dat op sommige percelen water stond. Het had daar dus ook geregend. Het bleef dus nat in het gebied.

Op 3 september 2001 was er een ingelaste bestuursvergadering van dijkgraaf en Heemraden in verband met het feit dat de agenda voor de vergadering van 5 september 2001 te groot was geworden. Voor de vergadering heb ik tegen de heer Vermeulen, die werkzaam was bij het waterschap en verantwoordelijk was voor de waterbeheersing, gezegd dat het mij zwaar tegen viel dat er geen actie was ondernomen naar aanleiding van de wateroverlast in het bemalingsgebied van de Koedood. Hieronder valt ook de ZMP polder. Ik heb tegen Vermeulen gezegd dat ik al eerder aan de bel had getrokken over deze wateroverlast. Dat moet hij ook geweten hebben gelet op het feit dat hij met de heer Van ’t Zelfden de kamer deelde. De gewassen stonden namelijk te verrotten op het land. Ik heb de heer Vermeulen verweten dat hij zijn taak liet verslonzen en niet adequaat heeft gehandeld. Ik heb hem voorts tegen hem gezegd wat ik ook tegen Van ’t Zelfden op 27 augustus 2001 heb gezegd, te weten dat het nat was in de polders en dat de stuwen te snel weer op zomerpeil zijn gezet. Ik heb hem daarbij ook gewezen op het feit dat het in de nacht van 2 op 3 september wederom goed had geregend te weten 55 mm. Ik was behoorlijk pissig want ik was teleurgesteld in het ambtenarenapparaat. De discussie liep hoog op. Ik had het idee dat meneer Van ’t Zelfden, die in hetzelfde vertrek was en die ook moet hebben gehoord wat ik tegen Vermeulen zei, door deze gespannen situatie het vertrek heeft verlaten. Meneer Vermeulen was het niet met mij eens. Hij gaf aan dat vastgehouden moest worden aan het peil. Ik gaf aan dat ik het daar niet mee eens was omdat de plaats waar het peil werd bekeken niet de plaats is waar de wateroverlast hoefde te zijn.

En verder:

“In de periode van 27 augustus tot en met 3 september 2001 is de situatie in de ZMP polder wat betreft de wateroverlast niet verbeterd. Het bleef continue nat. Er bleven drassige plekken in de polder staan, sommige boeren moesten greppels graven en het water stond nog steeds hoog in de sloten. Op uw vraag waarom ik tussen 27 augustus en 3 september niet meer bij het waterschap aan de bel heb getrokken over deze situatie antwoord ik dat ik vond dat ik al ruim voldoende aandacht hierop had gevestigd bij het Waterschap, ook juist voor de 27 augustus maar daarover heb ik tijdens het getuigenverhoor in Rotterdam al meer verklaard. Ik ging er ook van uit dat het Waterschap deze kwestie wel zou oppakken. Omdat dat op 3 september nog steeds niet gebeurd was, was ik ook zo boos.

In de periode waar we het vandaag over hebben heb ik gesproken met de heer Barendrecht die bij mij klaagde over de wateroverlast op zijn land. Hij ging ervan uit dat ik dit zou doorgeven aan het waterschap. Dat was ook de bedoeling van mijn functie als heemraad.

De getuigen Beishuizen en Beukelman bevestigen – kort weergegeven – dat Boer kort voor en tijdens de vergadering van Dijkgraaf en Heemraden van het Waterschap op 3 september 2001 (met hen – en in de vergadering ook met anderen) heeft gesproken over de wateroverlast en over het gesprek dat hij daarover had gehad met Vermeulen en Van ’t Zelfden.

Verder heeft Beishuizen nog het volgende verklaard:

“ Na 4 september 2001, de datum waarop er opnieuw sprake was van wateroverlast, ben ik meerdere keren aangesproken door ingelanden. Zij vertelden mij dat zij in de periode voor 4 september, toen ik dus met vakantie was, geklaagd hadden bij het Waterschap over de wateroverlast. Ik kan mij nu niet herinneren wie die ingelanden zijn geweest en wanneer zij melding zouden hebben gedaan bij het Waterschap.”

