Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD5856

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/369
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BK3099
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft in beroep geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden dan door de verzekeringsartsen gegeven. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat voor een urenbeperking, ook uit energetisch oogpunt, geen medische noodzaak aanwezig is. De rapportage van het Rijndam Revalidatiecentrum kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het oordeel dat de verzekeringsarts de belastbaarheid van eiser niet juist heeft vastgesteld. Ook de door eiser gestelde rugklachten kunnen niet tot het oordeel leiden dat verweerder niet van de conclusies van de verzekeringsartsen heeft mogen uitgaan. Eiser heeft het bestaan van de rugklachten eerst in de beroepsfase aangevoerd en geen verschoonbare reden gegeven voor het feit dat hij deze niet eerder naar voren heeft gebracht.

De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder de uitkering niet heeft mogen herzien met ingang van een datum die vóór de primaire beslissing is gelegen. Volgens het beleid, neergelegd in artikel 1 en de bijlage, onder b, sub 1 en 3, van het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, Waz en Wajong 1999 wordt de verzekerde schriftelijk, via een brief (schriftelijke aanzegging) of de beslissing, ingelicht omtrent de bevindingen over zijn arbeidsongeschiktheid en arbeidsmogelijkheden. Bij verlaging van de uitkering wordt in een geval als het onderhavige een uitlooptermijn van twee maanden in acht genomen, welke aanvangt op de dag na datum waarop de schriftelijke aanzegging of beslissing is verzonden. In eisers geval is de schriftelijke aanzegging als hiervoor bedoeld op 23 juni 2006 aan hem verzonden. Verweerder heeft dan ook, overeenkomstig dit beleid, juist gehandeld door de verlaging van de uitkering te laten ingaan op 24 augustus 2006, te weten twee maanden en een dag na verzending van de aanzegging. De rechtbank vindt bevestiging voor dat standpunt in de uitspraak van de CRvB van 28 september 2001 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AD5995), waarin de CRvB het hiervoor weergegeven beleid niet onredelijk heeft geoordeeld.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07/369

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[XXX], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: M. Can, werkzaam bij FNV-Bondgenoten te Rotterdam,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 7 september 2006 eisers recht op uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, per 24 augustus 2006 herzien en de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum vastgesteld op 35 tot 45%.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 oktober 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 5 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser (gedeeltelijk) gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 augustus 2006 gewijzigd vastgesteld op 45 tot 55%.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 april 2007, ingekomen op 16 april 2007, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 15 januari 2008 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WAO is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse

waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WAO wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.

2.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de beslissing gehandhaafd om de uitkering te herzien. Verweerder heeft evenwel aanleiding gezien om eisers arbeidsongeschiktheid, eerder berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% en in het primaire besluit vastgesteld op 35 tot 45%, per 24 augustus 2006 nader vast te stellen op 45 tot 55%, zulks in verband met het vervallen van een aantal bij de schatting in aanmerking genomen functies, na herbeoordeling in de bezwaarfase. Verweerder volgt hierin de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, zoals vastgelegd in de respectieve rapportages van 1 maart 2007 en 5 maart 2007, welke rapportages deel uitmaken van het bestreden besluit.

2.3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De ingangsdatum van de wijziging is gelegen voor de datum van de primaire beslissing, hetgeen volgens eiser in strijd is met verweerders richtlijnen en de rechtszekerheid. Bovendien is eiser van mening dat zijn arbeidsongeschiktheid juist is toegenomen, nu hij niet langer in staat is om gedurende 18 uur per week werkzaam te zijn. De uitkering had, overeenkomstig de eerdere besluitvorming bij toenemende arbeidsongeschiktheid, evenredig moeten worden verhoogd. Volgens eiser is alleen de vraag aan de orde of hij na een wachttijd van 4 weken in aanmerking komt voor een hogere uitkering of eerst na een wachttijd van 104 weken. Eiser heeft niet verzocht om een volledige herbeoordeling, zodat verweerder daarmee buiten het kader van de aanvraag is getreden. In dit verband stelt eiser verder dat het aangepaste Schattingsbesluit (hierna: aSb) niet op hem van toepassing is. Eiser merkt voorts op dat hij steeds recht had op een uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%, maar dat de uitkering vanwege het genieten van inkomsten uit arbeid op grond van het bepaalde in artikel 44 van de WAO werd uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.

