Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD4823

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
73545 / HA ZA 08-2033
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser in conventie vordert ontruiming van een stuk grond, dat al lange tijd in bezit is van de eigenaars van het naastgelegen pand (gedaagden en rechtsvoorgangers). In reconventie vorderen gedaagden (eisers in reconventie) dat voor recht wordt verklaard dat de rechtvordering tot revindicatie van het stuk grond is verjaard en dat gedaagden de eigendom van het stuk grond hebben verkregen.

Op grond van artikel 2004 OBW en artikel 3:105 BW zijn gedaagden eigenaars geworden van het stuk grond, omdat voor 1992 (inwerkingtreding boek 3 BW) de vordering tot revindicatie reeds was verjaard (langer dan 30 jaar bezit niet te goeder trouw) en gedaagden op 1 januari 1993 het stuk grond in bezit hadden. Gedaagden zijn eigenaar geworden omdat sinds pas 1 januari 1993 de extinctieve verjaring rechtsverkrijgende werking heeft. Vordering in conventie is dus afgewezen en de vordering reconventie toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 73545 / HA ZA 08-2033

vonnis van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2008

in de zaak van

de stichting

STICHTING CWL WONINGBEHEER,

voorheen Stichting Wonen Leerdam,

gevestigd te Leerdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur: mr. J. Wijnja,

tegen

1. [gedaagde 1] en

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur: mr. V.J. Groot.

Partijen worden hieronder aangeduid als CWL en [gedaagden]

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

dagvaarding van 20 december 2007,

conclusie van antwoord tevens eis in reconventie,

conclusie van antwoord in reconventie tevens akte rechtsopvolging en akte overlegging producties,

tussenvonnis van 19 maart 2008 en de daarin genoemde stukken,

proces-verbaal van comparitie van 20 mei 2008 en de daarin genoemde stukken,

de door beide partijen overgelegde producties.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1 CWL is eigenaar van de onroerende zaak, staande en gelegen te [postcode] [woonplaats] aan de [adres], met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474.

2.2 [gedaagden] zijn eigenaars van de onroerende zaak, staande en gelegen te [postcode] [woonplaats] aan[adres2], met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 9668. [gedaagden] zijn door de inschrijving in de openbare registers van de notariële akte van levering d.d. 14 april 1992 eigenaar geworden van de onroerende zaak. Vanaf 1981 tot 14 april 1992 behoorde de onroerende zaak in eigendom toe aan [X] (hierna: [X]). In de periode voorafgaand aan 1981 behoorde de onroerende zaak in eigendom toe aan de grootouders van [X].

2.3 [gedaagden] maken feitelijk gebruik van een strook grond. Deze strook ligt binnen de grenzen van de grond met de kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474. De strook grenst aan de grond met de kadastrale aanduiding [woonplaats] B 9668 en wordt door middel van een coniferenhaag van het overige deel van de grond met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474 gescheiden.

2.4 Op 24 december 2007 is een fusieakte verleden met als verkrijgende rechtspersoon Woonstichting Ideaal Wonen (thans Stichting CWL Woonbeheer) en als verdwijnende rechtspersoon Stichting Wonen Leerdam (hierna: SWL) en Stichting Centraal Woningbeheer.

2.5 Op 25 maart 2008 is aan CWL een bouwvergunning verleend om naast de aan haar in eigendom toebehorende percelen een woongebouw op te richten met ondersteunende (zorg)functies. Deze bouwvergunning verplicht CWL in het kader van de bouw 31 parkeerplaatsen aan te leggen.

3. De vordering

De vordering in conventie

3.1 CWL vordert dat [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de op de bewuste strook grond aangebrachte zaken en beplantingen, waaronder –doch daar niet toe beperkt- de kippenren en de moestuin, van die strook grond te verwijderen en verwijderd te houden en de strook grond leeg en ontruimd ter vrije en algehele beschikking van CWL te stellen, een en ander opdat de eigendomsrechten van CWL op de strook grond zowel nu als voor de toekomst ten volle door [gedaagden] worden geëerbiedigd, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 5.000,00 per dag of gedeelte daarvan en voor iedere keer dat [gedaagden] geheel of gedeeltelijk in gebreke mochten blijven om aan dit vonnis te voldoen, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.