Getuige Van ’t Zelfden heeft ter zake van de in geschil zijnde periode het volgende verklaard:

“Ik herinner mij geen klachten of contact omstreeks 27 augustus noch in die periode daarna over wateroverlast. Op uw vraag of ik in die periode niet met dhr. Boer heb gesproken kan ik u zeggen dat ik wekelijks contact had met dhr. Boer omdat hij zich liet informeren over de gang van zaken. Ik herinner mij wel een gesprek waarbij dhr. Boer heeft aangegeven dat het nat was in de polder maar ik vatte dat niet op als klacht. Op uw vraag of dat gesprek voor mij aanleiding was om het waterpeil te controleren zeg ik u dat dat voor mij dagelijks werk was en dat ik dat dus ook op die dag heb gedaan. Dat deed ik door via de computer de waterstanden van de geautomatiseerde objecten te controleren. Ik nam aan dat met “de polder” door dhr. Boer bedoeld werd de polder waarin zijn land ligt. Ik herinner mij geen gesprek in de bestuurskamer van het Waterschap. Als ik daar al contact met dhr. Boer heb gehad moet dat heel informeel zijn geweest; in het langslopen. Ik herinner mij uit die periode wel een gesprek tussen dhr. Boer en dhr. Vermeulen waarvan ik heel kort het begin heb waargenomen. Omdat de toon van het gesprek mij niet beviel ben ik weg gegaan. Ik weet dat het gesprek ging over peil- en wateroverlast maar heb de precieze inhoud niet gehoord.

Op vragen van mr. de [eiser] kan ik het volgende verklaren. Ik denk dat dhr. Boer met “nat” bedoelde dat het land moeilijk bewerkbaar was. Dat hoeft niet zoveel te zeggen over de peilstand. Het is wel zo dat de hoogte van de stuwen invloed heeft op het peil. Dhr. Boer heeft niet specifiek gesproken over het peil bij de stuwen maar meer in het algemeen over water in de polder en heeft ook algemene kwalificaties gebruikt voor het water op het land en het waterpeil. De woorden: te nat en te hoog. Als wij klachten krijgen van ingelanden worden meestal zware kwalificaties gebruikt; dan komt het wel voor dat ingelanden de woorden: we verzuipen gebruiken. In beginsel wordt steeds na zo’n klacht ter plaatse gekeken of er actie nodig is. Desgevraagd kan ik niet uitsluiten dat dat in een enkel geval niet gebeurd is.”

Getuige Vermeulen heeft ter zake van de in geschil zijnde periode het volgende verklaard:

“Van de periode waarom het hier gaat kan ik mij herinneren dat de dijkgraaf en heemraad Boer zelf het gebied zijn ingegaan en instructies aan peilbeheerders hebben gegeven om in te grijpen in de peilstanden. Zover ik weet hebben zij die instructies niet opgevolgd omdat zij hun instructies via de ambtelijke lijn – via de technische dienst – horen te krijgen. Er is in die tijd niets aan de peilen gebeurd omdat dat ook niet nodig was. Ik weet niet meer precies wanneer de dijkgraaf en heemraad Boer de polder ingegaan zijn en waarom. Ik verwacht dat dat was naar aanleiding van klachten. Ik herinner me dit goed omdat het ongebruikelijk was dat bestuurders zich rechtstreeks met peilbeheer bemoeiden.

Met de heer Boer had ik regelmatig, zo eens per twee of drie weken en dan voorafgaand aan de bestuursvergadering van de week erop, overleg. Dat was meestal op vrijdagmiddag en het overleg diende om hem te informeren.

Ik herinner me specifiek een gesprek met hem op drie september. Dat was niet een regulier overleg. Wij hebben in dat gesprek een discussie gehad over het al dan niet handhaven van het peil. De heer Boer verdedigde daarin de agrarische belangen. Ik weet niet meer precies welke belangen hij in dat gesprek concreet heeft genoemd maar hij zal hebben gepleit voor het op een lager peil brengen of houden van het oppervlaktewater om een betere drooglegging van de agrarische percelen te bewerkstelligen. Voor ons gold dat het peil gehandhaafd diende te worden zoals in het peilbesluit is vastgelegd. Daarvan kan slechts in beperkte mate en niet ad hoc worden afgeweken, o.a. omdat ook met andere belangen, zoals de waterkwaliteit, rekening moet worden gehouden. Dat is ook het beleid van het Waterschap en ook daarom is het ongebruikelijk dat door bestuurders concreet in de handhaving van het peil wordt ingegrepen.

U houdt mij voor dat een andere getuige heeft verklaard dat hij is weggelopen bij dat gesprek. Dat herinner ik mij ook en heb ik gezien in de stukken die ik heb gekregen. Ik denk dat dat was omdat die collega, de heer Van ’t Zelfden, geïrriteerd raakte over het feit dat de heer Boer zich direct met ons werk bemoeide.