Voor zover terecht een herbeoordeling heeft plaatsgevonden zijn de uitkomsten daarvan in strijd met de klachten van eiser en de eerdere besluitvorming van verweerder. Eiser betwist het standpunt van verweerder dat de 'Standaard verminderde arbeidsduur' niet op hem van toepassing is, aangezien hij juist vanwege zijn toenemende klachten en mede op basis van het advies van de bedrijfsarts korter is gaan werken. Verder stelt eiser dat de geduide functies niet passend zijn, gelet op zijn psychische klachten, extreme vermoeidheidsklachten en rugklachten, en niet aansluiten bij zijn opleiding en ervaring. De functies brengen voorts aanzienlijke veranderingen in het werkproces met zich mee, terwijl eiser ten aanzien daarvan juist beperkt is bevonden. Eiser erkent dat hij zijn rugklachten niet eerder naar voren heeft gebracht, maar stelt dat deze gezien de geduide functies thans wel relevant zijn geworden. Ter nadere onderbouwing verwijst eiser naar de door hem overgelegde diagnose en de verklaring van de bedrijfsarts. Voorts verwijst hij naar het eveneens overgelegde Verslag Neuropsychologisch Onderzoek van het Rijndam Revalidatiecentrum van 5 november 2007, waaruit volgens eiser blijkt dat hij cognitief meer beperkt is dan door verweerder wordt gesteld.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is op 28 september 1994 uitgevallen met psychische klachten (bipolaire stoornis) in de functie van senior commercieel rekenaar bij een verzekeringsmaatschappij, waarin hij voor 40 uur per week werkzaam was. Bij besluit van 21 september 1995 is hem per einde wachttijd, met ingang van 27 september 1995 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend op grond van de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 22 november 1995 is het arbeidsongeschiktheidspercentage per 27 september 1995 gewijzigd vastgesteld op 55 tot 65%. Nadien is het arbeidsongeschiktheidspercentage enige malen gewijzigd en laatstelijk bij besluit van 4 juli 2005 per 4 oktober 2004 nader vastgesteld op 55 tot 65%. Op 6 februari 2006 heeft eiser zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv, omdat hij met ingang van 9 januari 2006 minder uren (15 in plaats van 18 uur per week) is gaan werken.

2.4.2. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij zijn stelling, inhoudende dat verweerder niet heeft mogen besluiten tot een volledige heroverweging, niet langer handhaaft. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat deze beroepsgrond geen verdere bespreking behoeft.

2.4.3. Op 23 maart 2006 is eiser in het kader van zijn melding toegenomen arbeidsongeschiktheid onderzocht door de verzekeringsarts, die op grond van reeds beschikbare informatie, zijn eigen onderzoek en de anamnese heeft geconcludeerd dat er sprake is van verminderde benutbare, dan wel gewijzigde duurzaam benutbare mogelijkheden ten gevolge van ziekte of gebrek. De verzekeringsarts acht eiser beperkt voor wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid, het werken gedurende de nachtelijke uren (0.00-06.00 uur) en wisselende en/of ploegendiensten. Voor een urenbeperking zijn volgens de verzekeringsarts geen argumenten aan te voeren als er sprake is van passend werk. De actuele mogelijkheden die eiser nog heeft om te functioneren zijn omschreven in de Functionele mogelijkhedenlijst (hierna: FML).

