Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD7519

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
11-500074-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting. Vrijspraak voor het onderdeel van de tenlastelegging waarin is opgenomen het uit de brandstichting voortvloeiende te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor brandweerlieden en/of een kraanmachinist nu dit gevaar voor de minderjarige verdachten niet voorzienbaar was.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 158
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/500074-08

Zittingsdatum : 3 juli 2008

Uitspraak : 17 juli 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1992,

[adres en woonplaats] .

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

1.

(Incident 3)

hij op of omstreeks 03 januari 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/tegen een (sloop)boerderij (gelegen aan de Baanhoek), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk hout en/of papier onder aan de trap van die boerderij neergelegd en/of (vervolgens) benzine over dat hout en/of papier en/of in die boerderij gegoten en/of met behulp van een aansteker dat hout en/of papier in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine en/of hout en/of papier, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die boerderij geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die boerderij en/of de inboedel van die boerderij, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor brandweermensen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.

(Incident 4)

hij op of omstreeks 03 januari 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een (bedrijfs)pand/loods (gelegen aan de Molendijk en/of Leen van der Wielstraat), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk benzine gegoten over een of meer tegen dat gebouw liggende (houten) balken en/of andere brandbare stoffen en/of (vervolgens) met behulp van een aansteker die benzine en/of die balk(en) en/of die andere brandbare stoffen in brand gestoken, in elk geval opzettelijk

(open) vuur in aanraking gebracht met benzine en/of (houten) balken en/of brandbare goederen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat (bedrijfs)pand/loods geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval

brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand en/of in dat bedrijfspand aanwezige goederen (onder andere een heftruck, handgereedschap, snijbranders, compressoren) en/of (een) nabijgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) van (een)

nabijgelegen woning(en) en/of brandweermensen en/of een kraanmachinist, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

3.

(Incident 5)

hij op of omstreeks 26 januari 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een loods(en) (porta-cabin) (gelegen aan de Rivierdijk), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk spiritus gegoten tegen/in die loods(en) en (vervolgens) met behulp van een aansteker die spiritus en/of (proppen) kranten en/of folders in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met spiritus en/of kranten en/of folders, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die loods en/of (een) nabijgelegen loods(en) en/of een (oud) scheepswerf ("Deltawerf") geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (een) loods(en) en/of een (oude) scheepswerf en/of de inboedel van die loods(en)/scheepswerf en/of (onder andere) in de nabijheid van die loods(en) staande vrachtwagen(s) en/of (een) buigmachine(s) en/of overige machines, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) van (een) nabijgelegen bejaardentehuis (Parkzicht) en/of woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

4.

(Incident 7)

hij op of omstreeks 14 februari 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in meerdere, althans een (blauwe) (papier/vuil) container(s), immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (een) (vuurwerk) tol(len) met een aansteker aangestoken en/of (vervolgens) die tol(len) in de container(s) gelegd/gegooid (waardoor die container(s) in

de brand is/zijn gevlogen), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met vuurwerk en/of kranten en/of brandbare goederen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan bovengenoemde (papier/vuil) container(s) en/of een auto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (een) nabijgelegen container(s) en/of (een) auto('s) en/of straatmeubilair en/of woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) van (een) nabijgelegen

woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

2. De voorvragen

2.1De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Als bijzondere voorwaarde vordert de officier van justitie verplichte begeleiding door de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt deelname aan ITB Harde Kern en het volgen van een training bij Het Dok. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 130 uren, subsidiair 65 dagen vervangende jeugddetentie en een leerstraf Sociale Vaardigheidstraining voor de duur van 20 uren, subsidiar 10 dagen vervangende jeugddetentie.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

[benadeelde partij], (feit 2, incident 4).

Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van

EUR 59.142, 72 ter zake van materiële schadevergoeding. De officier heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid in de vordering, nu de opgevoerde schade niet eenvoudig is vast te stellen. Door of namens de verdachte is de hoogte van de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

(Incident 3)

op 03 januari 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht in een (sloop)boerderij gelegen aan de Baanhoek, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk hout en/of papier onder aan de trap van die boerderij neergelegd en vervolgens benzine over dat hout en/of papier en in die boerderij gegoten en met behulp van een aansteker dat hout en/of papier in brand gestoken, ten gevolge waarvan die boerderij gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.