De grondslag

3.2 CWL legt aan de vordering onrechtmatige daad ten grondslag.

CWL stelt daartoe –kort gezegd- het volgende:

3.3 [gedaagden] maken inbreuk op het eigendomsrecht van CWL doordat [gedaagden] feitelijk gebruik maken van een strook grond dat in eigendom aan CWL, namelijk behorende tot de grond met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474, toebehoort. CWL kan zodoende niet vrijelijk beschikken over het stuk grond, waarop zij een aantal parkeerplaatsen wil aanleggen.

Het verweer in conventie

3.4 De conclusie van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van CWL in de kosten van het geding.

Zij voeren daartoe –kort gezegd- het volgende aan:

3.5 De rechtsvordering van CWL strekkende tot beëindiging van het bezit van [gedaagden] is verjaard. De mogelijkheid tot revindicatie van het stuk grond is hiermee vervallen.

De vordering in reconventie

3.6 [gedaagden] vorderen dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad

primair: voor recht wordt verklaard, dat de rechtsvordering van CWL in conventie tot revindicatie van de strook grond, zoals beschreven in de inleidende dagvaarding, ex artikel 3:314 lid 2 BW is verjaard en

subsidiair: voor recht wordt verklaard dat de strook grond, zoals beschreven in de inleidende dagvaarding, met een lengte van circa 23 meter en een breedte van circa 8 meter door verjaring ex artikel 3:105 BW juncto 3:306 BW eigendom is geworden van [gedaagden], met veroordeling van CWL om binnen een maand na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het kadastraal inschrijven van die eigendom, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 door CWL aan [gedaagden] te betalen per dag of gedeelte van een dag dat CWL in gebreke zal zijn om aan deze inschrijving mee te werken en

CWL wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

De grondslag

3.7 [gedaagden] leggen aan de vordering verkrijgende verjaring op grond van artikel 3:105 BW juncto artikel 3:306 BW ten grondslag.

[gedaagden] stellen daartoe –kort gezegd- het volgende:

3.8 [gedaagden] en hun rechtsvoorgangers zijn sinds 1948 of 1952, onafgebroken, bezitters van de strook grond. [gedaagden] hebben zodoende voldaan aan de in artikel 3:306 BW genoemde termijn van 20 jaren en hebben de eigendom van het stuk grond verkregen.

Het verweer in reconventie

3.9 De conclusie van CWL strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.

CWL voert daartoe –kort gezegd- het volgende aan:

3.10 [gedaagden] hebben niet de eigendom van de strook grond verkregen, nu zij niet te goeder trouw zijn geweest op het moment van inbezitneming van de strook grond. Zodoende hebben [gedaagden] noch op grond van artikel 3:99 BW, noch op grond van artikel 3:105 BW de eigendom van de strook grond verkregen. Subsidiair voert CWL aan dat de reconventionele vordering ‘geclausuleerder’ opgesteld dient te worden indien deze wordt toegewezen.

4. De beoordeling van het geschil

In conventie

4.1 In geschil is de vraag of de rechtsvordering van CWL strekkende tot de beëindiging van het bezit van [gedaagden] is verjaard.

4.2 Iemand aan wie een goed niet toebehoort, kan dit goed door verjaring verkrijgen, indien hij gedurende een door de wet bepaalde tijd bezitter is geweest van dat goed. De wet kent twee vormen van verjaring: de verkrijgende verjaring (thans geregeld in artikel 3:99 BW) en de extinctieve verjaring (thans geregeld in artikel 3:105 BW).

De verkrijgende verjaring (artikel 3:99 BW, artikel 2000 OBW)

4.3 CWL heeft gesteld dat [gedaagden] de eigendom van de strook grond niet hebben verkregen omdat zij niet te goeder trouw waren bij de inbezitneming van de strook grond. Zij hebben dientengevolge hun rechtsvoorgangers, die ook niet te goeder trouw waren, niet in het bezit opgevolgd.

4.4 [gedaagden] hebben erkend dat zij niet te goeder trouw het bezit van de strook grond hebben verkregen. [X] heeft hen immers bij de overdracht van de onroerende zaak aan de [adres2] medegedeeld dat de strook grond hem niet in eigendom toebehoorde.

4.5 Omdat door [gedaagden] is aangevoerd dat de strook grond reeds in 1948 of in 1952 door de grootouders van [X] in bezit is genomen, dient, om vast te kunnen stellen wie rechthebbende is, de verkrijgende verjaring vanaf dit moment beoordeeld te worden. Dit betekent dat (ook) het oud Burgerlijk Wetboek van toepassing is.

