Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD4299

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
11/500112-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrouw berooft na verlaten van de bank. Verdachte had hulp van zijn medeplichtige vriend, die als stagiaire bij de bank werkte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer : 11/500112-08

Zittingsdatum : 3 juni 2008

Uitspraak : 17 juni 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1987,

[adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond Huis van Bewaring De IJssel.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2008 te Alblasserdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, inhoudende een geldbedrag (8000 Euro) en/of een portefeuille en/of een rijbewijs en/of een pasje en/of een bril, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader

- een autoportier heeft opengetrokken van de auto waarin die [benadeelde partij] zich bevond en/of

- genoemde tas vanaf het dashboard heeft gepakt en/of

- (hard) aan genoemde tas heeft getrokken (terwijl die [benadeelde partij] de tas vasthad en/of vasthield)]

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

[Strafeis: 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.]

3.2 De verdediging

De verdediging heeft partieel vrijspraak bepleit en heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [benadeelde partij].

Zij vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 300,- ter zake van immateriële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering in die zin dat hij heeft gevorderd dat zowel verdachte als zijn medeverdachte worden veroordeeld tot betaling van het gehele bedrag.

Door of namens de verdachte is de hoogte van de schade betwist.

4. De bewijsbeslissingen

4.1De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 10 maart 2008 te Alblasserdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen

een tas, inhoudende een geldbedrag (8000 Euro) en een portefeuille en een rijbewijs en een pasje en een bril,

toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld van geweld

tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken , welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- een autoportier heeft opengetrokken van de auto waarin die [benadeelde partij] zich bevond en

- genoemde tas vanaf het dashboard heeft gepakt en

- (hard) aan genoemde tas heeft getrokken (terwijl die [benadeelde partij] de tas vasthad en vasthield).

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

DIEFSTAL, VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een oudere vrouw - die kort daarvoor een aanzienlijk geldbedrag had opgenomen bij haar bank - beroofd.

Verdachte is daarbij op een zeer berekenende wijze te werk. Hij heeft vooraf via een vriend de benodigde informatie verzameld over de werkprocedure bij de bank en de datum van de geldopname. Op de dag van de beroving heeft verdachte een auto gehuurd en zich vervolgens via sms-verkeer met die vriend die stage liep bij de desbetreffende bank op de hoogte gesteld van het tijdstip van de geldopname en de uiterlijke kenmerken van het slachtoffer. Na de geldopname is hij haar gevolgd naar haar auto waarna hij het portier heeft opgetrokken, het slachtoffer met een smoes heeft afgeleid en de tas met het geldbedrag uit haar handen heeft getrokken.

Berovingen hebben niet alleen een grote impact op de slachtoffers maar versterken ook in hoge mate de heersende gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Bovendien kunnen zij voor de direct betrokkenen bijzonder traumatiserend zijn, hetgeen tot psychische schade kan leiden. In de schriftelijke slachtofferverklaring komt dat ook duidelijk naar voren.

Verdachte heeft zich aan dit alles weinig gelegen laten liggen en was slechts uit op financieel gewin om zodoende zijn schulden te voldoen.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij zeer berekenend te werk is gegaan, gebruik en misbruik heeft gemaakt van zijn vriend en nogal gemakkelijk tot het besluit is gekomen om de beroving te plegen. Voorts was verdachte een gewaarschuwd mens nu hij eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard, de ernst en de hiervoor geschetste omstandigheden, waaronder het feit is gepleegd, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank betrekt bij haar uiteindelijke oordeelsvorming omtrent de duur van de vrijheidsstraf de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gebracht in het over hem door het Leger des Heils te Dordrecht uitgebrachte rapport d.d. 13 maart 2008 en zoals deze ook overigens ter terechtzitting zijn gebleken. De rechtbank houdt daarbij tevens rekening met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld door de strafrechter voor een vermogensdelict.

Alles afwegend komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur. Zij acht die passend en geboden.

7.2 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij is ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte schade.

De rechtbank houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de impact die dit heeft gehad op de benadeelde partij.

Op grond hiervan zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade naar billijkheid integraal toewijzen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat zowel verdachte als zijn medeverdachte worden veroordeeld tot betaling van het gehele door de benadeelde partij gevorderde bedrag.

Dit standpunt is in strijd met de Wet. De rechtbank zal daarom de betaling gelasten met bepaling van de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Naast toewijzing van deze civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

* een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat (een gedeelte van) deze straf , te weten 5 (VIJF) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte om tegen kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van EUR 300,- (driehonderd euro) met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil;

verstaat dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag door een mededader de veroordeling van de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] met eenzelfde bedrag doet verminderen;

legt op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van EUR 300,- (driehonderd euro) ten behoeve van [benadeelde partij];

beveelt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen;

verstaat dat de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] komt te vervallen voor zover een mededader aan diens betalingsverplichting jegens of ten behoeve van [benadeelde partij] zal hebben voldaan;

bepaalt dat de voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. S.H. Gaertman en mr. D. Bogaert, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal,griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2008.