(Incident 4)

op 03 januari 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een (bedrijfs)pand/loods (gelegen aan de Molendijk en/of Leen van der Wielstraat), immershebben verdachte en een van zijn mededaders toen aldaar opzettelijk benzine gegoten over een of meer tegen dat gebouw liggende (houten) balken en/of andere brandbare stoffen en vervolgens met behulp van een aansteker die benzine en/of die balk(en) en/of die andere brandbare stoffen in brand gestoken, ten gevolge waarvan dat (bedrijfs)pand/loods geheel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand en in dat bedrijfspand aanwezige goederen (onder andere een heftruck,

handgereedschap, snijbranders, compressoren) en nabijgelegen woningen, en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van nabijgelegen woningen te duchten was;

3.

(Incident 5)

op 26 januari 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in porta-cabins gelegen aan de Rivierdijk, immers hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk spiritus gegoten tegen/in die por-ta-cabins en vervolgens met behulp van een aansteker die spiritus en/of (proppen) kranten en/of folders in brand gestoken, ten gevolge waarvan die porta-cabins en een nabijgelegen loods en een oude scheepswerf "Deltawerf" geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor loodsen en een oude scheepswerf en de inboedel van die loodsen/scheepswerf enonder andere in de nabijheid van die loodsen staande vrachtwagens en machines en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van een nabijgelegen bejaardentehuis Parkzicht en woningen te duchten was;

4.

(Incident 7)

op14 februari 2008 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in meerdere blauwe papier containers, immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk vuurwerktollen met een aansteker aangestoken en vervolgens die tollen in de containers gelegd/gegooid waardoor die containers in de brand zijn gevlogen, ten gevolge waarvan bovengenoemde papiercontainers en geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor nabijgelegen containers en een auto te duchten was.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverwegingen

Door de raadsman is ter verdediging ten aanzien van feiten 1 en 2 aangevoerd met betrekking tot het gevaar voor de brandweerlieden aan dat gevaar bij hun werk hoort. De raadsman betoogt dat het niet de intentie van de wetgever geweest kan zijn dat het gevaar dat de brandweer loopt ten tijde van het verrichten van hun werkzaamheden als strafverzwarende omstandigheid aan de verdachte aangerekend moet worden.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat het ging om een brand van een beperkte omvang, waardoor er geen gevaar te duchten is geweest voor goederen of perso-nen.

De rechtbank overweegt het volgende:

Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte hoeft slechts gericht te zijn op het brandstichten. Het opzet van de verdachte hoeft niet gericht te zijn op het teweeg brengen van gevaar. Het uit die brandstichting voortvloeiend gevaar moet algemeen voorzienbaar zijn. Wetenschap bij de verdachte omtrent de omstandigheid dat gevaar te duchten is, is niet nodig. In het bijzondere geval dat de verdachte het gevaar niet kon voorzien dient aangenomen te worden dat alle schuld ontbreekt. De vraag die thans beantwoord dient te wor-den is of het te duchten gevaar redelijkerwijs was te voorzien.

Feit 1

Met betrekking tot dit feit heeft de rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting het volgende vastgesteld:

Verdachte en zijn mededaders hebben in een boerderij brandgesticht. De brand die op de begane grond was aangestoken heeft uiteindelijk tot in de nok van de boerderij gebrand. De betreffende boerderij, adres Baanhoek 489 te Sliedrecht, is gelegen binnen de bebouwde kom.

De boerderij werd niet bewoond en stond al langere tijd leeg. De raam- en deuropeningen waren grotendeels dichtgemetseld dan wel dichtgetimmerd. In de boerderij stond geen inboedel. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat door de brandstichting geen gevaar voor de inboedel van die boerderij is ontstaan. Derhalve zal verdachte ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De brandweer heeft ten tijde van haar bluswerkzaamheden van omwonenden de melding gekregen dat in het brandende pand mogelijk een zwerver verbleef. Vanwege deze melding hebben de brandweerlieden de gehele boerderij doorzocht. Zonder deze melding hadden zij uit veiligheidsoverwegingen de brandende boerderij niet of nauwelijks betreden vanwege instortingsgevaar.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en diens mededaders het gevaar dat hierdoor voor het brandweerpersoneel is ontstaan niet konden voorzien. De bijzondere omstandigheid dat zich in deze boerderij wel eens een zwerver ophield viel redelijkerwijs niet te voorzien door de verdachte. Derhalve zal verdachte ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft ter terechtzitting persoonlijk de luchtfoto’s van de boerderij en de directe omgeving daarvan waargenomen. Deze foto’s bevinden zich in de fotobijlage bij het proces-verbaal van politie Zuid-Holland Zuid (als dossierparagraaf 03.AH.02 gevoegd in het proces-verbaal met dossiernummer PL1820/08-500879). De voorzitter van de rechtbank heeft de genoemde foto’s ter terechtzitting aan de verdachte voorgehouden. De rechtbank heeft op grond van de waarneming van deze foto’s vastgesteld dat zich in de directe omgeving van de boerderij diverse boerderijen/panden en woningen bevinden. De rechtbank is van oordeel dat de kans op het overslaan van de brand op de nabijgelegen woningen en boerderijen/panden derhalve aanwezig was, alsmede dat er sprake was van het hieruit voortvloeiende gevaar voor de goederen en voor de bewoners die zich in die woningen en boerderijen/panden bevonden.

