Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD8577

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
24-07-2008
Datum publicatie
24-07-2008
Zaaknummer
11-500593-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR1551, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling, poging zware mishandeling en bedreiging. Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden en TBS met dwangverpleging voor o.a. het uitrekken van een oog uit de oogkas van het slachtoffer. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer en (na-ijlend) noodweer-exces.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/500593-07

Zittingsdatum: 10 juli 2008

Uitspraak: 24 juli 2008

STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren in 1984,

wonende te [adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de P.C. JHvB De Sprang, te Scheveningen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar heeft mishandeld door diens oog uit zijn oogkas te trekken;

Feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven dan wel zwaar te mishandelen, met name door hem met een ijzeren pijp te slaan;

Feit 3: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], assistentes in een huisartsenpraktijk, heeft bedreigd.

2. De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig is, omdat ten aanzien van feit 2 niet is voldaan aan de eisen van duidelijkheid. Het slaan met de ijzeren pijp heeft in meerdere fases plaatsgevonden en het is voor de verdediging niet duidelijk op welk moment de dagvaarding ziet.

De rechtbank overweegt dat gelet op de zinsnede ‘meermalen’, de dagvaarding ziet op het slaan in alle fases. Verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie gedetailleerd verklaard over de verschillende fases waarin hij geslagen heeft met de ijzeren pijp. Nu ook door de raadman voor elk deel van de tenlastelegging een verweer is gevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het voor verdachte voldoende duidelijk was om welke beschuldiging het ging. De dagvaarding voldoet ook voor het overige aan de wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd. Zij acht ten aanzien van feit 2 de poging doodslag bewezen, nu verdachte volgens de verklaring van getuige [naam getuige] met de ijzeren pijp op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Dit handelen van verdachte had naar haar oordeel kunnen leiden tot de dood van het slachtoffer en verdachte heeft deze aanmerkelijke kans bewust genomen en aanvaard.

De officier van justitie verwerpt het beroep van de verdediging dat er ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van noodweer, dan wel noodweer-exces. Zij is van mening dat verdachte voor beide feiten een andere mogelijkheid om zich te verweren had kunnen en moeten kiezen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er voor de feiten 1 en 3 een bewezenverklaring kan volgen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de in feit 2 impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag. Niet bewezen kan worden dat verdachte op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Verdachte heeft naar eigen zeggen –aldus de raadsman- bewust alleen op het lichaam van het slachtoffer geslagen en juist niet op zijn hoofd. In de medische verklaring van het slachtoffer is ook geen letsel opgenomen dat overeenkomt met het meermalen slaan met een ijzeren pijp op het hoofd. Voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling kan wel een bewezenverklaring volgen.

In het kader van de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat bij feit 1 en 2 sprake was van noodweer- of noodweer-exces aan de zijde van verdachte. Verdachte werd door het slachtoffer op zijn hoofd geslagen met een ijzeren pijp en hij heeft zich daar meermalen tegen verweerd. De eerste keer dat hij zich verweerde was er sprake van zelfverdediging. Verdachte is daarna naar buiten gegaan en weer terug de woning in gegaan, terwijl hij nog volledig door het lint was door de aanval van het slachtoffer. Als gevolg van deze hevige gemoedsbeweging heeft verdachte toen nogmaals geslagen met de ijzeren pijp en het oog van het slachtoffer uitgetrokken. Ten aanzien van het slaan met de ijzeren pijp op dat moment en het uittrekken van het oog is volgens de raadsman sprake van noodweer-exces.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en feit 2

Op 5 november 2007 heeft verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1]) te Oud-Bijerland eerst meermalen geslagen met een ijzeren pijp (feit 2) en vervolgens met zijn vingers het oog van [slachtoffer 1] uit zijn oogkas getrokken (feit 1). Verdachte heeft dit bekend bij de politie en ook ter terechtzitting heeft hij overeenkomstig verklaard.

Dat deze feitelijke handelingen hebben plaatsgevonden staat dan ook niet ter discussie, maar wel of de feiten of verdachte strafbaar zijn of niet, omdat verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweer-exces toekomt.

