Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD8293

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-07-2008
Datum publicatie
23-07-2008
Zaaknummer
75559 / KG ZA 08-110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir beslag. Artikel 3:171 BW. Beslag gelegd voor vordering die toebehoort aan onverdeelde nalatenschap door een deel van de erfgenamen. Aannemelijk dat beslagleggers in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zullen worden verklaard omdat zij de vordering niet ten behoeve van de gezamenlijke deelgenoten hebben ingesteld maar ten behoeve van henzelf. Eiswijziging in de bodemprocedure kan de beslagleggers niet baten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 75559 / KG ZA 08-110

Vonnis in kort geding van 24 juli 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.A. de Lange te Barendrecht,

procureur mr. M.A. Bos,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats]

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats]

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats]

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats],

6. [gedaagde 6],

wonende te [woonplaats],

7. [gedaagde 7]

wonende te [woonplaats],

allen gedaagden,

advocaat en procureur mr. A. Quispel.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eiseres] en [gedaagden]

1. Het procesverloop

De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 10 juli 2008 kennis genomen van de volgende processtukken:

- dagvaarding van 30 mei 2008,

- pleitnotities van mr. P.A. de Lange, voornoemd,

- pleitnotities van mr. A. Quispel, voornoemd,

- de door beide partijen overgelegde producties.

2. De feiten

2.1. Op 14 september 2006 is overleden [erflaatster], weduwe van [X] (verder: erflaatster).

2.2. Uit het huwelijk tussen erflaatster en [X] zijn acht kinderen geboren, [gedaagden] en [kind X], overleden op 10 mei 2004.

2.3. [kind X] en [eiseres] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren (verder: de kinderen van [eiseres]).

2.4. Erflaatster heeft als erfgenamen achtergelaten [gedaagden] en de kinderen van [eiseres].

2.5. Met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank hebben [gedaagden] in mei 2007 ten laste van [eiseres] conservatoir beslag doen leggen op:

- het woonhuis aan de [adres] te [woonplaats],

- twee percelen grond nabij het woonhuis;

- een perceel grond gelegen nabij de Rijksweg te [woonplaats];

- een elftal paarden.

2.6. Tussen partijen is bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig (70449 HA ZA 07-2355) over een door erflaatster aan [kind X] verstrekte geldlening. Daarin wordt – kort gezegd – in conventie door [gedaagden] van [eiseres] betaling van een bedrag van € 134.686,66, te vermeerderen met wettelijke rente, gevorderd en wordt in voorwaardelijke reconventie door [eiseres] een verklaring voor recht gevorderd.

2.7. Op 11 juni 2008 is in voormelde bodemprocedure gewezen waarbij de zaak voor uitlating door partijen in conventie naar de rol is verwezen. In rechtsoverweging 4.1 van dit vonnis heeft de rechter onder meer overwogen dat partijen zich dienen uit te laten over het volgende:

“Hoe verhoudt de vordering van [gedaagden] zich tot het bepaalde in artikel 3:171 BW? [gedaagden] vorderen immers betaling ten behoeve van henzelf en niet ten behoeve van de gemeenschap.”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – kort samengevat – [gedaagden] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle door hen ten laste van [eiseres] gelegde conservatoire beslagen op de paarden op te heffen en opgeheven te houden, eventueel onder de door de voorzieningenrechter te bepalen voorwaarden, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding. Zij stelt daartoe het volgende.

3.2. De beslagen zijn onnodig gelegd. De vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd zijn door [gedaagden] in privé ingesteld, terwijl deze toekomt aan de onverdeelde boedel van erflaatster, zodat deze niet toewijsbaar is. Bovendien hebben [gedaagden] uit hoofde van de gestelde geldlening geen vordering op [eiseres], nu de akte van geldlening op de voet van artikel 1:88 BW jo. artikel 1:89 BW door [eiseres] is vernietigd en voorts de vordering is verjaard.

De beslagen op de paarden hebben tot een noodsituatie voor [eiseres] geleid. Uit de opbrengsten van verkopen van door haar gefokte paarden voorziet [eiseres] in haar levensonderhoud en de verzorging van de paarden. [eiseres] derft thans deze inkomsten. Bovendien leidt de aanwezigheid van de hengsten waarop beslag is gelegd en die inmiddels vijf jaar zijn tot problemen. Ook belet het beslag [eiseres] haar stal (het aantal dieren) te verkleinen.