De rechtbank acht het uit de brandstichting in de boerderij voortvloeiende algemeen gemeen gevaar voor goederen alsmede het levensgevaar en gevaar voor lichamelijk letsel voor anderen derhalve wel bewezen.

Het verweer wordt derhalve ook in zoverre verworpen.

Feit 2

Met betrekking tot dit feit heeft de rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting het volgende vastgesteld:

Verdachte en zijn mededaders hebben in een bedrijfspand/loods op een bedrijventerrein te Sliedrecht brandgesticht. De brand heeft er toe geleid dat de loods en de inboedel verloren zijn gegaan.

Tijdens de bluswerkzaamheden van de brandweer bleek dat in de loods een set met acetyleenflessen stond, waardoor er sprake was van een ontploffingsgevaar. Om de flessen te verwijderen, teneinde het gevaar van een explosie te verkleinen, heeft het brandweerpersoneel alsmede een kraanmachinist gevaar gelopen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en diens mededaders dit gevaar niet konden voorzien. De bijzondere omstandigheid dat zich in de loods een hoeveelheid ontploffingsgevaarlijke flessen bevond viel redelijkerwijs niet te voorzien door de verdachte. Derhalve zal verdachte ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging waarin is opgenomen het uit de brandstichting voortvloeiende levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor brandweermensen en de kraanmachinist, worden vrijgesproken.

Feit 4

De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting ten aanzien van dit feit het volgende vastgesteld:

De in brand gestoken papiercontainers bevonden zich op korte afstand van andere containers. Vanwege de hevige brand die in de containers heeft gewoed is de rechtbank van oordeel dat als gevolg van de brand in die papiercontainers er tevens gevaar te duchten was voor de nabijgelegen overige containers en een nabij staande auto.

De rechtbank heeft niet op basis van het dossier noch anderszins vast kunnen stellen of in het onderhavige geval door de brand ook gevaar voor de woningen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. Derhalve zal ver-dachte ten aanzien van dit onderdeel van de ten laste legging worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

MEDEPLEGEN VAN HET OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS

en

MEDEPLEGEN VAN HET OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VOOR ZWAAR LICHAMELIJK LETSEL VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS;

2.

MEDEPLEGEN VAN HET OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS

en

MEDEPLEGEN VAN HET OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VOOR ZWAAR LICHAMELIJK LETSEL VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS;

3.

MEDEPLEGEN VAN HET OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS

en

MEDEPLEGEN VAN HET OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VOOR ZWAAR LICHAMELIJK LETSTEL VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS;

4.

MEDEPLEGEN VAN HET OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1Het rapport van de deskundige

In het kader van een persoonlijkheidsonderzoek heeft psycholoog drs. J.M. Petri een rap-port uitgebracht over de persoon van de verdachte.

In dit rapport, gedateerd 8 mei 2008, komt onder meer naar voren -zakelijk

weergegeven-:

Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis met antisociale trekken. Het gedrag wordt gekenmerkt door laagbegaafdheid, sociaalemotionele onrijpheid, opzoeken van spanning en impulsiviteit, een zwakke identiteit en ego-functies, zwak vermogen tot het inschatten van sociale situaties en een verhoogde beïnvloedbaarheid. De gebrekkige ontwikkeling van de geest-vermogens heeft de gedragskeuzes van betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde in die zin beïnvloed dat betrokkene zich geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn daden voor zichzelf en anderen.