De rechtbank zal, alvorens zij deze vraag beantwoordt, de feitelijke handelingen waarvoor naar haar oordeel een bewezenverklaring kan volgen, reconstrueren aan de hand van drie verschillende fases.

Fase 1 betreft de gebeurtenissen vanaf het moment dat [slachtoffer 1] de woning van zijn vader binnenkomt met een ijzeren pijp in zijn hand tot het moment dat verdachte de woning uit rent. Als [slachtoffer 1] de woning binnenkomt met de ijzeren pijp, verstopt verdachte zich in een kast in de gang. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de kast in gevlucht is omdat hij [slachtoffer 1] anders zou vermoorden. [slachtoffer 1] maakt de kast open en begint verdachte te slaan met de ijzeren pijp. Verdachte vlucht uit de kast en begint [slachtoffer 1] met zijn vuisten in het gezicht te slaan waarna hij [slachtoffer 1] hard in zijn kruis schopt.

Hoewel uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen als vaststaand kan worden aangenomen dat verdachte deze feitelijke handelingen heeft begaan, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het slaan in het gezicht en het schoppen in het kruis onder feit 2, omdat deze handelingen naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig zijn dat de aanmerkelijke kans bestaat dat zij de dood tot gevolg kunnen hebben dan wel zwaar lichamelijk letsel kunnen opleveren.

Verdachte weet de ijzeren pijp af te pakken van [slachtoffer 1] en hij begint hem hiermee te slaan op zijn lichaam. Verdachte heeft verklaard expres niet op het hoofd van [slachtoffer 1] te hebben geslagen omdat hij hem anders zou doodslaan. Verdachte blijft net zo lang op [slachtoffer 1] in slaan tot hij op de grond ligt. Daarna rent hij naar buiten en roept daar dat men 112 moet bellen.

Fase II begint op het moment dat verdachte wederom terug de woning in gaat. [slachtoffer 1] staat dan met een houten plank in zijn handen en verdachte begint weer te slaan met de ijzeren pijp. De getuige [naam getuige], die in de woning is geweest, heeft gezien dat verdachte op [slachtoffer 1] aan het in slaan is en roept dat hij moet stoppen.

Fase II eindigt op het moment dat getuige [naam getuige] de woning weer verlaat om hulp te halen.

Fase III begint op het moment dat getuige [naam getuige] de woning verlaat. Verdachte blijft op [slachtoffer 1] in slaan. De getuige [naam getuige] komt de woning weer binnen en ziet verdachte nog steeds slaan met de pijp. Verdachte gooit daarna de pijp weg en neemt verdachte in de houdgreep. Fase III eindigt op het moment dat verdachte met twee vingers het linkeroog van [slachtoffer 1] uit zijn oogkas trekt en op de grond gooit.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier onvoldoende dat verdachte met de ijzeren pijp op het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geslagen. Weliswaar verklaart getuige [naam getuige] dat zij zag dat verdachte met de pijp op het hoofd van [slachtoffer 1] sloeg, uit de medische verklaring blijkt echter niets van zodanig letsel aan het hoofd dat met dit slaan met een ijzeren pijp in overeenstemming is.

Ook blijkt uit het dossier onvoldoende dat verdachte op dusdanige wijze richting het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geslagen met de pijp, dat hierdoor de kans aanmerkelijk was dat het hoofd geraakt zou worden. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte op zodanige wijze op die overige delen van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft geslagen, dat hierdoor de aanmerkelijke kans op overlijden ontstond. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de poging doodslag in feit 2.

De rechtbank acht de kans op zwaar lichamelijk letsel, zoals ernstig inwendig letsel of botbreuken, wel aanmerkelijk wanneer men met een ijzeren pijp op het lichaam slaat.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of verdachte handelde ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen of een anders lijf.

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte handelde uit zelfverdediging omdat hij door [slachtoffer 1] werd aangevallen met een ijzeren pijp. De rechtbank is het met de verdediging eens dat, op het moment dat verdachte in fase I door [slachtoffer 1] op zijn hoofd wordt geslagen met de ijzeren pijp, er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Deze noodweer situatie eindigt echter zodra verdachte [slachtoffer 1] in het kruis schopt en de ijzeren pijp afpakt. Wanneer verdachte dan vervolgens begint met het slaan van [slachtoffer 1] met de ijzeren pijp is dit niet meer geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf. Verdachte had op dat moment een andere keus moeten maken in plaats van te gaan slaan met de pijp. De rechtbank verwerpt het verweer.

De overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging is in die gevallen niet strafbaar, waarin zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. De verdediging heeft subsidiair een beroep gedaan op noodweer-exces.

De rechtbank is van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake is van die hevige gemoedsbeweging waarop noodweer-exces ziet en zij verwerpt het verweer. De raadsman heeft dit verweer onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte bang was voor [slachtoffer 1]. Verdachte wilde hem juist uitschakelen, op de grond houden en een lesje leren. Verdachte ging daarbij doelgericht te werk. Verdachte was voorbereid op de komst van [slachtoffer 1] en had daarvoor ook voorzorgsmaatregelen getroffen in het huis.

Voor het slaan met de ijzeren pijp en het uit de oogkas trekken van het oog in de fases II en III geldt dat deze handelingen pas plaatsvonden nadat verdachte de woning uit is geweest en weer binnen is gegaan. Nu verdachte zelf bewust de confrontatie met [slachtoffer 1] weer heeft opgezocht, is er geen sprake meer van een noodweersituatie. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit het dossier niet valt af te leiden dat er in deze fases sprake is geweest van enige ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen verdachte of vader van [slachtoffer 1] van de zijde van [slachtoffer 1], zoals verdachte heeft bepleit. Integendeel [slachtoffer 1] lag op de grond toen hij geslagen werd met de pijp en werd in de houdgreep genomen toen zijn oog er werd uitgetrokken. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer voor de feiten 1 en 2.

Nu er geen sprake meer was van een noodweersituatie komt verdachte ook geen beroep op noodweer-exces toe. Immers er was geen sprake meer van een noodzakelijke verdediging.

Voor zover de raadsman het subsidiaire verweer van noodweer-exces voor feit 1 en voor feit 2 fase II en II, heeft bedoeld als na-ijlend noodweer-exces op de oorspronkelijke noodweersituatie voor het verlaten van de woning, zal de rechtbank ook dit verweer verwerpen. Voorzover er op die momenten nog sprake was van een heftige gemoedsbeweging is niet aannemelijk dat die heeft bestaan uit angst, vrees, radeloosheid, of een andere gemoedsbeweging, die door de aanranding is veroorzaakt. Het lijkt er meer op dat de verdachte, zoals hij ter zitting ook nog heeft verklaard, vooral boos was, [slachtoffer 1] een lesje wilde leren, hem in huis wilde houden tot de politie was gearriveerd, en dat hij daarbij is doorgedraaid als gevolg van gebruik van alcohol, drugs en/of medicijnen.

Feit 3

Evenals de officier van justitie, acht de rechtbank feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie, waaruit blijkt dat verdachte op 26 september 2007 bij de huisartsenpost te Oud-Beijerland was en zich daar agressief heeft gedragen;

- de aangifte van [slachtoffer 2];

- de aangifte van [slachtoffer 3].

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 05 november 2007 te Oud-Beijerland aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (oog uit oogkas), heeft toegebracht, door opzettelijk met zijn, verdachtes, vingers dat oog vast te pakken en vervolgens dat oog uit die oogkas te trekken;

2

op 05 november 2007 te Oud-Beijerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen die [slachtoffer 1] met een ijzeren pijp tegen zijn lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

(712319-07)

op 26 september 2007 te Oud-Beijerland [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"Dat zou ik niet, want dan maak ik je af" en "Geen politie, geen politie. Ik ken nu je gezicht en hang ik je op" en "Als jullie de politie bellen, dan kom ik terug en hang ik jullie op. Dan maak ik jullie af".

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Zoals onder 3.3. is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer niet. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

ZWARE MISHANDELING;

2.

POGING TOT ZWARE MISHANDELING;

3.

BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT,

MEERMALEN GEPLEEGD.

