Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD6228

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
11-500654-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 38-jarige verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, voorwaardelijk, alsmede een werkstraf van 240 uur, ter zake een poging tot doodslag van een politieambtenaar, gepleegd met een morgenster, onder invloed van alcohol. Er is geen letsel. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer : 11/500654-07

Zittingsdatum : 19 juni 2008

Uitspraak : 3 juli 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1969,

[adres en woonplaats]

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

PRIMAIR

hij op of omstreeks 05 december 2007 te Hendrik-Ido-Ambacht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (zijnde een brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid) van het leven te beroven, althans

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met een morgenster, zijnde een langwerpig voorwerp met aan het uiteinde een verzwaarde bal met daarin scherpe metalen uitsteeksels, althans met een zwaar en/of scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van voornoemde

[slachtoffer] is gelopen en/of (vervolgens)

- voornoemd(e) morgenster/voorwerp (boven zijn, verdachtes, hoofd) heeft opgeheven en/of (vervolgens)

- met voornoemd(e) morgenster/voorwerp een slaande beweging richting het hoofd, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 december 2007 te Hendrik-Ido-Ambacht [slachtoffer] (zijnde een brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft/is verdachte opzettelijk dreigend

- met een morgenster, zijnde een langwerpig voorwerp met aan het uiteinde een verzwaarde bal met daarin scherpe metalen uitsteeksels, althans met een zwaar en/of scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van voornoemde

[slachtoffer] gelopen en/of (vervolgens)

- voornoemd(e) morgenster/voorwerp (boven zijn, verdachtes, hoofd) opgeheven en/of (vervolgens)

- met voornoemd(e) morgenster/voorwerp een slaande beweging richting het hoofd, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] gemaakt.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van de door verdachte reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht door Bouman GGZ.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1. PRIMAIR

op 05 december 2007 te Hendrik-Ido-Ambacht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (zijnde een brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid) van het leven te beroven met dat opzet

- met een morgenster, zijnde een langwerpig voorwerp met aan het uiteinde een verzwaarde bal met daarin scherpe metalen uitsteeksels, in de richting van voornoemde [slachtoffer] is gelopen en vervolgens

- voornoemde morgenster boven zijn, verdachtes, hoofd heeft opgeheven en vervolgens

- met voornoemde morgenster een slaande beweging richting het hoofd, van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.2.1 Nadere bewijsoverweging

Uit de op ambtseed opgemaakte verklaringen van de verbalisanten [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) en [verbalisant] maakt de rechtbank op dat verdachte, toen hij op korte afstand van het slachtoffer stond, een morgenster hoog boven zijn hoofd hief en daarmee, een slaande beweging in de richting van het slachtoffer heeft gemaakt. [slachtoffer] heeft het daarbij over een slaande beweging in de richting van zijn hoofd. (Proces-verbaal van politie Zuid-Holland-Zuid (PL1810/07-138044, pagina 16 e.v.).

Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal van politie Zuid-Holland-Zuid (PL1810/07-138044, bijlage in het proces-verbaal met dossiernummer PL1810/07-507760) d.d. 6 december 2007, blijkt dat verdachte bij zijn aanval op het slachtoffer gebruik heeft gemaakt van een langwerpig houten wapen (46 cm), met aan het uiteinde een verzwaarde (571 gram) houten bol (doorsnede 9 cm) waarop metalen punten waren bevestigd.

De rechtbank is op grond van de omschrijving van het wapen, alsmede de omschrijving van de schade die met dit wapen kan worden veroorzaakt, zoals dit volgt uit het hiervoor genoemde proces-verbaal, van oordeel dat met dit wapen meer dan aanzienlijk letsel kan worden toegebracht.

Nu verdachte – terwijl hij naar eigen zeggen zodanig onder invloed van alcohol verkeerde dat hij ten tijde van het tenlastegelegde een ‘black out’ had – met een dergelijk wapen in de richting van het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de dood van het slachtoffer tot gevolg zou hebben. Verdachte had aldus op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

POGING TOT DOODSLAG.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Op verzoek van de rechtbank heeft A.I.M. Ferket (arts-assistent psychiatrie) (onder supervisie van T. Bakkum, psychiater) een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. Uit het, op grond van voornoemd onderzoek,

opgemaakte rapport van 29 februari 2008 komt onder meer het volgende naar voren:

Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de zin van alcoholafhankelijkheid. Er is ook een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de vorm van narcistische en afhankelijke persoonlijkheidstrekken. Beiden waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Bovendien verkeerde betrokkene in een alcoholintoxicatie. De ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat het mede daaruit verklaard kan worden. Er lijkt sprake te zijn van verregaande oordeels- en kritiekstoornissen zonder dat er sprake is van een waanachtig karakter. Daarbij doet hij pogingen om de oorzaak voor zijn maatschappelijke teneergang ergens anders neer te leggen. Betrokkene weet wat voor effect alcohol op hem kan hebben en is daarmee, voor zijn gedrag in een geïntoxiceerde toestand aansprakelijk te stellen. Bij betrokkene is echter sprake van een langdurige verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek, waardoor hij minder in staat is geraakt om zijn alcoholgebruik te reguleren en bovendien is hij sterk geneigd om de oorzaken van de problematiek buiten zichzelf te leggen en met ontstemming te reageren. Hierdoor is hij naar de mening van onderzoeker voor het hem ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verenigt zich met de conclusie van voormeld rapport op grond van de onderbouwing daarvan. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen bepaald op grond van de ernst van en de omstandigheden waaronder begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 5 december 2007 nadat hij eerder op de dag een ruzie over gestolen geld met een kennis had uitgesproken , tegen de avond de meldkamer van de politie gebeld met de mededeling dat er in zijn woning een mishandeling zou hebben plaatsgevonden. Een melding die, achteraf bekeken, onwaar bleek te zijn. Verbalisanten hebben meerdere malen aangebeld en verdachte aangeroepen. Verdachte is toen naar buiten gekomen met een morgenster ( ( langwerpig houten voorwerp met stalen punten aan de verzwaarde houten bol ) in zijn hand en heeft getracht verbalisant [slachtoffer] daarmee op zijn hoofd te slaan. Verdachte had, naar eigen zeggen, op dat moment zoveel alcohol genuttigd dat hij in een ‘black out’-toestand verkeerde.

Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsmisdrijf – nota bene gericht tegen een ambtenaar die hem, op diens melding, te hulp schoot

waarvan de gevolgen, gelet op de adequate reactie van het slachtoffer, die de slag heeft weten af te weren, beperkt zijn gebleven.

De rechtbank rekent verdachte zulks aan, temeer nu er van uit moet worden gegaan dat verdachte – gezien zijn verleden – wist welke invloed het overmatig gebruik van alcohol op hem zou hebben en hij niettegenstaande die dag stevig had gedronken. De omstandigheid dat geen letsel is veroorzaakt is overigens wel een omstandigheid die de rechtbank in strafverlagende zin zal laten meewegen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de rapportage van voornoemde deskundige, alsmede op het uitreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 mei 2008 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank zal het strafrechtelijk verleden van verdachte in strafverlagende zin laten meewegen bij het bepalen van de strafmaat. Tevens wordt rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Uit een adviesrapport van Bouman GGZ van 13 juni 2008 en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat verdachte – na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis – vrijwillig en gemotiveerd is gaan werken aan de oplossing van zijn alcoholproblematiek. Na een verblijf van een maand op de detoxafdeling van de Bouman kliniek aan de Reeweg te Dordrecht ondergaat verdachte vanaf 16 juni 2008 een klinische behandeling van drie maanden, gevolgd door een ambulante behandeling, voor zolang dit nodig wordt geoordeeld.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte in staat wordt gesteld zijn inspanningen gericht op het aanpakken van zijn alcoholproblematiek te continueren, waarbij het – gelet op het gegeven dat de motivatie van verdachte in deze nogal wisselend lijkt – aangewezen is de behandeling te vatten in een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf.

Omdat het in casu gaat om een ernstig misdrijf, acht de rechtbank het opleggen van een zeer forse werkstraf gepast en geboden. Daarbij wordt opgemerkt dat deze straf verdachte ook weer de nodige structuur en steun kan bieden in het aanpakken van zijn alcoholproblematiek.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c ,22d, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte heeft begaan, zoals vermeld onder van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN;

bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens Bouman GGZ

(Verslavingsreclassering), zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

* een TAAKSTRAF voor de duur van TWEEHONDERDENVEERTIG (240)UREN, bestaande uit een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door honderdentwintig (120) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt de maatstaf voor de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht op 2 uren per dag;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt,

mr. B.M.R.M. Edelhauser- van Vlijmen en mr. D. Bogaert, rechters,in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange,griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 juli 2008.