Betrokkene kan als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de bevindingen en de conclusie van de voormelde rappor-tage en neemt deze over, gelet op de onderbouwing ervan. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende is komen vast te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde aan verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte anderszins uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer ruim 1 maand samen met anderen meerdere malen schuldig gemaakt aan brandstichting, waarbij telkens goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en waarbij driemaal tevens levensgevaar c.q. gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

Verdachte heeft met de gepleegde brandstichtingen geen enkel respect getoond voor andermans bezittingen. Verdachte en zijn mededaders hebben branden binnen de bebouwde kom in de nabijheid van woningen gesticht. Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn mededaders personen ernstig in gevaar gebracht, nu brand zich immers snel en onbeheerst kan ontwikkelen en de rookontwikkeling alleen al levensbedreigend kan zijn. Dat bij deze branden geen slachtoffers zijn gevallen is een zeer gelukkige omstandigheid, die echter geenszins aan verdachte en/of zijn mededaders te danken is. Door de brandstichtingen is aanzienlijke materiële schade veroorzaakt. Verdachte en zijn mededaders hebben zich in het geheel geen rekenschap gegeven van de gevaren voor personen en goederen, nu zij na het plegen van deze feiten zijn weggegaan en geen enkele maatregel hebben genomen om de gevolgen van hun daden te beperken. Ten gevolge van de brand in nabijheid van bejaardentehuis Parkzicht moesten de bewoners tijdelijk geëvacueerd worden. De rechtbank rekent het verdachte zeer ernstig aan dat dit voor de bewoners van het bejaardentehuis, waarvan velen niet in staat waren zichzelf in veiligheid te brengen, een angstige ervaring geweest moet zijn. Bovendien hebben de branden voor veel onrust en gevoelens van onveiligheid gezorgd in de gemeente waar de drie grote branden hebben plaatsgevonden.

De rechtbank kent aan de brandstichtingen groot gewicht toe en op dergelijke feiten kan in principe niet anders worden gereageerd dan door het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van aanzienlijke duur.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ook rekening gehouden met de omstandigheid dat hij blijkens het hem betreffende Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister nog niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, met zijn jeugdige leeftijd, met de houding van verdachte ter terechtzitting, waarbij hij de bewezen verklaarde feiten heeft bekend en waarover hij spijt heeft betuigd van zijn daden, en met de hiervoor onder 6.2 vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de brandstichtingen.

Voorts heeft de rechtbank voor wat betreft de persoon van de verdachte en het bepalen van de strafmaat in het bijzonder acht geslagen op (overige) conclusies en adviezen in de rapporten van de hiervoor genoemde psycholoog en de Raad voor de Kinderbescherming (d.d. 1 juli 2008). Uit de stukken het persoonsdossier blijkt onder meer dat verdachte zich in een stabiele en betrokken gezinssituatie bevindt en dat verdachte een opleiding volgt. De hiervoor genoemde rapporten concluderen eenduidig dat teneinde de kans op recidive te beperken, aan verdachte begeleiding en adequate behandeling geboden dient te worden. Geadviseerd wordt om een onvoorwaardelijke taakstraf met een voorwaardelijke jeugdde-tentie op te leggen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering gedurende een proeftijd, ook indien dit inhoudt deelname aan ITB Harde Kern en het volgen van een impulscontrole trainingprogramma bij Het Dok of een soortgelijke instelling. Ten aanzien van de taakstraf wordt door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd deze op te leggen in de vorm van een cursus Sociale Vaardigheidstraining, eventueel in combinatie met een werkstraf.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een taakstraf en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.

7.2 De vordering van de benadeelde partij

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij] (feit 2, incident 4)

Nu aan verdachte straffen worden opgelegd ten aanzien van het bewezen verklaarde feit 2, acht de rechtbank de benadeelde partij in zoverre ontvankelijk in zijn vordering.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren omdat de vordering niet van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Gelet hierop zal worden bepaald dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen, met verwijzing in de kosten.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x,77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals ver-meld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

JEUGDDETENTIE voor de duur van ZES (6) MAANDEN;

bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt als BIJZONDERE VOORWAARDE dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, Kromhout 120 te Dordrecht, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt deelname aan ITB Harde Kern en het volgen van een impulscontrole trainingprogramma bij Het DOK of een soortgelijke instelling, één en ander zoals door de psycholoog en de Raad voor de Kinderbescherming aangegeven in hun rapportages;

verstrekt aan voornoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

een TAAKSTRAF voor de duur van HONDERDVIJFTIG (150) UREN, bestaande uit

een werkstraf voor de duur van HONDERDDERTIG (130) UREN, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door VIJFENZESTIG (65) dagen jeugddetentie en

een leerstraf, te weten de cursus Sociale Vaardigheidstraining, voor de duur van TWINTIG (20) UREN, bij het niet naar behoren deelnemen te vervangen door TIEN (10) dagen jeugddetentie;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt de maatstaf voor de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht op 2 uren per dag;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij], niet-ontvankelijk in zijn vordering en veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Harmsen, Voorzitter en tevens kinderrechter,

mr. S.H. Gaertman en mr. D. Bogaert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juli 2008.