Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD6157

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/883
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onder verwijzing naar de uitgebreide overwegingen terzake, in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2007 (LJN: BB4609), met welke overwegingen deze rechtbank zich kan verenigen, is de rechtbank van oordeel dat het verweerder vrij staat om onderzoek te doen naar de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW ten grondslag heeft gelegen, ook als een ontslag of ontbinding niet is gegeven vanwege een dringende reden.

Vervolgens ligt ter beantwoording voor de vraag of verweerder bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser.

Op zichzelf kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat de aard en de ernst van een gedraging onder omstandigheden een belangrijke, mogelijk doorslaggevende rol kunnen spelen bij de vraag of sprake is van een dringende reden. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen echter bij de beantwoording van die vraag de overige omstandigheden van het geval, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, niet buiten beschouwing blijven. Pas als een volledig beeld bestaat van de aard en de ernst van de gedraging, én van de overige omstandigheden, kan een afweging plaatsvinden en kan een oordeel worden gevormd over het al dan niet bestaan van een dringende reden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze heeft voorbereid, althans dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het feit dat eiser een collega een klap heeft gegeven en de omstandigheid dat zich eerdere incidenten hebben voorgedaan waarbij eiser agressief gedrag heeft vertoond, is onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van een dringende reden. In het bestreden besluit, noch in de ter zitting gegeven toelichting daarop is inzichtelijk gemaakt welk gewicht is toegekend aan de persoonlijke omstandigheden van eiser en waarom deze niet in de weg staan aan het aannemen van een dringende reden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op de aard en de duur van het dienstverband, de leeftijd van eiser, alsmede gelet op de ook door de werkgever aangenomen psychische problemen van eiser, niet zonder nadere motivering heeft kunnen besluiten dat de aanleiding tot het ontslag als een dringende reden moet worden aangemerkt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de persoonlijke omstandigheden van eiser ten minste aanleiding had moeten zien om nader contact op te nemen met de werkgever teneinde ter zake nadere informatie te verkrijgen naar aanleiding van de brief van de werkgever van 15 juni 2007. Dat geldt temeer nu de werkgever er juist in verband met die persoonlijke omstandigheden van heeft afgezien om het aanvankelijk verleende ontslag op staande voet ongedaan te maken en de kantonrechter in plaats daarvan te verzoeken om ontbinding van het dienstverband wegens een verandering van omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/883

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[XXX], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. Th.M. Briggeman, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: D. Meijers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft verweerder de door eiser aangevraagde uitkering krachtens de Werkloosheidswet (verder te noemen: WW) per 2 april 2007 blijvend geheel geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 31 mei 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 september 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 8 april 2008 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden te grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: artikel 7:678 van het BW) en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

Ingevolge artikel 7:678, eerste lid, van het BW wordt voor de werkgever als dringende reden in de zin van artikel 677, eerste lid, beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In het tweede lid van artikel 7:678 van het BW zijn omstandigheden geschetst wanneer onder andere dringende redenen aanwezig geacht kunnen worden.

2.2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de weigering om eiser een WW-uitkering toe te kennen gehandhaafd, omdat hij verwijtbaar werkloos moet worden geacht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de werkloosheid van eiser een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt en doelt daarmee op een op 28 februari 2007 plaats gehad hebbend incident, waarbij eiser een collega een klap in het gezicht heeft gegeven. Verweerder betoogt dat eisers agressieve houding jegens zijn collega's tot gevolg heeft gehad dat van de werkgever de voortzetting van de dienstbetrekking niet gevergd kon worden. Verweerder stelt in dit verband veel waarde te hechten aan de eerdere waarschuwingen en aan het feit dat eiser zich niet heeft gehouden aan de op 28 oktober 2004 gemaakte afspraak dat hij voor zijn probleem hulp zou vragen bij een zorginstantie. Verweerder ziet geen aanleiding om op medische of andere gronden verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.