Ik kan mij niet herinneren of ik in de laatste week van augustus 2001 nog een regulier overleg met de heer Boer heb gehad maar ik herinner me het gesprek van 3 september goed omdat dat vooraf ging aan een bestuursvergadering.

Ik kan mij niet herinneren dat er in de laatste week van augustus 2001 of in de eerste paar dagen van september 2001 klachten van ingelanden zijn geweest over de waterstanden. Ik weet vrijwel zeker dat die er niet zijn geweest omdat ik dat anders wel onthouden zou hebben.

Bij mij zijn geen klachten ingediend en – voor zover ik weet – ook niet bij anderen.

Op uw vraag of ik mij iets kan herinneren van de toestand van het oppervlaktewater in de ZMP-polder in die periode moet ik antwoorden dat mij niets bijzonders bijstaat. De waterstanden waren op peil.

Dat heb ik niet zelf gezien.

Op de vraag van mr. De [eiser] antwoord ik dat ik niet meer precies weet op welke dag de dijkgraaf en heemraad Boer zelf hebben geprobeerd in te grijpen in het peilbeheer. Het was in de periode dat er in de ZMP-polder overlast was. Ik heb in diezelfde week nog over het gesprek met de heer Boer gesproken met het hoofd van de technische dienst. Hij vond dat ik terecht aan het beleid bij het handhaven van het peil had vastgehouden. Dat gesprek was een paar dagen na 3 september. U vraagt mij of het ingrijpen door dijkgraaf en heemraad Boer voorafgaand aan of na 3 september was: ik denk dat het in dezelfde week was maar ik weet ook niet meer op welke dag 3 september viel.”

En voorts nog:

“Het gesprek met de heer Boer op 3 september was in die zin niet bijzonder, dat wij de discussie al vaker hadden gevoerd. Ook op 3 september is slechts in zijn algemeenheid over het al dan niet voor kortere of langere tijd afwijken van het peil gesproken. Ik heb uitgelegd dat het peil ook andere belangen dan agrarische belangen dient en dat afwijking ten gunste van agrarische belangen vaak ten koste gaat van andere belangen. In het gesprek van 3 september hebben wij niet gesproken over de situatie inde ZMP-polder op dat moment.

U leest mij de passage voor uit de verklaring van de heer Boer die begint met “op 3 september 2001 was er…” t/m “Ik was behoorlijk pissig want ik was teleurgesteld in het ambtenarenapparaat. De discussie liep hoog op.” Ik kan mij niet herinneren dat er zo concreet over wateroverlast is gesproken. De toon van het gesprek en de gebruikte kwalificaties zeggen mij ook niets. In mijn beleving was het een gesprek zoals ik dit wel vaker met de heer Boer had. Ik kan ook niet verklaren dat dit niet gebeurd is zoals de heer Boer heeft verklaard.

U houdt mij ook voor de volgende passage uit de verklaring van de heer Van ’t Zelfden; “Ik herinner mij uit die periode…” t/m “Ik denk dat de heer Boer met “nat” bedoelde dat het land moeilijk bewerkbaar was”. Ook die verklaring maakt niet dat ik mij het gesprek anders herinner.”

Dat er bij het Waterschap in de thans nog in geschil zijnde periode wel is geklaagd over de wateroverlast in de ZMP-polder, blijkt voldoende duidelijk uit het geleverde getuigenbewijs. Ten eerste blijkt uit hetgeen getuige Boer heeft verklaard dat anderen bij hem hebben geklaagd. Dit is door het Waterschap niet betwist. Nu hij de voor het waterpeil verantwoordelijke heemraad van het waterschap was, levert dat op zichzelf al voldoende bewijs dat er bij het Waterschap is geklaagd over het waterpeil in de ZMP-polder.

Voorts blijkt dat getuige Boer zelf op 27 augustus 2001 Van ’t Zelfden, één van de in de ambtelijke lijn voor waterbeheer verantwoordelijke mensen, heeft gesproken.

Uit de verklaring van Van ’t Zelfden volgt slechts dat deze zich dat gesprek niet kan herinneren. Niet wordt ontkend dat dit gesprek heeft plaatsgevonden; er wordt naar verwezen dat beide heren wekelijks contact hadden. Verder verklaart Van ’t Zelfden nog dat hij de woorden van Boer niet opvatte als klacht.

