Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD6173

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/871
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is ernstig meervoudig gehandicapt. Ten gevolge van haar handicap ondervindt zij aantoonbaar ergonomische beperkingen bij het normale gebruik van de woonruimte, die een op opheffing of vermindering van deze beperkingen gerichte voorziening langdurig noodzakelijk maken. Voor haar dagelijkse verzorging is eiseres volledig aangewezen op de hulp van derden. Deze zorg omvat onder meer het wassen/douchen, afdrogen en aankleden van eiseres. Niet is in geschil dat eiseres, ter vermindering van haar beperkingen met betrekking tot het wassen en douchen, in aanmerking komt voor een woonvoorziening in de vorm van een (vervangende) douchestoel. Partijen verschillen evenwel van mening over de vraag welke douchestoel in het geval van eiseres als meest adequaat moet worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het toekennen van de douchestoel [merk en type] in voldoende mate aan de op hem rustende compensatieplicht op grond van de Wmo heeft voldaan. De rechtbank is niet gebleken dat deze voorziening voor eiseres niet adequaat zou zijn. De douchestoel die eiseres zelf beoogt ziet niet op het vergroten of behouden van de zelfstandigheid van eiseres, maar veeleer op het opheffen of beperken van problemen in arbotechnische zin, welke niet voor vergoeding op grond van de Wmo in aanmerking komen, zodat hiervoor geen compensatieplicht bestaat. Verweerder heeft voorts op goede gronden beslist dat de voorziening slechts in natura wordt verstrekt en niet in de vorm van een Pgb of een combinatie van beide.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/871

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[XXX], wettelijk vertegenwoordigd door [YYY] en [ZZZ], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. P.D. Koren, Stichting Achmea Rechtsbijstand te Bilthoven,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem, verweerder,

gemachtigden: mr. S.M. Conijnenberg, als advocaat in dienst bij de gemeente Gorinchem, M.H.E. Cats-Kwant en P. Prevo, beiden werkzaam bij de gemeente Gorinchem.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 21 maart 2007 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een in hoogte verstelbare, vervangende douchestoel.

Bij brief van 19 juni 2007 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag.

Bij besluit van 10 juli 2007 heeft verweerder medegedeeld dat eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) een roerende woonvoorziening in de vorm van een douchestoel van het merk Huka, type Dukki, in bruikleen wordt verstrekt.

Gelet op artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het bezwaar mede geacht te zijn gericht tegen laatstbedoeld besluit, nu in dat besluit niet geheel aan het bezwaar tegemoet is gekomen.

Bij besluit van 23 juli 2007 heeft verweerder het bezwaarschrift, voor zover dit betreft het niet-tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag, gegrond verklaard, en voor zover dit betreft de (impliciete) weigering tot het toekennen van de gevraagde voorziening (een elektrisch verstelbare douchestoel), ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit, voor zover betreffende de ongegrondverklaring van het bezwaar, heeft eiseres bij brief van 6 september 2007, ingekomen op 10 september 2007, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 15 januari 2008 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld, waarbij eiseres is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van [YYY] en [ZZZ]. Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

Na afloop van het hervatte vooronderzoek heeft de rechtbank - mede gelet op de daarvoor door partijen gegeven toestemming - aanleiding gezien om op grond van artikel 8:64, vijfde lid van de Awb te bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 2 van de Wmo bestaat er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Ingevolge artikel 6 van de Wmo biedt het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

2.1.2. De in artikel 5, eerste lid, van de Wmo bedoelde verordening is de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem 2007, zoals vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Gorinchem op 28 september 2006 en in werking getreden op 1 januari 2007 (hierna: Vmo).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Vmo kan een voorziening slechts worden toegekend voorzover:

a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;

b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

c. deze in overwegende mate op het individu is gericht.

Ingevolge artikel 3 van de Vmo kan een individuele voorziening verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget (hierna: Pgb) niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem (vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van Gorinchem, van 12 december 2006, en in werking getreden met ingang van 1 januari 2007; hierna: Bmo) neergelegde criteria.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vmo kan de door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening bestaan uit:

(...)

b. een woonvoorziening in natura;

c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening;

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het college in het Bmo nadere regels stellen over de vormen van woonvoorzieningen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vmo - voor zover van toepassing - kunnen de in artikel 13 onder b en c genoemde voorzieningen bestaan uit een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening.

Ingevolge artikel 1.3 van het Bmo worden uitsluitend in natura verstrekt:

a. roerende woonvoorzieningen, zoals mobiele tilliften, douchebrancards etc.

b. trapliften.