5. De strafbaarheid van de verdachte

5.1 Het rapport van de deskundigen

Er is een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte uitgevoerd middels observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum te Utrecht. Uit het door klinisch psycholoog C.M. van Deutekom en de psychiaters F. Nhass en J.M.J.F. Offermans d.d. 20 juni 2008 omtrent verdachte uitgebrachte rapport komt onder meer naar voren – zakelijk weergegeven -:

Bij verdachte is in descriptieve zin sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische persoonlijkheidstrekken. Ten tijde van het ten laste gelegde onder feit 1 en 2 was deze stoornis aanwezig en ook van invloed op de ten laste gelegde feiten. Met name de beperkte draagkracht, de impulsiviteit en het onvermogen emoties adequaat te reguleren hebben in een emotioneel zeer belastende situatie geleid tot een forse ontregeling en inperking van het vermogen weloverwogen te handelen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Dit vermogen werd nog verder verlaagd doordat verdachte onder invloed verkeerde van psychoactieve middelen, waarbij wordt opgemerkt

dat het misbruik van psychoactieve middelen samenhangt met zijn persoonlijkheidsstoornis. In het ten laste gelegde feit 3 speelt de persoonlijkheidsstoornis van verdachte. eveneens een rol (met name het dwingende gedrag en de tekortschietende impulscontrole), zij het in mindere mate.

Geconcludeerd kan worden dat de feiten 1 en 2 slechts in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Feit 3 kan in enigszins verminderde mate worden toegerekend.

5.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten onder 1 en 2 in verminderde mate en onder 3 in enigszins verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Zoals onder 3.3 is gemotiveerd volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer-exces niet. Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van wat zij bewezen acht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en TBS met dwangverpleging.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ontslag van alle rechtsvervolging bepleit voor de feiten 1 en 2. De verdediging onderschrijft het belang van behandeling.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zware mishandeling en een poging daartoe. Verdachte heeft het slachtoffer meerdere keren geslagen met een ijzeren pijp. Verdachte vond dat het slachtoffer niet stil genoeg bleef liggen en besloot daarom zijn oog eruit te trekken. Hij nam het slachtoffer in een houdgreep en trok vervolgens met zijn vingers het oog van het slachtoffer uit zijn oogkas. Na deze handeling heeft verdachte eindelijk zijn geweld gestaakt. Verdachte heeft ook in het rechteroog van het slachtoffer gepeuterd, maar dat lijkt gelukkig zonder ernstige gevolgen te zijn gebleven. Het is duidelijk dat het slachtoffer enorme hinder ondervindt en zal blijven ondervinden van dit handelen van verdachte. Hij is onder andere niet meer in staat zijn beroep van elektromonteur uit te oefenen.

Verdachte heeft ook twee doktersassistentes bedreigd toen hij naar zijn idee niet goed werd geholpen. Deze vrouwen zijn behoorlijk bang geweest toen verdachte voor de balie stond te razen en te tieren.

Van alle feiten, springt de aard en de ernst van feit 1 het meest in het oog, door de bizarre manier waarop dat heeft plaatsgevonden, maar ook door de gevolgen die het voor [slachtoffer 1] heeft. Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze uit het rapport van het Pieter Baan Centrum en het oriënterend psychiatrisch onderzoek zijn gebleken. Zoals overwogen is verdachte als (enigszins) verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor de door hem gepleegde feiten. De rechtbank houdt tevens rekening met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Bij het bepalen van de sanctie betrekt de rechtbank tevens de hiervoor genoemde rapporten.

Uit de pro-justitia rapportage van de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum komt hieromtrent onder meer het navolgende naar voren –zakelijk weergegeven-:

