Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD5316

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
11/992006-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 45-jarige man veroordeelt tot een werkstraf van 80 uren en een voorwaardelijk

gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, terzake medeplegen van valsheid in geschrift.

Verdachte heeft met een ander een arbeidsovereenkomst opgemaakt waarin was opgenomen dat deze

persoon fulltime in het bedrijf van verdachte werkzaam was, terwijl dit in strijd was met de waarheid.

Deze persoon heeft daardoor een hypothecaire lening gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/992006-07

Zittingsdatum : 10 juni 2008

Uitspraak : 24 juni 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de gewijzigde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in1963,

wonende te [adres en woonplaats]

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 mei 2003 tot en met 26 augustus 2003, in

elk geval in of omstreeks de periode van mei 2003 tot en met oktober 2003, te Asperen (gemeente Lingewaal), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

een werkgeversverklaring van [bedrijfsnaam] (bijlage D/18)

en/of

een arbeidsovereenkomst met [bedrijfsnaam] (bijlage D/19),zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft

doen en/of laten opmaken door (een) ander(en),immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in die werkgeversverklaring van [bedrijfsnaam] vermeld en/of opgenomen

en/of doen vermelden en/of doen opnemen:

- dat verdachte [medeverdachte] sind 2 juli 2003 in vaste dienst is bij [bedrijfsnaam] als bedrijfsleider en/of

- dat [medeverdachte] een brutojaarsalaris van 39.000 euro en/of een vakantietoeslag van 3.120 euro ontvangt (D-18);

en/of

in die arbeidsovereenkomst van [bedrijfsnaam] vermeld en/of opgenomen en/of doen vermelden en/of doen opnemen:

- dat [bedrijfsnaam] en [medeverdachte] overeenkomen dat [medeverdachte] met

ingang van 2 juni 2003 in loondienst treedt van [bedrijfsnaam] met als functie bedrijfsleider en/of

- dat het salaris van de heer [medeverdachte] 3000,- euro bruto per 4 weken zal bedragen en/of dat het vakantiegeld 8% zal bedragen en/of dat de arbeidstijd 40 uur per week bedraagt (D-019),

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3 .Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen vervangende hechtenis.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 26 mei 2003 te Asperen (gemeente Lingewaal), tezamen en in vereniging met een ander een arbeidsovereenkomst met [bedrijfsnaam] (bijlage D/19), zijnde een geschriftdat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt immers hebben verdachte en zijn mededader valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

bij [bedrijfsnaam] als bedrijfsleider en/of

- dat [medeverdachte] een brutojaarsalaris van 39.000 euro en/of een vakantietoeslag van 3.120 euro ontvangt (D-18);

in die arbeidsovereenkomst van [bedrijfsnaam] opgenomen

- dat [bedrijfsnaam] en [medeverdachte] overeenkomen dat [medeverdachte] met ingang van 2 juni 2003 in loondienst treedt van [bedrijfsnaam] met als functie bedrijfsleider en

- dat het salaris van de heer [medeverdachte] 3000,- euro bruto per 4 weken zal bedragen en dat het vakantiegeld 8% zal bedragen en dat de arbeidstijd 40 uur per week bedraagt (D-019),

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4.2 Partiële vrijspraak

De verdachte dient van het opmaken van een valse werkgeversverklaring te worden vrij-gesproken, omdat zijn ontkenning daarvan steun vindt in het strafdossier, waaruit naar vo-ren komt dat de werkgeversverklaring door van Zomeren (al dan niet samen met een ander) is opgemaakt.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijs-middelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardi-gingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

MEDEPLEGEN VAN VALSHEID IN GESCHRIFT.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlij-ke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door met een ander een arbeidsovereenkomst op te maken waarin is opgenomen dat deze persoon fulltime in het bedrijf van verdachte werkzaam was terwijl dit in strijd was met de waarheid, en verdachte dat ook had behoren te weten. Dit schriftelijke stuk is vervolgens gebruikt om een hypothecaire lening te verkrijgen ter waarde van ruim een half miljoen euro.

Verdachte heeft hiermee misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijke verkeer, met name overheid en bedrijfsleven moet kunnen worden gesteld in het waarheidsgehalte van zakelijke papieren en opgegeven zakelijke informatie.

De rechtbank heeft voorts van belang geacht dat verdachte de verantwoordelijkheid voor het gebeuren volledig neerlegt bij een ander, geen enkele moeite heeft gedaan om vast te stellen of en hoe hetgeen op papier kwam te staan in de praktijk ook werd uitgevoerd en voldeed aan de verdere regels die een werkgever moet naleven bij personeel in loondienst en ook niet laat zien dat en hoe hij dit in de toekomst anders zou doen. Hierdoor acht de rechtbank het risico op recidive reëel. De rechtbank is daarom van oordeel dat naast de geëiste onvoorwaardelijke straf een voorwaardelijke straf gewenst is.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank overwogen dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, dat hij zelf niet van het feit heeft geprofiteerd en dat hij, hoewel hij ernstig rekening heeft moeten houden met het risico dat de inhoud van het opgemaakte arbeidscontract niet met de werkelijkheid overeenstemde en dat dit contract aldus valselijk zou kunnen gaan worden gebruikt als bewijs van een duurzaam inkomen, tot het plegen van de hier genoemde hypotheekfraude geen initiatief heeft ge-nomen en daarvan tevoren ook geen kennis heeft gehad.

Op grond van het hiervoor overwogene, mede gelet op de omvang van het fraudebedrag en de straffen zoals deze in vergelijkbare fraudezaken plegen te worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften: artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1. van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een TAAKSTRAF voor de duur van TACHTIG UREN, bestaande uit een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 40 dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht en bepaalt de maatstaf voor de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht op 2 uren per dag;

GEVANGENISSTRAF voor de duur van TWEE MAANDEN;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank la-ter anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.P. Hameete, voorzitter,

mr. B.J. Duinhof en mr. S.H. Gaertman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.E. Dijkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juni 2008.