De gelegde beslagen op onroerende zaken bieden voldoende zekerheid voor de door [gedaagden] gepretendeerde vordering.

3.3. [gedaagden] hebben de vordering gemotiveerd weersproken. De inhoud van hun verweer zal hierna voor zover nodig nader worden omschreven.

4. De beoordeling

4.1. Blijkens het bepaalde in art. 705 lid 2 Rv. kan een gelegd beslag onder meer worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger – in dit geval [gedaagden] – ingeroepen recht, indien blijkt dat het beslag onnodig is of wanneer voldoende zekerheid wordt gesteld.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering tot zekerheid waarvan de beslagen zijn gelegd en waarvoor de bodemprocedure bij deze rechtbank aanhangig is gemaakt toekomt aan de onverdeelde boedel van erflaatster. Voorts staat niet ter discussie dat de kinderen van [eiseres] eveneens erfgenamen van erflaatster zijn, maar niet in de bodemprocedure zijn betrokken. Ingevolge artikel 3:170 BW dient het beheer van een gemeenschappelijk goed door de deelgenoten gezamenlijk te geschieden. Ingevolge artikel 3:171 BW kan een deelgenoot wel een rechtsvordering in ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. In laatstbedoeld geval is de procederende deelgenoot de formele procespartij en de gemeenschap de materiële procespartij.

4.3. Dat een deelgenoot slechts bevoegd is een uitspraak “ten behoeve van de gemeenschap” uit te lokken, sluit in dat hij in de dagvaarding of het verzoekschrift kenbaar moet maken dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel mogelijk met name genoemde deelgenoten optreedt (MvA II Inv, PG Inv Boek 3, p. 1283). Tegen de stelling van [eiseres] dat [gedaagden] dat in de dagvaarding niet hebben gedaan, is door [gedaagden] slechts aangevoerd dat zij steeds de bedoeling hebben gehad ten behoeve van de gemeenschap op te treden en dat inmiddels voor zover nodig hun eis hebben gewijzigd.

4.4. Niet gesteld is dat [eiseres] op grond van verklaringen of gedragingen van [gedaagden] die aan de beslagen en de bodemprocedure zijn voorafgegaan duidelijk moet zijn dat [gedaagden] in de bodemprocedure niet voor zichzelf maar ten behoeve van de gezamenlijke deelgenoten optreden. Evenmin is door hen aangevoerd dat [eiseres] dat uit passages in de dagvaarding en het beslagrekest duidelijk kon zijn. Uit het in 2.7 geciteerde deel van het tussenvonnis in de bodemprocedure volgt dat ook de bodemrechter uit de processtukken heeft afgeleid dat [gedaagden] ten behoeve van henzelf en niet ten behoeve van de gemeenschap optreden en dat oordeel komt, gezien de in dit geding overgelegde afschriften van de processtukken in de bodemprocedure, voorshands juist voor. Ook uit de zich onder die stukken bevindende beslagstukken blijkt niet anders dan dat [gedaagden] ten behoeve van henzelf optreden.

4.5. De gestelde wijziging van eis in de bodemprocedure kan [gedaagden] niet baten. Volgens vaste rechtspraak kan immers de hoedanigheid van een procespartij niet in de loop van de procedure kan worden gewijzigd (HR 14-5-1965/NJ 1965/361, HR 2-4-1993/ NJ 1993,573, HR 21-11-2003/ NJ 2004,130). Bovendien zou een wijziging van hun hoedanigheid in de bodemprocedure onverlet laten dat [gedaagden] het onderhavige beslag ten behoeve van henzelf hebben gelegd.

4.6. Op grond van het vorenstaande is aannemelijk dat [gedaagden] in de bodemprocedure niet ontvankelijk zullen worden verklaard in de vordering waarvoor zij het onderhavige beslag hebben laten leggen. Hiermee is gegeven dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagden] ingeroepen recht is gebleken, zodat de gevorderde opheffing van de beslagen op de paarden dient te worden toegewezen. Nu [eiseres] ter zitting heeft verklaard geen bezwaar tegen opheffing door de voorzieningenrechter te hebben, zal die vordering als na te melden worden toegewezen.

4.7. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagden] worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- vast recht 254,00

- salaris procureur 816,00

Totaal € 1.155,44

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

heft op het door [gedaagden] bij deurwaardersexploot van 24 mei 2007 onder [eiseres] gelegde beslag op een elftal paarden;

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 1.155,44;

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2008.