Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD8014

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
11/500346-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9480, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regelmatige uitvoer hasjies/hennep door criminele organisatie naar Engeland. Veroordeelde was de transporteur. Rechtbank schat wederrechtelijk verkregen voordeel op euro 72.000,-.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 511f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer : 11/500346-06

Zittingsdatum : 22 mei 2008

Datum uitspraak: 17 juli 2008

ONTNEMINGSVONNIS

1. Onderzoek van de zaak

In de zaak tegen

[verdachte],

geboren in 1977,

wonende te [adres en woonplaats],

hierna te noemen: veroordeelde of betrokkene.

heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Dordrecht de navolgende beslissing genomen.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting van 22 mei 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van het standpunt van de verdediging, naar voren gebracht door de raadsvrouw, mr I.N. Weski.

2. Het strafvonnis

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 13 april 2007 is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, ter zake van:

(parketnummer 11/500346-06)

1. MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

2. MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3 ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

(parketnummer 11/701585-06)

HET DEELNEMEN AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN.

De feiten zijn gepleegd in de periode van 1 mei 2006 tot en met 19 mei 2006 (parketnummer 11/500346-06), feit 1.), in de periode van 8 mei 2006 tot en met 11 mei 2006 (parketnummer 11/500346-06, feit 2.) en in de periode van 1 januari 2004 tot en met 25 mei 2006 (parketnummer 11/701585-06).

3. De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Ter terechtzitting van 22 mei 2008 heeft de officier van justitie gevorderd betrokkene te veroordelen tot het betalen van een bedrag van EUR 69.120,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft zich daarvoor gebaseerd op de berekening zoals die is gemaakt in het rapport strafrechtelijk financieel onderzoek in deze zaak.

4. De verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van voordeelsfeiten, dat aan veroor-deelde geen voordeel kan worden toegerekend en subsidiair dat dient te worden volstaan met-schatting op en ontneming van het geldbedrag dat onder veroordeelde in beslag is genomen.

5. De bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank, dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het vermelde strafbare feit is gegrond op de feiten en de omstan¬digheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing met de bewijsmiddelen vereist in een aan deze beslissing gehechte bijlage worden opgenomen.

6. Beoordeling van de vordering

De rechtbank gaat voor de schatting van het voordeel uit van allereerst de verklaring van [medeverdachte 1] dd 20 juni 2006 (13:29) (blz 024) dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en hij al zo’n anderhalf jaar kistjes softdrugs naar Engeland vervoeren.Dat vervoer werd, aldus [medeverdachte 1], vaak door verdachte geregeld, maar of dat altijd het geval was wist hij niet.De transporteur kreeg altijd wel meer dan EUR 6.000,- per keer. Ook [medeverdachte 4] geeft in haar verklaring van 31 mei 2006 (13:25) (blz 051) naar aanleiding van een telefoontap (weekend Barcelona) aan dat verdachte voor het in dat gesprek gerefereerde transport EUR 6.000,- moest krijgen. [medeverdachte 5] verklaart op 12 juni 2006 (14:50) dat hij het afgelopen jaar tussen de 10 en de 15 kistjes naar Verdachte heeft gebracht en (verklaring van 23 juni 2006 blz 026) dat gezien het gewicht van die kistjes er wel vanuit kon worden gegaan dat zich daarin telkens drugs bevonden. Zeker in aanmerking genomen dat [medeverdachte 5] verklaringen een transportperiode van een jaar betreffen en de verklaring van [medeverdachte 1] nog een half jaar extra transporten omvat, is betrokkenheid bij het transport van 12 kistjes softdrugs ingeval van verdachte een reële aanname en dus is een genoten bruto voordeel van EUR 72.000,- aannemelijk.

In het rapport strafrechtelijk financieel onderzoek (blz 12) wordt op het bruto berekende voordeel een aftrek toegepast van 12 x EUR 240,- omdat Verdachte in zijn verklaring van 26 mei 2006 (14:00) (blz 007) heeft aangegeven dat “het normale bedrag” voor transport van een kist van die afmetingen 230 of 240 euro was. Daarmee bedoelde hij echter niet de transportkosten, maar wat het transport van een dergelijk kistje in een normaal geval opleverde. Dit bedrag is dus ten onrechte als aftrek aangemerkt. Niet onaannemelijk is overigens dat Verdachte transportkosten heeft gemaakt, maar welke en van welke omvang heeft hij niet verklaard en valt ook niet uit an-dere bewijsmiddelen af te leiden. De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel gezien het voorgaande schatten op EUR 72.000,-.

Aangezien redenen die dienen te leiden tot toepassing van de matigingsbevoegdheid van art. 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht niet aannemelijk zijn geworden, zal aan de veroordeelde een betalingsverplichting worden opgelegd ter hoogte van EUR 72.000,-.

7. De toegepaste wetsartikelen

De opgelegde maatregel berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op EUR 72.000,-.

legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling van EUR 72.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.P. Hameete, voorzitter,

mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen en mr. E. van Schouten, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2008.

De griffier is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.