2.3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij verwijtbaar werkloos is. Eiser verwijst naar paragraaf 1 van de "Beleidsregels toepassing artikel 24 en 27 WW 2006" (Stcr. 29 september 2006, nr. 190, pag. 32, verder te noemen: de Beleidsregels) waarin is bepaald dat een beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever alleen tot verwijtbare werkloosheid leidt als er een arbeidsrechtelijke dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het BW aan ten grondslag ligt. Eiser stelt dat zijn werkgever het ontslag op staande voet heeft ingetrokken, zodat van een dringende reden geen sprake (meer) is. Eiser stelt dat de kantonrechter de dienstbetrekking ook niet heeft beëindigd vanwege een dringende reden maar op basis van gewijzigde omstandigheden. Eiser stelt dat de werkgever het ontslag op staande voet heeft ingetrokken in verband met zijn leeftijd (50 jaar), zijn langdurige dienstverband, zijn dienstverband krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening (verder te noemen: WSW) en zijn ernstige psychische klachten als gevolg van het overlijden van zijn zoon. Eiser voert aan dat, nu zowel de kantonrechter als de werkgever geen dringende reden hebben aangenomen, verweerder, gelet op zijn eigen beleidsregels, niet de bevoegdheid toekomt om een eigen onderzoek in te stellen. Voor het geval de rechtbank anders mocht oordelen neemt eiser het standpunt in dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Subsidiair stelt eiser dat verweerder ten onrechte de uitkering blijvend geheel heeft geweigerd, in plaats van deze gedeeltelijk te weigeren over een periode van ten hoogste

26 weken.

2.4. De rechtbank oordeelt als volgt.

Uit de stukken is gebleken dat eiser sinds 12 juni 1989 krachtens de WSW werkzaam was bij Sociale Werkvoorziening-Drechtsteden te Dordrecht (verder te noemen: werkgever) op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Blijkens een brief van de werkgever van 1 maart 2007 is eiser met onmiddelijke ingang op staande voet ontslagen, omdat hij op 28 februari 2007 een collega in het gezicht heeft geslagen, terwijl zich ook in 2003 en 2004 incidenten hebben voorgedaan waarbij eiser agressief gedrag heeft vertoond. Voorts is uit een brief van 15 juni 2007 van de werkgever aan verweerder gebleken dat de werkgever in het door eiser gevoerde verweer aanleiding heeft gezien om het ontslag op staande voet in te trekken en de arbeidsovereenkomst met eiser op grond van verandering van omstandigheden te willen ontbinden. De werkgever heeft in deze brief aangegeven het ontslag op staande voet, gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiser, een te zware maatregel te achten. Daarbij is door de werkgever overwogen dat eiser krachtens de WSW werkzaam was en dat hij een arbeidsverleden van bijna 18 jaar heeft. Voorts zijn ook de psychische problemen van eiser voor de werkgever reden geweest het ontslag op staande voet ongedaan te maken.

Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, van 30 maart 2007 is de arbeidsovereenkomst op verzoek van eisers werkgever per 31 maart 2007 ontbonden, omdat sprake is van een zodanige verandering van omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen moet worden ontbonden.

De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of eiser moet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder niet de bevoegdheid toekwam om een eigen onderzoek in te stellen, nu de arbeidsovereenkomst tussen eiser en zijn werkgever wegens een verandering van omstandigheden, en niet wegens een dringende reden, is ontbonden.

Onder verwijzing naar de uitgebreide overwegingen terzake, in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2007 (LJN: BB4609), met welke overwegingen deze rechtbank zich kan verenigen, is de rechtbank van oordeel dat het verweerder vrij staat om onderzoek te doen naar de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag heeft gelegen, ook als een ontslag of ontbinding niet is gegeven vanwege een dringende reden. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de memorie van toelichting bij de Wet wijziging WW-stelsel (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 370, nr. 3, blz. 26) dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om niet de ontslagroute, maar de ontslagreden bepalend te achten voor de beoordeling van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, aanhef en onder a, van de WW. De omstandigheid dat er geen sprake is van een ontslag op staande voet of een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden, betekent dus niet dat er geen sprake kan zijn van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. In het onderhavige geval, waarin de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is ontbonden, zij het wegens een verandering van omstandigheden en niet wegens een dringende reden, betekent dit dat verweerder niet alleen bevoegd was, maar gelet op de formulering van artikel 24 en 27 van de WW ook -gelet op artikel 3:2 van de Awb- gehouden was te onderzoeken of aan eisers werkloosheid niettemin een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. De beleidsregels geven dan ook geen blijk van een onjuiste wetstoepassing. Overigens blijkt uit de beschikking niet welke feiten de kantonrechter aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, hetgeen voor verweerder temeer reden mocht zijn om een eigen onderzoek naar de verwijtbaarheid in te stellen.

