Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2008:BD3819

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
11-500037-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belaging. De rechtbank veroordeelt een 37-jarige man wegens belaging. Ondanks het relatief geringe totale aantal handelingen van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat hij op stelselmatige wijze inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, gelet op de uit de bewijsmiddelen gebleken feiten en omstandigheden, beschouwd in onderling verband en tegen de achtergrond van de wetsgeschiedenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 11/500037-08

Parketnummer tul: 11/510444-06

Zittingsdata: 24 april 2008 en 29 mei 2008

Uitspraak: 12 juni 2008

VERKORT STRAFVONNIS

De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1971,

[adres en woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Zuid-West – De Dordtse Poorten te Dordrecht, Kerkeplaat 25.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2007 tot en met 21 januari 2008

te Oud-Beijerland, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die

ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal,

- (in de nachtelijke uren) zich bij(/in) (de achtertuin van) de woning van die [slachtoffer] opgehouden en/of

- een (vuilnis)zak, aan de (voor)deur van de woning van die [slachtoffer] opgehangen en/of

- een (plastic) zak, met daarin zich bevindend een BankGiroCard (kaartnumme) (op naam van de verdachte) en/of een of meerdere (Kruidvat) condoomverpakkingen, aan de (voor)deur van de woning van die [slachtoffer] opgehangen en/of

- voor de woning van die [slachtoffer] op en neer gelopen en vervolgens op het raam van de woning van die [slachtoffer] aangeklopt;

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2 aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

in de periode van 01 augustus 2007 tot en met 21 januari 2008 te Oud-Beijerland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij, verdachte,

- in de nachtelijke uren zich in de achtertuin van de woning van die [slachtoffer] opgehouden en

- een vuilniszak, aan de voordeur van de woning van die [slachtoffer] opgehangen en

- een (plastic) zak, met daarin zich bevindend een BankGiroCard (kaartnummer) (op naam van de verdachte) en Kruidvat

condoomverpakkingen, aan de voordeur van de woning van die [slachtoffer] opgehangen en

- voor de woning van die [slachtoffer] op en neer gelopen en vervolgens op het raam van de woning van die [slachtoffer] aangeklopt.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere overweging met betrekking tot het element ‘stelselmatig’

De raadsvrouw heeft betoogd dat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als belaging omdat er gelet op het geringe aantal voorvallen en de korte tijdspanne geen sprake zou zijn van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

Gelet op de wetsgeschiedenis kan belaging en het stelselmatige karakter als volgt worden gekarakteriseerd.

“Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en daardoor wordt een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Dit kan door een en dezelfde soort handeling, maar ook door middel van een veelheid van verschillende gedragingen. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt het slachtoffer vaak bang of onzeker. Onder ‘stelselmatig’ wordt hetzelfde verstaan als in het op 17 juni 1997 ingediende wetsvoorstel dat de bijzondere opsporingsbevoegdheden regelt (Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pag. 27). Stelselmatig betekent met een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie”.

De rechtbank heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen onder meer het volgende vastgesteld:

- verdachte heeft zich op 10 augustus 2007, omstreeks 0.58 uur, een uur in de achtertuin van het slachtoffer opgehouden ;

- getuige [naam getuige] heeft gezien dat verdachte op 15 januari 2008 een vuilniszak aan de voordeur van het slachtoffer heeft gehangen ;

- het slachtoffer heeft gezien dat verdachte op 16 januari 2008 een plastic tas aan haar voordeur heeft gehangen . In die tas zaten onder meer condoomverpakkingen ;

- het slachtoffer heeft op 17 januari 2008 gezien en gehoord dat verdachte voor haar deur stond en op het raam van haar woning heeft geklopt ;

- het slachtoffer is, mede omdat zij al eerder is belaagd door verdachte, angstig gewor-den en voelt zich thuis niet meer veilig

Ondanks het relatief geringe totale aantal handelingen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op stelselmatige wijze inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, beschouwd in onderling verband en tegen de achtergrond van de wetsgeschiedenis. De gedragingen van verdachte vallen binnen de grenzen van het in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde, en daarom verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

BELAGING.

6. De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Uitgebrachte rapporten

Op verzoek van de rechtbank zijn door prof. dr. J.J. Baneke, psycholoog, en dr. W.H. Lionarons, psychiater, rapporten uitgebracht over de geestvermogens en persoonlijkheid van verdachte.

In zijn rapport van 22 april 2008 schrijft Baneke – zakelijk weergegeven – onder meer:

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in casu van de Stoornis van Asperger. Tevens zijn er hypomane en theatrale persoonlijkheidstrekken.

In zijn rapport van 23 april schrijft Lionarons – zakelijk weergegeven – onder meer:

Verdachte lijdt aan de stoornis van Asperger. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte ontkent het ten laste gelegde. Daarom kan de vraag of de ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde hebben beïnvloed, niet worden beantwoord.