De kans op herhaling van ernstige geweldsdelicten is groot. De ernstige persoonlijkheidsstoornis zal zonder behandeling immers niet minder ernstig worden. Met name de beperkte draagkracht van verdachte (met kans op psychotische decompensatie bij overbelasting), zijn impulsiviteit, de gebrekkige empathie en het onvermogen emoties adequaat te reguleren dragen bij in dit recidiverisico. Ook verdachtes middelenmisbruik (dat samenhangt met zijn persoonlijkheidsstoornis) vormt een verhoogd risico. Daarnaast moet opgemerkt worden dat verdachte weliswaar eenmaal eerder veroordeeld is geweest (ter zake van mishandeling) maar dat er wel veel politiemutaties aanwezig zijn over agressie en hinderlijk gedrag van verdachte. Andere factoren die een indicatie vormen voor het hoge recidiverisico betreffen het feit dat bij verdachte de gedragsproblemen al op jonge leeftijd zijn ontstaan, het feit dat hij slachtoffer is geweest van geweld in zijn jeugd, het moeizaam verlopen arbeidsverleden en zijn onvermogen tot het aangaan van stabiele en diepergaande sociale relaties. Het hoge recidiverisico wordt tevens bevestigd door

een hoge score op de HKT-30 (een recidiverisicotaxatie-instrument).

Gelet op het voorgaande adviseren wij aan verdachte de maatregel van terbeschik-

kingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Voor een behandeling in een minder gedwongen kader, zoals een terbeschikkingstelling met voorwaarden, ontbreekt bij verdachte - naast voldoende inzicht in de problematiek - de noodzakelijke interne motivatie. Daarnaast gaat de ernst van de stoornis de behandeltermijn van een tbs met voorwaarden te boven.

Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een tbs noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat:

- bij verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond;

- de bewezen verklaarde feiten een misdrijf betreffen als omschreven in artikel 37a, eerste lid aanhef sub 1° van het Wetboek van Strafrecht;

- de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel met verpleging eist.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd terzake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank naast de maatregel ook de oplegging van een langdurige gevangenisstraf noodzakelijk. De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier in dat opzicht onvoldoende rekening houdt met de ernst van de feiten. Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden tevens passend en geboden.

7. De benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer 1], [adres en woonplaats].

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EURO 5000,-- als voorschot ter zake van immateriële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van benadeelde partij in de vordering.

Door of namens de verdachte is deels de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist.

Alhoewel het slachtoffer enige schuld verweten kan worden is de rechtbank van oordeel dat de schade tot de hoogte zoals opgevoerd een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde onder 1. Zij acht verdachte derhalve aansprakelijk voor die schade. De rechtbank acht het gevorderde voldoende aannemelijk, zodat de vordering als voorschot zal worden toegewezen.

De rechtbank heeft hierbij aansluiting gezocht bij zaak 767 uit de smartengeld gids waarbij een bedrag van EURO 15.000 is toegewezen. Ook daar betreft het een man op jongere leeftijd, die ingevolge zijn blindheid aan één oog verminderde kansen heeft op de arbeidsmarkt en belemmerd wordt in zijn dagelijkse leven.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 37a, 37b, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 3.4 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 4. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

GELAST DAT DE VERDACHTE TER BESCHIKKING WORDT GESTELD;

BEVEELT DAT DE TER BESCHIKKING GESTELDE VAN OVERHEIDSWEGE WORDT VERPLEEGD;

veroordeelt verdachte om tegen kwijting als voorschot te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van EURO 5000,-- met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EURO 5000,-ten behoeve van [slachtoffer 1];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 dagen;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.P. Hameete, voorzitter,

mr. R.E. Drenth en mr. S.H. Gaertman,rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Herlaar,griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juli 2008.

Wegens afwezigheid is mr. R.E. Drenth buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 05 november 2007 te Oud-Beijerland aan een persoon genaamd

[slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (oog uit oogkas), heeft toegebracht, door opzettelijk met zijn, verdachtes, vinger(s) dat oog vast te pakken en vervolgens dat oog uit die oogkas te trekken;

2.

hij op of omstreeks 05 november 2007 te Oud-Beijerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] tegen zijn gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer 1] in zijn kruis heeft geschopt en/of getrapt en/of meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] met een ijzeren pijp tegen zijn lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

712319-07)

hij op of omstreeks 26 september 2007 te Oud-Beijerland [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"Dat zou ik niet, want dan maak ik je af" en/of "Geen politie, geen politie. Ik ken nu je gezicht en hang ik je op" en/of "Als jullie de politie bellen, dan kom ik terug en hang ik jullie op. Dan maak ik jullie af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;