Voorts blijkt voldoende uit het bewijs dat er voor het Waterschap aanleiding moest zijn naar aanleiding van de klacht(en) maatregelen te nemen. De kwalificaties die getuige Boer gebruikt ter zake van de waterstanden in de in geschil zijnde periode zijn niet mis te verstaan. Hij heeft daarover op 27 augustus gesproken met Van ’t Zelfden en op 3 september deels in het bijzijn van Van ’t Zelfden met Vermeulen. De getuigen Van ’t Zelfden en Vermeulen stellen slechts zich het gebruik van die kwalificaties door getuige Boer in de gesprekken met hem niet te herinneren of die anders te hebben geïnterpreteerd.

In de verklaring van Boer wordt met de klacht over het te vroeg weer op zomerpeil zetten van de stuwen, wellicht, zoals het waterschap heeft gesteld, ook verwezen naar de maatregelen na wateroverlast in een eerdere periode, doch anders dan het Waterschap kennelijk betoogt is dat ook relevant voor de thans nog in geschil zijnde periode nu een (al dan niet te) hoge waterstand ook het waterbergend vermogen van de watergangen beperkt. Blijkens zijn verklaring heeft Boer immers voorts geklaagd over te hoge waterstanden in de ZMP-polder. Boer heeft namelijk ook nog verklaard dat het water niet helemaal uit de polder was en dat het nat bleef. Dat de gewassen op het land aan het verrotten waren en dat hij dat in de ZMP-polder ook had gezien. Hij verklaart voorts dat: “het water in de sloten in de ZMP polder veel te hoog stond. Dat zie je aan de duikers. Ik zag dat het water veel hoger stond dan normaal en dat heb ik ook zo aan Van ’t Zelfde verteld”.

Uit het door [eiser] bijgebrachte bewijs volgt gelet daarop dat de wateroverlast van zodanige ernst was dat het Waterschap hierin aanleiding had moeten zien om maatregelen te treffen.

[eiser] heeft immers bewezen dat er over wateroverlast is geklaagd terwijl niet is gesteld of gebleken dat het Waterschap naar aanleiding van die klachten enig onderzoek heeft verricht of enige afweging heeft gemaakt aangaande het al dan niet treffen van maatregelen. Vast staat ook dat het Waterschap in de thans nog in geschil zijnde periode geen maatregelen heeft genomen ter verlaging van de stand van het oppervlaktewater in de ZMP-polder.

Gelet hierop is het Waterschap aansprakelijk voor de ten gevolge van dit onrechtmatig handelen c.q nalaten door [eiser] geleden schade.

[eiser] heeft met twee rapporten van agrarisch taxateur J. Roks voldoende onderbouwd gesteld dat de schade ten gevolge van de wateroverlast € 31.432,18 bedraagt.

Het Waterschap heeft betwist dat de kosten van de uitgebrachte rapporten € 1.330,71 hebben bedragen.

Tegen de stelling van [eiser] ter zake van de schade heeft het Waterschap slechts ingebracht dat de deskundige geen onafhankelijke taxateur is.

De enkele stelling dat de deskundige niet onafhankelijk is, leidt nog niet tot het oordeel dat de rapporten van de deskundige en zijn begroting van de schade geen waarde hebben. Van het Waterschap had verwacht mogen worden dat ze de inhoud van het rapport gemotiveerd had betwist. Nu zij dit heeft nagelaten staat de omvang van de schade als onvoldoende gemotiveerd vast. Het bedrag van € 31.432,18 is toewijsbaar.

[eiser] heeft niet nader onderbouwd dat de kosten van de door hem ingeschakelde deskundige € 1.330,71 hebben bedragen. Nu echter aannemelijk is dat de deskundige voor de begroting van de schade meerdere malen ter plaatse een opname heeft gedaan en voorts het opstellen van de rapporten enkele uren werk zal hebben gekost, begroot de rechtbank de kosten daarvan op € 1000,-, zodat de totale voor vergoeding in aanmerking komende schade van [eiser] € 32.432,18 bedraagt.

Ter zake van de gevorderde rente heeft het Waterschap geen verweer gevoerd, zodat die post voor toewijzing gereed ligt. Uit de wet volgt dat na een jaar opnieuw rente is verschuldigd (6:119BW), zodat [eiser] bij een daartoe strekkende veroordeling geen belang heeft.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het Waterschap worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt het Waterschap om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 32.432,18 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 4 september 2001;

veroordeelt het Waterschap in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] bepaald op € 4.053,-- aan salaris van de procureur en € 791,93 aan verschotten, waarvan € 720,-- aan griffierecht;

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Halk, Broeders en Eerdhuijzen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 23 juli 2008.