Op verzoek van de rechtbank is door dr. B.A. Blansjaar, psychiater, op 18 maart 2007 in de zaak met parketnummer 11/510444-06 een rapport uitgebracht over de geestvermogens en de persoonlijkheid van verdachte. Daarin schrijft hij – zakelijk weergegeven – onder meer:

Uit het psychiatrisch onderzoek blijken duidelijke aanwijzingen voor een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte in de vorm van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, te weten het syndroom van Asperger, met aanzienlijke sociale en communicatieve beperkingen. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van deze duurzame gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte.

Verdachte moet ten aanzien van het ten laste gelegde feit dan ook verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht te zijn geweest, aangezien dit feit tenminste deels voortkomt uit de genoemde gebrekkige ontwikkeling. De recidivekans wordt als verhoogd aangemerkt.

6.2 Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte

Voornoemde deskundigen Baneke en Lionarons onthouden zich, anders dan Blansjaar, van een conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte op grond van zijn ontkenning van het ten laste gelegde feit.

Ondanks het feit dat zijn rapport niet is uitgebracht in de onderhavige strafzaak, acht de rechtbank het opportuun het voormelde rapport van Blansjaar mee te wegen in haar oordeel over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, onder meer omdat zijn rapport van recente datum is en zijn rapport is geschreven naar aanleiding van een strafzaak die in zeer grote mate overeenkomt met de onderhavige zaak.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voornoemde deskundigen op grond van de onderbouwing van hun rapportages. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de rapporten van voornoemde deskundigen, is komen vast te staan dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Ook overigens zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen die de straf hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een periode van bijna een half jaar stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het zwaartepunt van deze periode lag in de maand januari 2008, waarin het slachtoffer op drie achtereenvolgende dagen op vervelende wijze met verdachte werd geconfronteerd. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de integriteit en het privéleven van het slachtoffer. Blijkens haar aangifte en haar nader verhoor heeft de belaging het slachtoffer angst ingeboezemd en onzeker gemaakt.

De gevoelens van angst en onzekerheid van het slachtoffer komen deels voor uit het feit dat zij al eerder door verdachte is belaagd. Uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 maart 2008 is gebleken dat verdachte reeds enkele malen eerder is veroordeeld wegens belaging.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze in het bijzonder zijn gebleken uit de onder 6.1 vermelde rapporten van de psychiater en de psycholoog en dat van de Stichting Reclassering Nederland van 17 april 2008.

Psycholoog Baneke heeft in zijn rapport advies uitgebracht met betrekking tot de afdoe-ning van de zaak. Hij heeft daarover – zakelijk weergegeven – het volgende gerapporteerd:

Mocht het ten laste gelegde bewezen worden geacht, dan zou een behandeling binnen een forensisch psychiatrisch kader zeer gewenst zijn. Verdachte is reeds onder behandeling voor een soortgelijke zaak, maar blijkbaar heeft dit nog niet het gewenste effect gehad. Inmiddels staat verdachte bovenaan een wachtlijst van de Pameijer Stichting voor een begeleid wonen project voor mensen met een autistische stoornis in Rotterdam Ommoord, wat eind 2008 waarschijnlijk geopend wordt. Een en ander pleit sowieso voor een stringentere aanpak van de begeleiding van verdachte na diens huidige detentie. Indien het ten laste gelegde bewezen geacht wordt, zal verdachte zeker behandeld moeten worden, liefst bij De Waag in Rotterdam om verdere discontinuïteit in de behandeling te voorkomen. Het is echter niet goed om als verdachte na detentie nog in zijn huidige woning zou komen. In een tussenliggende periode zou verdachte mogelijk ondergebracht kunnen worden in een kliniek, waarbij dan tevens de eerder genoemde libidoremmende medicatiever-strekking en –werking beter gecontroleerd zou kunnen worden.

Gezien het ten laste gelegde, wordt bij bewezenverklaring een behandeling geadviseerd als bij-zondere voorwaarde binnen het kader van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met een verplicht reclasseringscontact met een lange proeftijd.

Bij het bepalen van de sanctie evenals de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met de hiervoor onder 6.2 vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten.

Alles afwegend acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij verdachte zich binnen de proeftijd dient te houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat (voortzetting van) een behandeling bij de forensisch psychiatrische kliniek De Waag inhoudt, gepast en geboden.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Verdachte is door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken te Dordrecht bij onherroepelijk geworden vonnis van 29 mei 2007 onder parketnummer 11/510444-06 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde voor het einde van een op twee jaar gestelde proeftijd zich aan een strafbaar feit schuldig maakt of de gestelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk oplegde straf gevorderd overeenkomstig de als bijlage 2A aan dit vonnis gehechte vordering ter terechtzitting.

De rechtbank zal, gelet op bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit in deze zaak, de vordering van de officier van justitie toewijzen.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier-boven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 6 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de hierna te melden bijzondere voorwaarde;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt (voortzetting van) een behandeling bij forensisch psychiatrische kliniek De Waag of een soortgelijke instelling;

verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meer-voudige kamer voor de behandeling van strafzaken te Dordrecht van 29 mei 2007, parketnummer 11/510444-06, te weten een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 3 MAANDEN.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

mr. M.A. Waals en mr. D. Bogaert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. van Beek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 juni 2008.