2.2. Verweerder heeft met het besluit van 23 juli 2007 de primaire beslissing gehandhaafd, inhoudende dat eiseres een vervangende douchestoel in bruikleen wordt verstrekt van het merk Huka, type Dukki, omdat deze stoel in de situatie van eiseres de goedkoopst adequate voorziening is. Deze douchestoel wordt ook in professionele instellingen gebruikt en is in drie hoogtes verstelbaar van 48,5 tot 60,5 cm. Daarmee wordt volgens verweerder voldaan aan hetgeen door eiseres is verzocht. Een elektrisch in hoogte verstelbare douchestoel vermindert de beperkingen van eiseres niet en heft deze ook niet op. Verweerder merkt op dat eiseres de voorziening niet heeft willen uitproberen, zodat de (in)adequaatheid van de voorziening niet kon worden vastgesteld. Ten aanzien van het verschil in lengte van de diverse hulpverleners en de daarmee samenhangende arbo-technische aspecten bestaat voor verweerder geen compensatieplicht op grond van de Wmo. Ten slotte stelt verweerder dat roerende voorzieningen op grond van artikel 1.3 van het Bmo uitsluitend in natura worden verstrekt en niet in combinatie met een Pgb.

2.3. Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Eiseres heeft met de aanvraag een douchestoel beoogd die elektrisch in hoogte verstelbaar is tot een werkhoogte van 1 meter. De stoel die verweerder heeft toegekend, heeft met 60 cm een te lage werkhoogte. Dit is belastend voor onder meer de rug van de verzorgers. Daar komt bij dat eiseres spastisch is en meestal ineenkrimpt bij verzorgingshandelingen. Voorts is van belang dat er meerdere verzorgers zijn, van verschillende lengte, zodat ook om die reden de douchestoel eenvoudig in hoogte verstelbaar dient te zijn tot de juiste werkhoogte.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

Eiseres, thans vijf jaar oud, is ernstig meervoudig gehandicapt. Ten gevolge van haar handicap ondervindt zij aantoonbaar ergonomische beperkingen bij het normale gebruik van de woonruimte, die een op opheffing of vermindering van deze beperkingen gerichte voorziening langdurig noodzakelijk maken. Voor haar dagelijkse verzorging is eiseres volledig aangewezen op de hulp van haar pleegouders en derden, zoals PGB-hulpverleners. Deze zorg omvat onder meer het wassen/douchen, afdrogen en aankleden van eiseres.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres, ter vermindering van haar beperkingen met betrekking tot het wassen en douchen, in aanmerking komt voor een woonvoorziening in de vorm van een (vervangende) douchestoel. Partijen verschillen evenwel van mening over de vraag welke douchestoel in het geval van eiseres als meest adequaat moet worden beschouwd.

Verweerder heeft op basis van de indicatierapporten van J. Seck van 14 juni 2007 en L.W. Leendertse van 9 juli 2007 beslist eiseres een douchestoel te verstrekken van het merk Huka, type Dukki, zijnde volgens verweerder de goedkoopst adequate voorziening. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het toekennen van deze douchestoel in voldoende mate aan de op hem rustende compensatieplicht op grond van de Wmo heeft voldaan. Volgens de advisering gaat het om een stevige douchestoel met een gebruikelijke hoogte, zoals deze ook in professionele instellingen wordt gebruikt. Deze douchestoel is ook in hoogte verstelbaar, zoals door eiseres is verzocht.

De rechtbank is met hetgeen eiseres hiertegen naar voren heeft gebracht niet gebleken dat deze voorziening voor haar niet adequaat zou zijn. De elektrische, tot 1 meter in hoogte verstelbare, stoel die eiseres wenst ziet niet op het vergroten of behouden van de zelfstandigheid van eiseres, maar veeleer op het opheffen of beperken van problemen in arbotechnische zin. De arbo-eisen die door hulpverleners worden gesteld en het (lang aaneengesloten) uitvoeren van therapeutische handelingen komen - zo heeft verweerder terecht gesteld - niet voor vergoeding op grond van de Wmo in aanmerking, zodat hiervoor voor verweerder geen compensatieplicht bestaat. Verweerder heeft eiseres in dit verband mogen verwijzen naar de zorgverzekeraar.

Verweerder heeft voorts op goede gronden beslist dat de voorziening slechts in natura wordt verstrekt en niet in de vorm van een Pgb of een combinatie van beide. Op grond van artikel 3 van de Vmo kan verweerder aan de hand van de criteria, zoals genoemd in het Bmo, afwijken van de bij de wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura of een Pgb. In artikel 1.3 van het Bmo is bepaald dat roerende woonvoorzieningen uitsluitend in natura worden verstrekt. Tussen partijen is niet in geschil dat een douchestoel een roerende woonvoorziening is zoals hier bedoeld. Overigens blijkt ook uit de toelichting bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vmo dat woonvoorzieningen in natura, zoals een douchestoel, niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (op individuele basis) worden verstrekt.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen volstaan met het verstrekken van een douchestoel van het merk Huka, type Dukki.

Het beroep is derhalve ongegrond.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

2.6. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, voorzitter, en mrs. M.G.L. de Vette en P. Putters, leden, en door de voorzitter en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.