In het kader van de bezwaarschriftenprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van bestudering van de dossiergegevens en de hoorzitting van 18 januari 2007 aan verweerder bericht dat heroverweging in bezwaar, bij het ontbreken van objectief medische argumenten daartoe, ook gelet op de brief van 27 november 2006 van de bedrijfsarts aan eisers gemachtigde, niet leidt tot wijziging van het primaire verzekeringsgeneeskundige oordeel. Daartoe heeft de bezwaarverzekeringsarts onder meer gesteld dat geen medische noodzaak bestaat voor een urenbeperking, aangezien eiser al geruime tijd niet meer onder behandeling is van een arts, geen medicatie gebruikt en desondanks in het dagelijks leven behoorlijk functioneert. De bezwaarverzekeringsarts ziet voorts geen medische noodzaak voor een urenbeperking in anderszins passende arbeid. Bij het starten in een nieuwe functie is geen psychische decompensatie te verwachten.

Verweerder heeft de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in de rapportages van 29 maart 2006 en 1 maart 2007, overgenomen in het thans bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om de door verweerder overgenomen conclusies in twijfel te trekken. Eiser heeft in beroep geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden dan door de verzekeringsartsen gegeven. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 1 maart 2007 inhoudelijk getoetst aan de indicaties voor arbeidsduurvermindering, neergelegd in de 'Standaard verminderde arbeidsduur'. Op basis daarvan is geconcludeerd dat voor een urenbeperking, ook uit energetisch oogpunt, geen medische noodzaak aanwezig is. Met de daarop gegeven toelichting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat het feit dat eiser minder uren is gaan werken in zijn eigen functie - waarvoor hij overigens niet langer geschikt wordt geacht - in zijn geval nog niet betekent dat ook in anderszins passende arbeid een urenbeperking zou moeten worden toegepast. Door slechts naar de eigen functie te kijken geeft eiser een onjuiste, te beperkte uitleg aan het begrip urenbeperking zoals bedoeld in de 'Standaard verminderde arbeidsduur'.

De rapportage van het Rijndam Revalidatiecentrum kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het oordeel dat de verzekeringsarts de belastbaarheid van eiser niet juist heeft vastgesteld. De rechtbank acht hierbij van belang dat het neuropsychologisch onderzoek is uitgevoerd in opdracht van eisers (toenmalige) werkgever en slechts is gericht op het functioneren in de eigen arbeid. De mate van functioneren in andere passende functies is niet getest. De evengenoemde rapportage biedt voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze voor verweerder aanleiding had moeten zijn om nadere gegevens op te vragen bij de behandelende sector, reeds omdat eiser ten tijde van de datum in geding al geruime tijd niet meer onder behandeling was. De rechtbank volgt dan ook de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 14 december 2007, waarin deze stelt dat de uitkomsten van het ingebrachte neuropsychologisch onderzoek aansluiten bij de vastgestelde beperkingen.

Ook de door eiser gestelde rugklachten kunnen niet tot het oordeel leiden dat verweerder niet van de conclusies van de verzekeringsartsen heeft mogen uitgaan. Eiser heeft het bestaan van de rugklachten eerst in de beroepsfase van deze procedure naar voren gebracht, zodat verweerder hiervan bij het nemen van het bestreden besluit niet op de hoogte kon zijn en dientengevolge hiermee geen rekening heeft kunnen houden. Indien eiser van mening is dat de rugklachten van invloed zijn op de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, had hij daarvan tijdens het medisch onderzoek op 23 maart 2006, dan wel in bezwaar melding moeten maken. De stelling van eiser dat de eerst in bezwaar geduide functies aanleiding waren zijn rugklachten naar voren te brengen, kan hiervoor niet als verschoonbare reden worden gezien. De rechtbank kan zich vinden in de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in de rapportage van 25 mei 2007. De rechtbank merkt aan de hand daarvan op dat overigens niet is gebleken dat de rugklachten van dien aard zijn dat eiser de normaalwaarden niet zou kunnen halen. Het staat eiser echter vrij om, indien hij van mening is dat met de rugklachten zijn arbeidsongeschiktheid is toegenomen, verweerder om een herbeoordeling te verzoeken.