Vervolgens ligt ter beantwoording voor de vraag of verweerder bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat zijn persoonlijke omstandigheden bij die beoordeling moeten worden betrokken. De tekst van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW verwijst naar de dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het BW. In de toelichting op de vierde nota van wijziging (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 370, nr. 20) wordt aangegeven dat de toets naar verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW alleen ziet op gedragingen in de zin van artikel 7:678 van het BW. Volgens de toelichting wordt daarmee de rechtspraak over het begrip dringende reden van toepassing op deze toets. Uit rechtspraak van de Hoge Raad over het begrip dringende reden volgt dat bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking moeten worden genomen. Daarbij behoren ook in het oordeel te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (zie onder andere het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2000 (LJN: AA4436).

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat uit het bestreden besluit weliswaar niet duidelijk blijkt dat de persoonlijke omstandigheden van eiser bij de beoordeling zijn betrokken doch dat zulks wel is gebeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers gedraging op 28 februari 2007 op zichzelf beschouwd al een dringende reden oplevert. Voorts heeft verweerder van belang geacht dat in 2003 en 2004 ook sprake is geweest van agressieve gedragingen, waarop eiser destijds is aangesproken. Met betrekking tot de gestelde psychische klachten stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser deze klachten onvoldoende heeft onderbouwd met medische stukken.

Op zichzelf kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat de aard en de ernst van een gedraging onder omstandigheden een belangrijke, mogelijk doorslaggevende rol kunnen spelen bij de vraag of sprake is van een dringende reden. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen echter bij de beantwoording van die vraag de overige omstandigheden van het geval, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, niet buiten beschouwing blijven. Pas als een volledig beeld bestaat van de aard en de ernst van de gedraging, én van de overige omstandigheden, kan een afweging plaatsvinden en kan een oordeel worden gevormd over het al dan niet bestaan van een dringende reden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze heeft voorbereid, althans dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het feit dat eiser een collega een klap heeft gegeven en de omstandigheid dat zich eerdere incidenten hebben voorgedaan waarbij eiser agressief gedrag heeft vertoond, is onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van een dringende reden. In het bestreden besluit, noch in de ter zitting gegeven toelichting daarop is inzichtelijk gemaakt welk gewicht is toegekend aan de persoonlijke omstandigheden van eiser en waarom deze niet in de weg staan aan het aannemen van een dringende reden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op de aard en de duur van het dienstverband, de leeftijd van eiser, alsmede gelet op de ook door de werkgever aangenomen psychische problemen van eiser, niet zonder nadere motivering heeft kunnen besluiten dat de aanleiding tot het ontslag als een dringende reden moet worden aangemerkt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de persoonlijke omstandigheden van eiser ten minste aanleiding had moeten zien om nader contact op te nemen met de werkgever teneinde ter zake nadere informatie te verkrijgen naar aanleiding van de brief van de werkgever van 15 juni 2007. Dat geldt temeer nu de werkgever er juist in verband met die persoonlijke omstandigheden van heeft afgezien om het aanvankelijk verleende ontslag op staande voet ongedaan te maken en de kantonrechter in plaats daarvan te verzoeken om ontbinding van het dienstverband wegens een verandering van omstandigheden.

Verder wijst de rechtbank erop dat verweerder, ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, ook moet beoordelen of de werknemer terzake van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt. Uit de toelichting bij de vierde nota van wijziging (Kamerstukken II, 2005-2006, 30370, nr. 20) blijkt dat deze eis in de wet is opgenomen, omdat volgens (arbeidsrechtelijke) rechtspraak voor het aannemen van een dringende reden juist niet is vereist dat de werknemer van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt.

Daarnaast volgt uit artikel 27, eerste lid, van de WW dat verweerder, zo al zou moeten worden overgegaan tot het opleggen van een maatregel, bij het opleggen van de maatregel moet beoordelen of de werknemer het niet nakomen van zijn verplichting, te weten het voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, niet in overwegende mate kan worden verweten.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit er niet, dan wel onvoldoende, blijk van geeft dat verweerder de zaak mede in het licht van vorenbedoelde bepalingen heeft beoordeeld. Met name de door eiser gestelde psychische oorzaak van zijn handelen had voor verweerder aanleiding moeten zijn nader te onderzoeken of eiser het niet nakomen van zijn verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, in overwegende mate kan worden verweten. Daarvoor was temeer reden nu eiser in de bezwaarfase heeft aangegeven voor zijn psychische problemen onder behandeling te zijn.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb). Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.5. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

2.6. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-. (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan eiser moet vergoeden.

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, voorzitter, en mrs. M.G.L. de Vette en P. Putters, leden, en door de voorzitter en mr. L. Coenraads, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.