4.5.1 Artikel 2000 OBW bepaalde dat “die te goeder trouw, en uit kracht van eenen wettigen titel, een onroerend goed […] verkrijgt, bekomt daarvan de eigendom bij wege van verjaring, door een bezit van twintig jaren.” Artikel 2002 OBW bepaalt dat “de goede trouw steeds wordt voorondersteld, en degene, die zich op kwade trouw beroept, dezelve moet bewijzen.”

Ook artikel 3:99 BW bepaalt dat de goede trouw van het bezit een voorwaarde is voor de verkrijgende verjaring.

4.5.2 [gedaagden] noch hun rechtsvoorgangers hebben op grond van artikel 2000 OBW of op grond van het in 1992 in werking getreden artikel 3:99 BW de eigendom van de strook grond verkregen omdat de vereiste goede trouw in alle gevallen heeft ontbroken. Als gevolg van het ontbreken van de goede trouw heeft de termijn nooit een aanvang genomen.

De extinctieve verjaring (artikel 3:105 BW, artikel 2004 OBW)

4.6 CWL heeft aangevoerd dat de rechtsvordering van CWL niet is verjaard, omdat

[gedaagden] niet te goeder trouw waren op het moment dat zij het bezit verkregen.

Door CWL is bij gebrek aan wetenschap voorts betwist dat er sprake is geweest van (onafgebroken) bezit in de voorafgaande periode aan 1992.

4.7 [gedaagden] hebben aangevoerd dat de rechtsvordering van CWL is verjaard, omdat de verjaringstermijn is verlopen.

[gedaagden] hebben gesteld dat er vanaf 1948 of 1952 sprake is geweest van onafgebroken bezit van [gedaagden] en hun rechtsvoorgangers. In 1948 of in 1952 is de grond met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474 door SWL van de grootouders van [X] gekocht en is de strook grond door de grootouders van [X] na de bouw van de flat in bezit genomen.

[X] heeft het onroerend goed aan[adres2] in 1981 van zijn grootouders gekocht en hij heeft op de strook grond als erfafscheiding een coniferenhaag aangebracht. Achter de coniferenhaag bevond zich reeds een prikkeldraadomheining en een ligusterhaag. [X] heeft in een schriftelijke verklaring (als productie 5 opgenomen bij de dagvaarding) aangegeven dat deze situatie zo is geweest zo lang hij het zich kan herinneren (bijna 50 jaar).

4.8.1 Artikel 2004 OBW bepaalde dat “alle rechtsvorderingen, zoo wel zakelijk als persoonlijke, verjaren door dertig jaren, zonder dat hij, die zich op de verjaring beroept verpligt zij eenigen titel aan te toonen, of dat men hem eenige exceptie, uit zijne kwade trouw ontleend, kunne tegenwerpen.”

De rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit verjaart dus na 30 jaren, indien er sprake is geweest van onafgebroken bezit niet te goeder trouw en de verjaring niet (tussentijds) is gestuit.

4.8.2 Artikel 585 OBW bepaalde dat onder bezit wordt verstaan “het houden of genieten eener zaak, welke iemand, of in persoon, of door een ander, in zijn magt heeft, alsof zij hem toebehoorde.”

4.8.3 De onderbouwde stelling van [gedaagden] dat er vanaf 1948 of 1952 sprake is geweest van onafgebroken bezit heeft CWL niet gemotiveerd betwist, zodat er sprake is geweest van onafgebroken bezit. Hiermee staat vast dat er in ieder geval vanaf 1952 sprake is van een onafgebroken bezit van de strook grond.

Nu vanaf 1952 meer dan 30 jaren zijn verstreken is de rechtsvordering van CWL met betrekking tot de beëindiging van het bezit van [gedaagden] verjaard.

4.8.4 Ten overvloede wordt opgemerkt dat artikel 1995 OBW, waarin de opvolging van het bezit is geregeld, niet van toepassing is op de extinctieve verjaring krachtens artikel 2004 OBW. De verjaringstermijn van de revindicatie begint namelijk te lopen bij de aanvang van de dag dat een ander dan de rechthebbende bezitsdaden ten aanzien van de zaak verricht en loopt door tot de verjaring door de rechthebbende wordt gestuit.