Uitgaande van de door de verzekeringsarts in de FML aangegeven mogelijkheden heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiser voor de maatgevende arbeid niet langer geschikt is te achten. Eiser kan wel geschikt worden geacht voor het verrichten van andere, gangbare en algemeen geaccepteerde arbeid. De arbeidsdeskundige heeft op basis van arbeidskundig onderzoek bij rapportage van 20 april 2006 geconcludeerd dat eiser dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft naar aanleiding van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en het eigen onderzoek bij rapportage van 5 maart 2007 geconcludeerd dat enkele van de geduide functies dienen te worden vervangen, omdat deze niet in overeenstemming zijn met eisers beperkingen, dan wel omdat de actualisatiedatum is verouderd. De bezwaararbeidsdeskundige komt op grond hiervan tot de conclusie dat de uitkering, in afwijking van de primaire beslissing, per 24 augustus 2006 moet worden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige beoordeling op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Eiser valt onder de zogenoemde cohorte 45+, ten aanzien waarvan geldt dat de resultaten van de medische keuring niet op basis van het aSb beoordeeld moeten worden, maar aan de hand van de regels van het oude Schattingsbesluit. Blijkens de arbeidskundige rapportages heeft de functiebeoordeling plaatsgevonden aan de hand van de zogenoemde AO-criteria '93-'04. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij ten onrechte is beoordeeld op basis van het aSb, berust dit op een onjuiste veronderstelling van eisers kant.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 5 maart 2007 de passendheid van de geduide functies besproken en heeft - bezien in het licht van de in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 12 oktober 2006 (zoals LJN: AU9971) neergelegde eisen die moeten worden gesteld aan de motivering - per (nieuw) geduide functie een afdoende motivering gegeven ten aanzien van de met een 'G' en/of een '*' gemarkeerde items.

De rechtbank kan eiser niet volgen in de stelling dat hij tot zijn herbeoordeling feitelijk was beoordeeld naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%, maar in verband met inkomsten uit arbeid op praktische grond was ingedeeld in de klasse 55 tot 65%. Daartoe wordt overwogen dat de uitkering laatstelijk bij besluit van 4 juli 2005 is herzien, waarbij de mate van eisers arbeidsongeschiktheid per 4 oktober 2004 is vastgesteld op 55 tot 65%. Van een situatie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de WAO, zoals door eiser bedoeld, was gezien dat besluit geen sprake.

De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder de uitkering niet heeft mogen herzien met ingang van een datum die vóór de primaire beslissing is gelegen. Het ter zake geldende beleid is neergelegd in artikel 1 en de bijlage, onder b, sub 1 en 3, van het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, Waz en Wajong 1999. Ingevolge dit beleid - voor zover hier van toepassing - wordt de verzekerde schriftelijk, via een brief (schriftelijke aanzegging) of de beslissing, ingelicht omtrent de bevindingen over zijn arbeidsongeschiktheid en arbeidsmogelijkheden. Bij verlaging van de uitkering wordt - in het geval als het onderhavige - een uitlooptermijn van twee maanden in acht genomen, welke aanvangt op de dag na datum waarop de schriftelijke aanzegging of beslissing is verzonden. In eisers geval is de schriftelijke aanzegging als hiervoor bedoeld op 23 juni 2006 aan hem verzonden. Verweerder heeft dan ook, overeenkomstig dit beleid, juist gehandeld door de verlaging van de uitkering te laten ingaan op 24 augustus 2006, te weten twee maanden en een dag na verzending van de aanzegging. De rechtbank vindt bevestiging voor dat standpunt in de uitspraak van de CRvB van 28 september 2001 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AD5995), waarin de CRvB het hiervoor weergegeven beleid niet onredelijk heeft geoordeeld.

2.4.4. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.

2.4.5. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht en op juiste gronden heeft beslist de WAO-uitkering van eiser met ingang van 24 augustus 2006 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, voorzitter, en mrs. M.G.L. de Vette en P. Putters, leden, en door de voorzitter en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.