4.9 De vordering van CWL zal op grond van vorenstaande worden afgewezen.

4.10 Als de in het ongelijk gestelde partij zal CWL worden veroordeeld in de proceskosten.

In reconventie

4.11 De rechtbank leidt uit de aard van de reconventionele vordering en de stellingen van [gedaagden] af dat de alternatief (primair/subsidiair) opgestelde vordering cumulatief is.

4.12 In geschil is de vraag of [gedaagden] de eigendom van de strook grond hebben verkregen.

4.13 Volgens het oude recht had extinctieve verjaring (zie: rechtsoverweging 4.8) geen verkrijgende verjaring tot gevolg. Op grond van artikel 2004 OBW heeft dus noch een rechtsvoorganger van [gedaagden] noch hebben [gedaagden] zelf de eigendom verkregen van de strook grond.

4.14.1 Artikel 93 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek bepaalt dat artikel 3:105 BW één jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van toepassing is met betrekking tot degene die alsdan een goed bezit, indien de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit is voltooid.

4.14.2 Nu de verjaring van de rechtsvordering is voltooid (zie: rechtsoverweging 4.8.3) en artikel 3:105 BW op 1 januari 1992 in werking is getreden, is de bezitter van de strook grond ([gedaagden]) op 1 januari 1993, namelijk één jaar na inwerkingtreding, op grond van het bepaalde in artikel 3:105 BW jo. artikel 2004 OBW van rechtswege eigenaar geworden.

Op grond van artikel 3:105 BW heeft extinctieve verjaring immers wel verkrijgende verjaring tot gevolg en heeft degene, die één jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 3:105 BW de strook grond in bezit heeft, de eigendom verkregen.

4.14.3 [gedaagden] hebben in april 1992 de eigendom van de onroerende zaak aan[adres2] verkregen en hebben gelijktijdig de strook grond in bezit genomen. Op 1 januari 1993 hebben [gedaagden] dus de eigendom van de strook grond, deel uitmakend van het perceel met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474, grenzend aan het perceel met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 9668, en van het overige deel van de grond met de kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474 afgescheiden door middel van de coniferenhaag, verkregen.

4.15 [gedaagden] en CWL hebben ten aanzien van de omvang van de strook grond aangevoerd, dat het gaat om het deel van de grond, behorend bij het perceel met de kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474, dat door [gedaagden] feitelijk in gebruik is en wordt afgescheiden door middel van de coniferenhaag.

4.16 De vordering van [gedaagden] zal worden toegewezen met inachtneming van het

navolgende.

4.16.1 De vordering onder 1 (zie: rechtsoverweging 3.6) zal worden toegewezen op grond van de rechtsoverwegingen 4.8.1 tot en met 4.8.3.

4.16.2 De vordering onder 2 (zie: rechtsoverweging 3.6) zal worden toegewezen op grond van de rechtsoverwegingen 4.13.1 tot en met 4.13.3.

4.16.3 De omvang van de strook grond, zoals nader uit te meten door de landmeter van het kadaster en de openbare registers, zal niet worden aangeduid in lengte- en breedtematen, maar door middel van de feitelijke omschrijving van de strook grond. Tot deze strook grond behoort tevens de coniferenhaag.

4.16.4 De door [gedaagden] gevorderde medewerking van CWL aan het kadastraal inschrijven van de strook grond zal bij gebrek aan belang worden afgewezen, nu de medewerking van CWL niet noodzakelijk is voor de inschrijving van de verjaring (artikel 34 Kadasterwet).

4.17 Als de in het ongelijk gestelde partij zal CWL worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten worden aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 226,00.

5. De beslissing

De rechtbank:

In conventie

wijst de vordering af;

veroordeelt CWL in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagden] bepaald op € 904,00 aan salaris van de procureur en € 251,00 aan griffierecht.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

verklaart voor recht dat de rechtsvordering van CWL tot revindicatie van de strook grond, deel uitmakend van het perceel met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474, grenzend aan het perceel met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 9668, en van het overige deel van de grond met de kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474 afgescheiden door middel van de coniferenhaag, is verjaard;

verklaart voor recht dat de strook grond, deel uitmakend van het perceel met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474, grenzend aan het perceel met kadastrale aanduiding [woonplaats] B 9668, en van het overige deel van de grond met de kadastrale aanduiding [woonplaats] B 7474 afgescheiden door middel van de coniferenhaag, door verjaring eigendom is geworden van [gedaagden];

veroordeelt CWL in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 226,00;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 juni 2008.